Literatuurstudie

In België hebben burgers het grondwettelijk recht op bescherming van de gezondheid en het grondwettelijk recht op bevordering van de veiligheid door de overheid (Grondwet van België, 2021). Uiteraard wordt rond deze rechten beleid gemaakt, waarbij in toenemende mate ook gebruik wordt gemaakt van complexe technologische middelen (Merola & Lum, 2014). Voor het doen slagen van dat beleid is het van belang dat burgers de door de overheid geïnitieerde complexe technologieën vertrouwen en aanvaarden (Bangerter et al., 2012; Van de Walle et al., 2008). Vertrouwen in- en aanvaarding van deze technologieën is niet vanzelfsprekend, zoals we bijvoorbeeld zien bij de implementatie van het Covid Safe Ticket (CST) gekoppeld aan een QR-code in het maatschappelijke leven (Bangerter et al., 2012; G. Engbersen et al., 2021). Vertrouwen en aanvaarding zijn cruciale componenten bij het accepteren van nieuwe technologieën.

De bestaande literatuur beschrijft de invloed van deze cruciale componenten bij het accepteren van nieuwe technologieën. Deze literatuur staat onder invloed van onder meer kennis uit information systems, psychologie, sociologie en computerwetenschappen; hetgeen heeft geresulteerd in verschillende theoretische raamwerken. De Theory of Planned Behavior, Technology Acceptance Model, Model of PC Utilization, Social Cognitive Theory, Innovation Diffusion Theory, Motivational Model, Task Technology Fit Model en de Unified Theory of Acceptance and Use of Technology zijn er enkele van. 

Toch ontbreekt een integratie van de verklaringen en verbanden rond de rol van vertrouwen in technologie, overheid en wetenschap bij de aanvaarding van een complexe technologie. Dat is bijgevolg ook de reden van dit onderzoek.

Zo zal dit onderzoek duidelijk maken welke mogelijke variabelen van belang zijn en hoe de onderlinge relaties van de variabelen gevormd zijn. Dit is verder ook een cruciaal startpunt voor de casestudie die volgt. Variabelen en relaties zullen getoetst worden in een onderzoek naar de acceptatie en het gebruik van complexe technologieën, met name slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur en het Covid Safe Ticket. We zullen onderzoeken hoe vertrouwen in de overheid en in de wetenschap elkaar beïnvloeden, en welk effect dit heeft op de aanvaarding en het gebruik van de twee technologieën.  

In wat volgt wordt eerst aanvaarding van technologie besproken aan de hand van drie theoretische modellen. Hierna volgt een definiëring van vertrouwen en een diepere bespreking van de drie vormen van vertrouwen, namelijk vertrouwen in overheid, wetenschap en technologie. Tot slot zal een overzicht gegeven worden van de huidige literatuur rond drie digitale complexe technologieën en drie niet-digitale complexe technologieën. Naast de literatuur met een focus op conceptuele modellen, bieden deze casusonderzoeken relevante inzichten zoals technologie-specifieke factoren die losstaan van theoretische modellen.

2.1 Aanvaarding van een technologie 

Vooreerst bekijken we de definiëring en verdere uitbouw van de aanvaarding van een technologie, waarna we vervolgens de meest relevante en belangrijke theorieën en modellen binnen onze studie bespreken.

Verschillende auteurs geven gelijkende definities voor technologie-aanvaarding. Het artikel van King and He (2006), beschrijft technologie-aanvaarding als het accepteren en gebruiken van een bepaalde technologie, die door anderen is ontwikkeld en geïmplementeerd. Huijts et al. (2012) splitst het begrip “technologie-aanvaarding” op in twee concepten (aanvaarding & acceptatie) om tot een heldere definiëring van het fenomeen te komen. Aanvaarding is voor hen een evaluatief oordeel dat zich uit in reactie op de technologie. De acceptatie van technologie zorgt ervoor dat het gebruik van deze theorie mogelijk gemaakt of bevorderd wordt. Bij niet-acceptatie zal het individu het gebruik van de technologie remmen of verminderen (Huijts et al., 2012).

In de literatuur wordt de acceptatie van technologie in verschillende modellen met een verschillende afhankelijke variabele gemeten. Sommige auteurs hanteren gebruik van technologie (Davis, 1989) of adoptie van technologie(Zhou et al., 2010). Andere auteurs nemen intentie tot gebruik van technologie als de te verklaren variabele (King & He, 2006). Een populaire stelling om gebruik/adoptie van technologie te meten is bijvoorbeeld ‘Ik gebruik vaak mobiel bankieren om betalingen te doen’, waarbij mobiel bankieren de gebruikte technologie is (Zhou et al., 2010). Verma et al. (2018) meten dan weer de intentie tot gebruik van een technologie door onder andere het item ‘Ik voorspel dit systeem (deze technologie) te gebruiken in de komende maand’. Verma et al. (2018) stellen daarbij dat het gebruik van technