Conclusie en discussie

8.1 Samenvatting onderzoekopzet

In dit onderzoek hebben we onderzocht welke factoren een invloed hebben op de acceptatie van complexe technologieën door burgers en de rol van vertrouwen in de overheid, vertrouwen in de wetenschap en vertrouwen in technologie hierin. Zo willen we een inzicht verkrijgen in de mogelijke variabelen die van belang zijn en hoe de onderlinge relaties gevormd zijn. De variabelen en relaties werden getoetst in een onderzoek naar de acceptatie en het gebruik van complexe technologieën, met name slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur en het Covid Safe Ticket.

Daarnaast is er aandacht geschonken aan de processen met betrekking tot hoe vertrouwen wordt opgebouwd en hoe het mogelijks kan afnemen. Alvorens een individu overgaat tot de acceptatie van een technologie, moeten een aantal stappen doorlopen worden. In deze stappen kan het individu door verschillende context gerelateerde zaken toch besluiten om de technologie al dan niet te aanvaarden, ondanks hoe bruikbaar of nuttig deze technologie ook is. In de huidige literatuur hierrond is veel nuttige informatie te vinden, maar toch ontbreekt een integratie van de verklaringen en verbanden rond de rol van vertrouwen in technologie, overheid en wetenschap bij de aanvaarding van een complexe technologie. Vertrouwen en attitude blijven cruciale componenten bij het accepteren van nieuwe technologieën. Bijgevolg biedt dit onderzoek een geïntegreerd geheel van de huidige literatuur hierrond. Gegeven dat de bestaande literatuur hier nog niet diep op in gaat, doet dit onderzoek een belangrijke bijdrage.

Verder heeft het onderzoek naast deze voorgaande wetenschappelijke relevantie ook maatschappelijke relevantie, omdat de complexe technologieën ook een belangrijke maatschappelijke taak verrichten door het controleren van de veiligheid en gezondheid. Het is dus belangrijk dat burgers de door de overheid geïnitieerde complexe technologieën vertrouwen en aanvaarden (Bangerter et al., 2012; Van de Walle et al., 2008). Vertrouwen in en aanvaarding van deze technologieën is niet vanzelfsprekend, zoals we bijvoorbeeld zien bij de implementatie van het coronapaspoort gekoppeld aan een QR-code in het maatschappelijke leven (Bangerter et al., 2012; Engbersen et al., 2021). Door de verkregen inzichten uit het onderzoek kan verder nagedacht worden over hoe het vertrouwen van de burgers verhoogd kan worden. Het leeronderzoek zal nuttige inzichten leveren voor dit denkproces.

We zijn het onderzoek gestart met een grondig literatuuronderzoek over de aanvaarding van technologie. Dit is besproken aan de hand van drie theoretische modellen, waarbij een definiëring van vertrouwen werd gegeven en een diepere bespreking van de drie vormen van vertrouwen die aan bod komen in dit onderzoek, namelijk vertrouwen in overheid, wetenschap en technologie. Tot slot wordt er ook een overzicht gegeven van de huidige literatuur rond drie digitale complexe technologieën en drie niet-digitale complexe technologieën. Steunend op het literatuuronderzoek zetten we een empirisch luik op om na te gaan of in de realiteit de inzichten uit het literatuuronderzoek terug te vinden zijn, of mogelijks kunnen worden aangevuld.

Voor het empirische onderzoek hebben we gekozen voor een ‘mixed methods’ benadering. We maken dus gebruik van zowel kwalitatieve als kwantitatieve onderzoeksmethoden. ‘Mixed methods’ studies zijn schaars in de literatuur rond aanvaarding van complexe technologieën. De kwalitatieve en kwantitatieve data uit dit onderzoek kunnen een completer beeld geven van de verschillende factoren die invloed hebben op de aanvaarding van complexe technologieën. Daarnaast levert deze studie een theoretische bijdrage aan de literatuur door de factor vertrouwen in de overheid op te nemen in de theorie en de impact op aanvaarding van complexe technologieën kwalitatief en kwantitatief te testen. Ook vertrouwen in de wetenschap en technologie worden getest. Deze factoren zijn onlosmakelijk verbonden aan de aanvaarding van complexe technologieën, zoals hierboven beschreven.

Het eerste luik is een kwalitatief onderzoek waarbij diepte-interviews aan de hand van een vragenlijst met open hoofdvragen rond vaste thema’s plaatsvonden met verschillende burgers in Vlaanderen. De twee complexe technologieën waarmee wij werken zijn slimme camera's die controleren op gsm- gebruik achter het stuur en het Covid Safe Ticket. We hebben voor onze diepte-interviews 36 respondenten geselecteerd omdat we drie respondenten per subgroep wilden. De respondenten werden onderverdeeld in drie subgroepen die werden samengesteld op basis van een combinatie van drie selectiecriteria, namelijk: leeftijd, opgedeeld in jong (18j-30j), midden (30j-65j), oud (65 of meer), geslacht (man of vrouw) en opleidingsniveau (laag=secundair en hoog= bachelor, master of gelijkaardige opleidingen die al voltooid zijn of huidig).

Daarna hebben we in het tweede luik een kwantitatief onderzoek uitgewerkt op basis van een survey. In deze survey wilden we de eerste bevindingen uit het kwalitatieve onderzoek en de relevante concepten uit het literatuuronderzoek breder bij burgers in Vlaanderen toetsen. In tegenstelling tot het kwalitatief luik van dit onderzoek, wordt in de survey maar één van de twee technologieën opgenomen. In deze survey is het Covid Safe Ticket niet bevraagd. De survey werd ontworpen op basis van het conceptueel-theoretisch kader. Hierin worden de elementen benoemd die een impact hebben op het aanvaarden van een technologie waarna deze werden opgenomen in de survey. Daarnaast zijn er elementen in de diepte-interviews naar voren gekomen die belangrijk bleken voor sommige respondenten. Om deze reden zijn items zoals gezinssituatie, inwonende kinderen, en autogebruik opgenomen in de survey. De concepten die aan bod komen in de survey zijn meetbaar gemaakt door gebruik te maken van wetenschappelijke literatuur over het accepteren van technologie. Ons onderzoek is te beperkt in tijd om zelf meetschalen voor concepten te ontwikkelen en te valideren en daarom is gebruik gemaakt van bestaande surveyvragen in de literatuur die al gevalideerd zijn. Deze bestaande surveyvragen zijn aangepast voor onze doeleinden en vertaald naar de specifieke casus van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. In het conceptueel-theoretisch kader en in de kwalitatieve analyse worden onderliggende relaties tussen variabelen onderling besproken, maar in het kwantitatief onderzoek wordt, om een te hoge complexiteit van het eindrapport te vermijden, enkel het effect van de onafhankelijke variabelen op de acceptatie van de technologie besproken.

In de survey is gewerkt met twee verschillende afhankelijke variabelen, die beide een andere benadering hebben tot de acceptatie van een technologie. De eerste afhankelijke variabele, die een algemene benadering volgt, werd gemeten met de vraag “Indien de overheid slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur zou invoeren, zou u dit dan steunen?”. De tweede afhankelijke variabele, die een persoonlijke benadering volgt, werd gemeten met de vraag “Indien een slimme camera zou vaststellen dat u een gsm gebruikt achter het stuur en u vervolgens een boete ontvangt, zou u deze boete dan aanvaarden?”.

De surveydata die in het kwantitatieve onderzoek wordt gebruikt is afkomstig van een bevraging die we bij het burgerpanel van M2P hebben uitgevoerd. De survey is afgenomen met Qualtrics. Er zijn 1925 mensen uitgenodigd om deel te nemen aan de survey, waarvan er 493 hebben deelgenomen en uiteindelijk bleven 469 respondenten over verwijderen van missing cases. Het is belangrijk op te merken dat het panel niet representatief is voor de Vlaamse bevolking, want in het panel is er een oververtegenwoordiging van mannen, hoger opgeleiden en de respondenten zijn ook meer politiek geïnteresseerd. Daarom maken we gebruik van een weging op basis van de variabelen geslacht, opleiding en leeftijd. Toch nuanceren we deze weging, aangezien er ook variabelen zijn die we niet in rekening kunnen brengen in deze weging, zoals de politieke interesse van de respondenten.

Door te werken met de diepte-interviews komen we tot veel en diepgaande informatie, wat op zijn beurt de interne validiteit van dit onderzoek verhoogt. We zijn er ons van bewust dat er door het beperkt aantal respondenten waarbij interviews werden afgenomen de generalisering van de inzichten uit het kwalitatieve onderzoek moeilijker zou worden. Daarom zou de externe validiteit van dit onderzoek een zwakte kunnen zijn. Hierdoor besloten we deze fase aan te vullen met een kwantitatieve survey. Op deze manier hebben we de mogelijkheid om de gevonden fenomenen vanuit de kwalitatieve fase verder af te toetsen bij een bredere groep respondenten uit onze populatie. Door gebruik te maken van de kennis die werd opgedaan tijdens het literatuuronderzoek en tijdens de kwalitatieve data-analyse konden we een sterk kader opbouwen waarop we het kwantitatieve meetinstrument baseerden. Zo zou de betrouwbaarheid van dit meetinstrument verhoogd worden. We hebben voor de kwalitatieve codering gewerkt met NVivo en bij de kwantitatieve survey is de data geanalyseerd met behulp van het statistisch programma SPSS. Dit laat toe om de verschillende analyses uit te voeren.

8.2 Samenvatting onderzoeksresultaten

In dit deel gaan we dieper in op de inzichten die uit de kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksfase komen en de mate waarin deze inzichten aansluiten bij het literatuuronderzoek en conceptueel- theoretisch kader. Het doel is om een samenvatting van ons leeronderzoek te geven. In Tabel 11 zijn de resultaten in beknopte bewoording gepresenteerd. Dit laat toe de onderzoeksvraag te beantwoorden op basis van het literatuuronderzoek en onze resultaten.


Resultaten Kwalitatief Onderzoek

Resultaten Kwantitatief Onderzoek 

Gepercipieerde kennis van de technologie 

Geen verband tussen eigen perceptie van kennis over technologie en het niveau van vertrouwen in de technologie.

Negatief verband tussen variabele en acceptatie van de technologie

Gepercipieerde complexiteit van de technologie

Kennis en complexiteit worden in het kwalitatief onderzoek samengenomen. 

Niet te meten met onze meetinstrumenten

Gepercipieerde risico’s, kosten en baten van de technologie

Baten en kosten hebben een invloed op de vorming van de attitude. Als de respondenten veel kosten zien en weinig baten, vormen ze een negatieve attitude. Omgekeerd zien we dat als de respondenten veel baten zien en weinig kosten, ze een positieve attitude vormen.

Positief verband tussen positieve evaluatie kosten-baten en acceptatie van de technologie

Vertrouwen in de overheid

Vertrouwen in de overheid heeft een invloed op de vorming van de attitude. Een verminderd vertrouwen in de overheid om een technologie goed te gebruiken en te reguleren leidt tot een negatieve attitude ten aanzien van die technologie.

Geen verband tussen variabele en acceptatie van de technologie

Vertrouwen in de wetenschap

Respondenten met een hoog vertrouwen in de wetenschap, hebben een positieve attitude ten aanzien van de technologie. 

Positief verband tussen variabele en acceptatie van de technologie

Vertrouwen in technologie

Vertrouwen in technologie heeft geen duidelijke invloed op de vorming van de attitude. 

Geen verband tussen vertrouwen in AI-technologie en acceptatie van de technologiePositief verband tussen vertrouwen in slimme camera’s en acceptatie van de technologie

Attitude ten opzichte van de technologie 

Een positieve attitude leidt tot acceptatie en een negatieve attitude leidt tot een verwerping van het gebruik van de technologie.

Positief verband tussen de variabele en acceptatie van de technologie


Zowel het conceptueel-theoretisch kader als de kwalitatieve analyse is opgebouwd uit drie clusters. We hebben de cluster rond de gepercipieerde risico’s, kosten en baten van technologie, de cluster rond vertrouwen en de cluster rond attitude en acceptatie van technologie. We vergelijken in dit deel de resultaten uit het kwalitatieve en kwantitatieve deel van ons onderzoek volgens die drie clusters. We bespreken eerst de resultaten van de kwalitatieve analyse en daarna de resultaten van de kwantitatieve analyse.

De kennis en gepercipieerde risico’s, kosten en baten van technologie:

In het conceptueel-theoretisch kader spreken we over de gepercipieerde complexiteit van de technologie. Deze variabele is de mate waarin een individu een technologie als ingewikkeld te begrijpen en te gebruiken ziet. Binnen de literatuur is dit een veel gebruikte factor en bekend onder verschillende namen zoals complexiteit of gebruiksvriendelijkheid (Venkatesh et al., 2003). Bij kennis en complexiteit van de technologie wordt er bevraagd hoeveel een persoon weet van de technologie. Kennis en complexiteit worden in het kwalitatief onderzoek samengenomen in de veronderstelling dat als een technologie moeilijk uit te leggen is, deze complex is. Complexiteit is namelijk moeilijk te bevragen op zich. Uit de 36 diepte-interviews blijkt dat 13 respondenten de technologie niet begrepen en 23 respondenten wel. Hierbij was de technologie van slimme camera's die controleren op gsm- gebruik achter het stuur moeilijker te begrijpen. Dit ligt aan het feit dat mensen de afgelopen jaren veel meer in direct contact zijn gekomen met het Covid Safe Ticket.

Het merendeel van de mensen is al in contact gekomen met de technologie in hun interview, dit gaat over 28 van de 36 respondenten. Echter is hier wel een verschil merkbaar tussen de technologieën onderling. Bij slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur zijn 8 van de 18 respondenten niet in contact gekomen met de technologie. Het merendeel van de respondenten vinden de doelen van de technologie wel duidelijk, slechts vijf respondenten vinden van niet. Uit de resultaten blijkt dat negen respondenten een hoog vertrouwen hebben in de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur en tien respondenten in het Covid Safe ticket. We zien hier dus dat het verschil tussen slimme camera’s en het Covid Safe Ticket niet groot is, ondanks het feit dat de respondenten minder kennis hebben over de technologie van de slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. We kunnen dus concluderen op basis van onze kwalitatieve resultaten dat er geen relatie is tussen eigen perceptie van kennis over technologie en het niveau van vertrouwen in de technologie. Siegrist and Cvetkovich (2000) stellen dat mensen met weinig kennis over een technologie de baten, kosten en risico’s van de technologie niet kunnen inschatten. Uit het kwalitatieve luik blijkt overigens ook dat er een relatie bestaat tussen de perceptie van eigen kennis over de technologie en de verwachte baten, kosten en risico’s.

In het kwantitatieve luik van dit onderzoek is de relatie tussen de perceptie van eigen kennis en de acceptatie van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur getest. Op basis van het literatuuronderzoek veronderstellen we dat dit een positieve relatie is. Iemand die meer weet over de technologie zal de technologie ook sneller accepteren. In onze analyse zagen we echter het omgekeerde effect. Hoe meer iemand denkt te weten over slimme camera’s, hoe minder snel die het gebruik van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur zal aanvaarden. Dit was zowel het geval voor de algemene benadering, met name het accepteren van het gebruik van slimme camera’s, als voor de persoonlijke benadering, of ook wel het accepteren van een boete door een slimme camera die controleert op gsm-gebruik achter het stuur. Een mogelijke reden voor dit effect is dat de relatie tussen de gepercipieerde kennis en de acceptatie van de technologie afhangt van de technologie zelf. Een individu die meer weet over een risicovolle technologie, zal het gebruik daarvan misschien minder snel accepteren. In het kwantitatieve luik is ook geprobeerd om het effect van de complexiteit van de technologie en de acceptatie van de technologie te meten. Echter bleek dat ons meetinstrument niet in staat was om eenduidig de complexiteit van de technologie te meten.

In zowel het kwalitatief onderzoek als het kwantitatief onderzoek is het dus moeilijk om een onderscheid te maken tussen de complexiteit van de technologie en de perceptie van eigen kennis. Dit toont aan dat deze twee concepten dicht bij elkaar aanleunen.

De verwachte of gepercipieerde individuele en maatschappelijke baten zijn de voordelen die een individu denkt te bekomen door gebruik te maken van een bepaalde technologie. Deze zijn op te delen in individuele en maatschappelijke baten of voordelen (Huijts et al., 2012). De verwachte nuttigheid, de hulp die een technologie biedt bij het uitvoeren van een taak, is een individuele baat. Wanneer er gekeken wordt naar de baten van de technologieën, dan zijn er acht respondenten die zeggen geen maatschappelijke baten te zien in de technologieën. Het valt op te merken dat deze respondenten allemaal werden bevraagd over het Covid Safe Ticket en dat de meerderheid mannen zijn, namelijk zes van de acht. We zien dat van de 25 respondenten die een veiligere maatschappij de belangrijkste baat vonden, er 16 vrouw zijn. Vrouwen vinden veiligheid dus een belangrijker voordeel dan mannen. Vooral vrouwen met een leeftijd van 18 tot 65 jaar vinden veiligheid belangrijk.

Buiten maatschappelijke baten zijn er ook belangrijke individuele baten. Hierbij zien we opnieuw dat veiligheid door 16 van de 36 respondenten werd aangehaald als belangrijkste baat. Naastveiligheid was de heropening van ‘het gewone leven’ een belangrijke baat die vooral bij jonge respondenten werd aangehaald. Bij het bekijken van de risico’s zien we dat respondenten vooral vrezen voor de afhankelijkheid en het misbruik van de technologieën. Zo vrezen 18 respondenten van de 36 dat we te veel afhankelijk zullen worden van de technologie en 12 respondenten zijn bang voor misbruik van de overheid en misbruik door derden.

Onder verwachte of gepercipieerde individuele en maatschappelijke kosten verstaan we de kosten die een individu in verband brengt met een bepaalde technologie. Dit kunnen financiële kosten en niet- financiële kosten zijn, zoals de tijd en moeite die nodig is om een bepaalde technologie te gebruiken (Huijts et al., 2012). Onder deze noemer vallen de kosten die een individu denkt te hebben op individueel niveau als ook de kosten voor de samenleving. Uit de interviews komen acht verschillende opgesomde maatschappelijke kosten terug in tegenstelling tot zes verschillende individuele kosten. Het meest voorkomende maatschappelijk kost is schending van de privacy. Naast het feit dat dit argument elf keer werd aangehaald in de interviews, komt dit nadeel in een soortgelijke vorm ook terug in de vorm van drie respondenten die aangeven dat ze vinden dat de maatschappij hen te veel controleert via de technologie. Afhankelijk van de technologie is dit een kost die we specifiek kunnen linken aan het Covid Safe Ticket. Met dit nadeel wordt bedoeld dat de respondenten vinden dat ze in hun persoonlijk dagelijks leven te afhankelijk zijn van het CST. Echter hebben relatief veel personen geen probleem met de technologie, vooral als het over individuele kosten gaat. We zien wel dat vrouwen meer nadelen of kosten opgeven, maar ze geven ook aan dat ze zelf geen probleem hebben met de technologie. Hoogopgeleiden zien minder problemen in de technologie, maar kosten zoals privacy, inefficiëntie en controle komen vaker terug bij hoogopgeleiden. In het conceptueel- theoretisch kader werd verwacht dat de verwachte baten een positief effect zouden hebben op attitude en op acceptatie van technologie zoals andere studies dat ook verwachtten (Liu et al., 2019). In onze analyse zien we dan ook terug dat baten en kosten een invloed hebben op de vorming van de attitude. Als de respondenten veel kosten zien en weinig baten, vormen ze een negatieve attitude. Omgekeerd zien we ook dat als de respondenten veel baten zien en weinig kosten, ze een positieve attitude vormen.

In het kwantitatieve luik van het onderzoek zijn de gepercipieerde individuele en maatschappelijke kosten, baten en risico’s bevraagd via het concept evaluatie kosten-baten. In de survey kreeg de respondent hier een aantal vragen voorgeschoteld die bevragen of de respondent mee voor- of nadelen ziet in de technologie. Vervolgens werden deze vragen samen geanalyseerd. In overeenstemming met onze verwachtingen uit het conceptueel-theoretisch kader en het literatuuronderzoek heeft de evaluatie kosten-baten een positief effect op het accepteren van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. Dit is zowel het geval voor de algemene als de persoonlijke benadering. Een persoon die meer maatschappelijke en individuele voordelen ziet in het gebruik van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur, is geneigd om het gebruik sneller te accepteren. De resultaten van het kwantitatief onderzoek liggen dus in lijn met de resultaten van het kwalitatief onderzoek.

Vertrouwen in overheid, wetenschap en technologie:

Volgens het conceptueel-theoretisch kader hebben drie variabelen die verbonden zijn met vertrouwen een directe invloed op de attitude tegenover de technologie in kwestie. Om te beginnen hebben we het vertrouwen in de overheid dat wijst op de positieve psychologische toestand waarin iemand verkeert en men zich kwetsbaar opstelt ten opzichte van de overheid in een onzekere situatie (Christensen & Laegreid, 2005). Hierbij verwacht de burger dat overheidsactoren de juiste intenties hebben en de correcte acties ondernemen, waardoor er geen schade wordt berokkend aan de relatie tussen burger en de overheid en men hierdoor de vertrouwensrelatie wil verderzetten (Christensen & Laegreid, 2005).

Uit de diepte-interviews blijkt de helft van de respondenten, namelijk 18, een matig vertrouwen hebben in de overheid. Deze 18 respondenten vertrouwen de overheid dus niet helemaal. Hierbij zijn merendeel van de respondenten vrouwen en hoogopgeleid. Daarnaast zien we dat de op een na grootste groep met negen respondenten, hoog vertrouwen heeft, waarbij merendeel mannen. Uit de studie van Levi-Faur et al. (2020) blijkt dat demografische factoren invloed hebben op het vertrouwen in de overheid. In onze literatuurstudie werd dit ook bevestigd, zo blijken mannen over het algemeen meer vertrouwen te hebben in de overheid dan vrouwen (Levi-Faur et al., 2020). Tenslotte zijn er ook nog zeven respondenten met een laag vertrouwen in de overheid. De belangrijkste redenen voor hun niveau van vertrouwen zijn transparantie, bekwaamheid, nood aan een consequent beleid en meer inspraak van de burgers in het beleid. Deze zaken kunnen het vertrouwen zowel positief als negatief beïnvloeden, naargelang de respondent. Enkele van deze redenen werden ook al vermeld in de literatuurstudie. Zo stellen Gregory and Austin (2021) dat een hoge mate van toegankelijkheid, sterke communicatie, een vriendelijke houding en erkenning van het individu ervoor zorgen dat het individu eerder tevreden is over het functioneren van een overheidsinstelling.

Gezien de rol van de overheid als gebruiker en regulator van de technologie, speelt het vertrouwen dat men heeft in de overheid een rol in de acceptatie van de complexe techniek. De meeste respondenten, 18 in totaal, hebben een hoog vertrouwen in de overheid als regulator van een complexe technologie, ondanks het feit dat merendeel van de respondenten een matig vertrouwen hadden in de overheid zelf. Hierbij is merendeel van de respondenten vrouw en laag opgeleid. Er zijn ook vijf respondenten die eerder een laag vertrouwen hebben en deze zijn allemaal hoogopgeleid. Tenslotte zijn er nog vijf respondenten met een matig vertrouwen, waarvan vier van de vijf hoogopgeleid zijn.

Uit het kwalitatief onderzoek blijkt dat vertrouwen in de overheid een invloed heeft op de vorming van de attitude. Een verminderd vertrouwen in de overheid om een technologie goed te gebruiken en te reguleren lijkt te leiden tot een negatieve attitude ten aanzien van die technologie. Het effect kan ook omgekeerd lopen, want een negatieve attitude tegenover een technologie kan wellicht ook leiden tot een lager vertrouwen in de overheid om op een goede wijze die technologie te gebruiken en te reguleren.

In het kwantitatieve luik van dit onderzoek hebben we de relatie tussen vertrouwen in de overheid en de acceptatie van de technologie onderzocht. Op basis van de literatuurstudie en het conceptueel model verwachten we een positief verband tussen vertrouwen in de overheid en acceptatie van de technologie. Dit verband vinden we echter niet terug in het kwantitatief onderzoek. Vertrouwen in de overheid is maar statistisch significant in één van onze modellen en dit effect verdwijnt na de toevoeging van de variabele vertrouwen in slimme camera’s, de variabele attitude ten opzichte van de technologie of allebei. We vinden dus geen bewijs terug van samenhang tussen vertrouwen in de overheid en de acceptatie van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik in het verkeer. Een mogelijke verklaring voor dit gegeven is dat andere factoren als vertrouwen in slimme camera’s een sterkere verklaringskracht hebben voor acceptatie van slimme camera’s en deze verklaringskracht deverklaringskracht van vertrouwen in de overheid overheerst. Een tweede verklaring is dat vertrouwen in de overheid enkel indirect een invloed heeft op de acceptatie van de technologie, met name door zelf invloed te hebben op vertrouwen in slimme camera’s en de attitude tegenover de technologie, die op hun beurt de acceptatie van de technologie beïnvloeden.

De resultaten van het kwalitatief en kwantitatief onderzoek liggen niet volledig in dezelfde lijn, maar dit moeten we nuanceren. Ten eerste blijkt uit het kwalitatief onderzoek dat er een relatie is tussen het vertrouwen in de overheid en de attitude ten opzichte van een technologie. Deze relatie wordt niet onderzocht in het kwantitatief onderzoek. Daarnaast focust het kwalitatief onderzoek zich ook op het vertrouwen in de overheid als regulator van de technologie. In de survey werd ook het vertrouwen in de overheid in het algemeen bevraagd. Dit kan eventuele verschillen verklaren.

De tweede vertrouwensvariabele is vertrouwen in de wetenschap. Het doelpubliek toont zijn vertrouwen in de wetenschap door de wetenschap een dienst te verlenen, publieke middelen aan te bieden of een hoge graad van participatie te geven, waarvoor zij in ruil verwachten dat de wetenschap zorgvuldig en ethisch met die diensten omgaat en de resultaten van onderzoek maatschappelijk relevant zijn (Shrader-Frechette, 1994). Uit onze diepte-interviews blijkt dat 27 van de 36 respondenten een hoog vertrouwen hebben in de wetenschap. 14 respondenten geven aan dat ze meer vertrouwen hebben in wetenschappelijk onderzoek in opdracht van publieke instellingen dan in opdracht van private bedrijven. Dit komt overeen met wat in andere onderzoeken voorkomt. Sommige respondenten hebben veel vertrouwen in wetenschappelijke methoden en principes. Tegelijkertijd wantrouwen ze bepaalde wetenschappelijke instellingen (Achterberg et al., 2017).

We zien ook terug dat de vrouwelijke respondentengroep een relatief groter vertrouwen hebben in de wetenschap in het algemeen dan de mannelijke respondenten. Ook zien we dat hoger opgeleide respondenten relatief vaker een hoog vertrouwen in de wetenschap hebben dan laagopgeleide respondenten. Zo tonen studies aan dat jongere, liberale, niet-religieuze mannen meer vertrouwen hebben in wetenschap. Bovendien blijkt ook uit onderzoek dat opleiding en wetenschappelijke kennis het vertrouwen in wetenschap positief voorspellen (Huber, Barnidge, et al., 2019). Echter zien we bij onze resultaten dat meer vrouwen dan mannen een hoog vertrouwen hebben. Respondenten die een hoog vertrouwen in de wetenschap in zijn algemeenheid hebben geven relatief vaak aan dat ze de vooruitgang in de consumententechniek en de vooruitgang in de medische wetenschap waarderen. Het vertrouwen in algemene wetenschap en technologie is in hoge mate bepalend voor het vertrouwen in specifieke technologieën. Goed geïnformeerde respondenten zijn meer geneigd om fundamentele wetenschap te steunen.

Jonge respondenten die een hoog vertrouwen in de wetenschap hebben, refereren vaker aan de kennis van de wetenschappelijke methoden die ze opdoen of hebben opgedaan aan de universiteit terwijl ouderen vaker refereren aan kennis van de wetenschap die ze via de media vernemen. Hoger opgeleide respondenten geven ook vaker aan de wetenschappelijke methoden te kennen, hetgeen ook vaker leidt tot goed beargumenteerde twijfels over de wetenschap aangaande een specifieke technologie. Het niveau van vertrouwen in de wetenschap met betrekking tot een specifieke technologie kent geen verschil tussen hoger en lager opgeleide respondenten. Bovendien wordt er vastgesteld dat de lager opgeleide respondenten minder nuance aangeven.

We zien wel een hogere mate van vertrouwen in de wetenschap bij het Covid Safe Ticket dan in de wetenschap bij de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur, waarbij zes respondenten aangeven dat de veelheid aan communicatie rondom het Covid Safe Ticket bij hen het vertrouwen in de wetenschap over deze technologie heeft verhoogd. Vertrouwen in wetenschap heeft volgens het kwalitatieve onderzoek een duidelijke invloed op de vorming van de attitude ten aanzien van een specifieke technologie. Respondenten met een hoog vertrouwen in de wetenschap, hebben een positieve attitude ten aanzien van de technologie.

In het kwantitatieve luik van dit onderzoek is het verband tussen vertrouwen in de wetenschap en de acceptatie van de technologie onderzocht. In navolging van onze literatuurstudie verwachtten we op voorhand een positief verband tussen het vertrouwen in de wetenschap en het accepteren van de technologie. Dit zien we bevestigd in het kwantitatieve luik van dit onderzoek. Voor zowel de algemene als de persoonlijke benadering is er een positief verband tussen het vertrouwen in de wetenschap en het accepteren van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. In het kwalitatieve luik zien we een positief verband tussen vertrouwen in de wetenschap en attitude ten opzichte van de technologie. Attitude ten opzichte van de technologie heeft op zijn beurt dan een positief verband op de acceptatie van de technologie, zoals later in deze conclusie wordt beschreven. De resultaten van het kwalitatieve en het kwantitatieve luik van dit onderzoek liggen dus in dezelfde lijn.

Tenslotte hebben we vertrouwen in technologie, dit is het geloof dat de technologie de persoon in kwestie zal helpen om een doel te bereiken rekening houdend met de onzekerheid en de eigen kwetsbaarheid (Liu & Tao, 2022). We zien dat de helft van de respondenten een laag vertrouwen heeft in big data, namelijk 9 van de 18 respondenten. Het merendeel van de respondenten in deze categorie zijn vrouw en hoog opgeleid. De factoren die een invloed hebben op het vertrouwen in big data (BD) zijn het gebruik van BD voor gepersonaliseerde reclame (dit kan mogelijks een positief als negatief effect hebben), de rol van de overheid als regulator (positief effect op vertrouwen), het gebruik van BD voor cookies (negatief effect op vertrouwen), het anoniem omgaan van persoonlijke data (positief of negatief effect op vertrouwen), transparantie over het gebruik van BD (positief effect), en persoonlijke voordelen van BD (positief effect).

Bij het vertrouwen in artificiële intelligentie (AI) zien we dat 6 van de 18 respondenten een hoog niveau van vertrouwen hebben. Geslacht speelt bij het vertrouwen in AI geen belangrijke rol. Opvallend is wel dat het merendeel van de respondenten met een hoog niveau van vertrouwen, laag opgeleid is. De factoren die een invloed hebben op het vertrouwen in AI zijn het gebruik van AI door commerciële bedrijven (negatief effect op vertrouwen), privacy (positief of negatief effect op vertrouwen), de rol van de overheid als regulator van AI gebruik (positief of negatief effect), media- aandacht met betrekking tot AI (mogelijks zowel een positief als negatief effect), persoonlijke ervaringen met AI (positief effect) en persoonlijke voordelen met AI (positief effect).

Een kleine meerderheid van de respondenten, namelijk 19 van de 36 respondenten, hebben een hoog vertrouwen in het Covid Safe Ticket of slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. 10 van de 18 respondenten hebben een hoog vertrouwen in het Covid Safe Ticket en 9 van de 18 respondenten hebben een hoog vertrouwen in slimme camera’s. Bovendien zijn 13 van de 19 respondenten met een hoog niveau van vertrouwen vrouw. Factoren die het vertrouwen in slimme camera’s en het Covid Safe Ticket beïnvloeden zijn communicatie over de technologie vanuit de overheid of producent (positief effect), transparantie over de werking van de technologie (positief effect), fouten die de technologie in het verleden heeft gemaakt (negatief effect), de effectiviteit van de technologie (positief of negatief effect), alsook het gevoel van veiligheid dat de technologie geeft (positief effect). Uit het kwalitatief onderzoek blijkt echter dat vertrouwen in technologie geen duidelijke invloed op de vorming van de attitude heeft.

In het kwantitatieve luik van dit onderzoek wordt vertrouwen in technologie op twee verschillende manieren gemeten. Eerst is er het vertrouwen in AI-technologie, dat peilt naar het vertrouwen van AI- technologieën in het algemeen en dan is er het vertrouwen in slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur, dat een specifieke AI-technologie betreft. Vertrouwen in slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur specifiek is niet opgenomen in ons conceptueel kader, maar leek ons wel nuttig om mee te nemen in de survey. Vanuit onze literatuurstudie en het conceptueel-theoretisch kader hadden we een positief verband tussen vertrouwen in AI-technologie en het accepteren van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik verwacht. Dit wordt niet bevestigd door ons kwantitatief onderzoek, waarin we zien dat er geen significant effect is van vertrouwen in AI-technologie en het accepteren van slimme camera’s. Vertrouwen in slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur heeft daarentegen wel een statistisch significant effect op zowel de algemene als de persoonlijke benadering van het accepteren van de technologie. Wie een hoger vertrouwen heeft in slimme camera’s zal het gebruik ervan of een boete krijgen hierdoor sneller accepteren.

Attitude ten opzichte van de technologie en acceptatie:

In dit onderzoek wordt attitude gedefinieerd als de positieve of negatieve gevoelens die een individu heeft ten opzichte van een bepaalde technologie. Dit is de definitie volgens Fishbein and Ajzen (1975) aangepast aan ons onderzoek, dit gebeurt vaak in de literatuur (Dwivedi et al., 2017; Verma et al., 2018). In ons conceptueel model wordt attitude beïnvloed door de verwachte baten, kosten en risico’s waartussen het individu een afweging maakt Huijts et al. (2012) en door vertrouwen in de overheid, wetenschap en technologie. Tot slot is er de acceptatie van de technologie, dat is een evaluatief oordeel dat zorgt voor een reactie, waarbij een individu kan besluiten om het gebruik van een technologie te aanvaarden of te verwerpen (Huijts et al., 2012). Deze variabele wordt bovendien ook rechtstreeks beïnvloed door de verwachte baten, kosten en risico’s.

Uit de diepte-interviews van het kwalitatief onderzoek blijkt dat 24 van de 36 respondenten een positieve attitude hebben. Hierbij zagen we dat de meest voorkomende reden is dat de technologie zou bijdragen aan de veiligheid in de samenleving. Een meerderheid van deze respondenten zijn hoog opgeleid. 11 van de 36 respondenten hebben een negatieve attitude. De respondenten haalde hier verschillende redenen aan waarom zij een negatieve attitude hebben zoals privacy, betere oplossingen, gebrekkige werking en beperkingen in het dagelijkse leven. Hierbij is de grootste groep mannelijk en hoogopgeleid. Het type van technologie heeft geen invloed op de attitude. Een verband met leeftijd en een positieve attitude is niet aanwezig. De respondenten komen bijna evenredig uit de drie leeftijdscategorieën. Bij de negatieve attitude zien we echter dat respondenten met een jonge of middelbare leeftijd vaker voorkomen. De attitude van de respondenten ten opzichte van de technologie blijkt in het kwalitatieve onderzoek een directe en heel duidelijke relatie te hebben met de acceptatie door de respondenten van de technologie: een positieve attitude leidt tot acceptatie en een negatieve attitude leidt tot een verwerping van het gebruik van de technologie.

In het kwantitatieve luik van ons onderzoek werd de relatie tussen de attitude ten opzichte van de technologie en de acceptatie van de technologie onderzocht. Vanuit ons literatuuronderzoek en het conceptueel-theoretisch kader verwachten we een positief effect van de attitude ten opzichte van de technologie op de acceptatie van de technologie, zoals we ook zagen in het kwalitatief onderzoek. Dit wordt bevestigd door het kwantitatief onderzoek: een persoon die een positieve attitude tegenover slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur heeft, accepteert het gebruik van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur meer in vergelijking met personen die een negatieve attitude hebben. Een belangrijke bedenking die hierbij gemaakt moet worden is dat de modellen van de regressieanalyse waarin de variabele attitude ten opzichte van de technologie is opgenomen een enorm hoge ‘adjusted’ R2-score hebben. In het model met alle onafhankelijke variabelen buiten attitude ten opzichte van de technologie en vertrouwen in slimme camera’s voor de algemene benadering van het accepteren van slimme camera’s is de ‘adjusted’ R2-score 0,550. Wanneer aan dit model de onafhankelijke variabele attitude ten opzichte van de technologie wordt toegevoegd, stijgt de ‘adjusted’ R2-score tot 0,786. Dit wil zeggen dat bijkomstig 23,6% van de variantie van het accepteren van de technologie kan verklaard worden door de attitude ten opzichte van de technologie. Dit is hoog en geeft mogelijk weer hoe nauw verwant de concepten attitude ten opzichte van de technologie en de acceptatie van de technologie zijn.

De resultaten van het kwantitatief onderzoek liggen dus in lijn met de resultaten van het kwalitatief onderzoek. Beiden vinden een positief verband tussen attitude ten opzichte van de technologie en acceptatie van de technologie.

8.3 Beperkingen en verder onderzoek

Voor toekomstig onderzoek kunnen we enkele aanbevelingen geven voortkomend uit de reflecties over dit leeronderzoek. Ten eerste, aangezien we in dit leeronderzoek enkel respondenten hebben bevraagd over twee complexe technologieën, kan toekomstig onderzoek andere technologieën bevragen om het vertrouwen en acceptatie daarvan te onderzoeken. Dit onderzoek heeft zich gefocust op slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik in het verkeer, echter wordt dit momenteel niet ingezet in België. Ook het Covid Safe Ticket is maar een tijdelijk initiatief. Het onderzoek heeft zich dus gefocust op complexe technologieën die niet standaard in het dagelijkse leven worden gebruikt. Het lijkt ons dus interessant dat een vervolgonderzoek zich kan focussen op complexe technologieën die meer gangbaar zijn in de samenleving. Zo kan het interessant zijn om complexe technologieën aan te halen die een belangrijke rol gaan spelen in de toekomst.

In het kwantitatieve luik van dit onderzoek is enkel de relatie van de verschillende onafhankelijke variabele en de twee afhankelijke variabelen die een verschillende benadering van acceptatie van de technologie volgen onderzocht. Wegens tijdgebrek en beperkte statistische middelen konden de onderliggende relaties tussen de verschillende onafhankelijke variabele niet worden getest in het kwantitatieve luik. We vermoeden wel uit onze literatuurstudie en uit onze diepte-interviews dat sommige onderlinge relaties bestaan. Toekomstig onderzoek zou dus de onderliggende relatie tussen de onafhankelijke variabele statistisch kunnen testen. Dit zou kunnen door gebruik te maken van de resultaten van onze survey, of door een nieuwe survey op te zetten die focust op de vermoedelijke onderlinge relaties. Dit laat toe om een meer volledig beeld te krijgen van hoe de onafhankelijke variabelen onderling op elkaar inspelen en hoe dit de acceptatie van de technologie beïnvloedt.

Verder heeft het kwantitatief onderzoek dat gevoerd is voor dit onderzoek een aantal beperkingen. Zo was ons meetinstrument niet in staat complexiteit eenduidig te meten. Ook het onderscheid tussen de individuele en maatschappelijke voordelen, de individuele en maatschappelijke kosten en de verwachte risico’s waren niet mogelijk in de statistische analyse. Deze concepten werden in het kwantitatieve luik samen onderzocht onder het concept evaluatie van de kosten en baten. Toekomstig onderzoek zou deze verschillende concepten en hun impact op de acceptatie van de technologie beter in kaart kunnen brengen. Dit zou kunnen toelaten om een meer volledig beeld te krijgen van welke factoren er belangrijk zijn voor de acceptatie van de technologie.

Tenslotte is onze steekproef voor het kwantitatieve en kwalitatieve onderzoek niet representatief voor de Vlaamse bevolking. De survey is afgenomen bij het burgerpanel van M2P, waar respondenten die mannelijk zijn, hoogopgeleid zijn, en ouder zijn oververtegenwoordigd zijn. Om dit te compenseren hebben we in ons onderzoek gebruik gemaakt van een weging. Er is evenwel niet met alle factoren die relevant zijn rekening gehouden met deze weging. Zo zijn de respondenten van het burgerpanel van M2P over het algemeen ook meer politiek geïnteresseerd dan de populatie. Toekomstig onderzoek zou de bevindingen van dit onderzoek kunnen testen met een meer representatieve steekproef en nagaan of er significante verschillen zijn tussen de meer representatieve steekproef en onze steekproef.

Het is ook nog aangeraden voor toekomstig onderzoek om de rol van de overheid op de aanvaarding van technologie beter te onderzoeken. Zo blijkt uit het kwantitatieve onderzoek dat vertrouwen in de overheid geen statistisch significant effect heeft. Uit de resultaten van de literatuurstudie bleek dat de rol van de overheid echter wel als belangrijk wordt beschouwd en in het bijzonder op vlak van regulator. Zo reguleert de overheid mee nieuwe (complexe) technologieën. In het kwalitatieve luik van dit onderzoek kwam ook naar voor dat het merendeel van de respondenten een hoog vertrouwen hebben in de overheid als regulator. Daarnaast bleek in het kwalitatieve luik dat er een relatie bestaat tussen vertrouwen in de overheid en de attitude ten opzichte van de technologie. Beiden worden dus veronderstelt een impact te hebben op de acceptatie van de technologie. Toch zien we dat het vertrouwen in de overheid niet statistisch significant is in het kwantitatieve onderzoek. Het zou dus aangeraden zijn voor toekomstig onderzoek om dit onder de loep te nemen en te onderzoeken wat nu juist de impact van vertrouwen in de overheid is.

Uit de diepte-interviews blijkt dat voor veel respondenten de concepten attitude ten opzichte van de technologie en acceptatie van de technologie dicht bij elkaar liggen. Dit blijkt ook zo in het kwantitatieve luik. Toekomstig onderzoek zou kunnen focussen op de relatie tussen deze twee concepten en nagaan wat de gemeenschappelijke kenmerken zijn en waar de verschillen tussen deze twee juist liggen.

Het lijkt ons ook interessant om meer expliciet na te gaan waarom respondenten nu juist een bepaald niveau van vertrouwen aangeven, hoe hun attitude is gevormd en hoe het komt dat hun perceptie van eigen kennis op dat niveau ligt. Dit laat ons toe om de onderliggende factoren beter in kaart te brengen en welke maatregelen genomen kunnen worden om de acceptatie van een technologie te verhogen.

Aanbevelingen voor beleid

In dit leeronderzoek proberen we de visie van de respondenten op vertrouwen en acceptatie van (complexe) technologieën in kaart te brengen. Aan de hand van de resultaten die voortgekomen zijn uit de diepte-interviews, kunnen we concluderen dat de respondenten vertrouwen wel degelijk relevant achten. Het is duidelijk dat het merendeel van de respondenten vertrouwen belangrijk vinden en dat ze vertrekken vanuit een persoonlijke attitude tegenover de technologie, overheid en wetenschap. Verder lijkt dit vertrouwen ook een invloed te hebben op de maatschappelijke en individuele kosten, baten en risico’s voor de respondenten. Toekomstig beleid kan dus gebruik maken van de resultaten van dit leeronderzoek om relaties tussen bovengenoemde actoren te faciliteren. We leven in een tijd waar veel complexe technologieën ontwikkeld en gebruikt worden. Hierbij is het van belang om het vertrouwen en acceptatie van de burgers in acht te nemen, want zij gaan die technologieën moeten toepassen op hun individuele leven. Hoe meer inzichten er zijn, hoe minder problemen er kunnen plaats vinden in de toekomst.

Uit het kwantitatief luik van dit onderzoek blijkt dat vertrouwen in de wetenschap een significant effect heeft op het aanvaarden van de technologie. Ook lag het gemiddelde vertrouwen van de respondenten in de wetenschap redelijk hoog. In de diepte-interviews kwam bij 7 van de 36 respondenten naar voor dat meer en meer open communicatie van wetenschappers heeft geleid tot meer vertrouwen in de wetenschap. Om de acceptatie van een bepaalde technologie te verhogen kunnen beleidsmakers dus wetenschappers inzetten om meer uitleg geven over de processen van de technologie, de technologie zelf of hoe de wetenschappers de technologie ontwikkeld hebben. Dit zal ertoe leiden dat de acceptatie van die technologie door de burger verhoogd wordt. Een belangrijke bedenking hierbij is wel dat te veel communicatie kan leiden tot tegenstrijdigheden volgens deze zeven respondenten, wat het vertrouwen in de wetenschap zou doen dalen.

Nog bleek uit het kwantitatieve luik dat vertrouwen in de specifieke technologie een significante impact heeft op het accepteren van die technologie. In de diepte-interviews kwam naar voor dat veel respondenten weinig wisten over slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur en dat ze de technologie niet begrepen. Beleidsmakers kunnen ervoor kiezen om open te communiceren over waarvoor een nieuwe technologie dient, voor welke reden(en) de nieuwe technologie wordt ingezet en wat de beleidsdoelen zijn die de beleidsmakers willen behalen met de nieuwe technologie. Zo kan de acceptatie van de nieuwe technologie door de burger verhoogd worden. Een bedenking hierbij is dat uit de kwantitatieve analyse bleek dat een hoge perceptie van eigen kennis een negatief verband had op de acceptatie van slimme camera’s die controleren op gsm- gebruik in het verkeer. Communicatie door de overheid kan dit effect tegengaan.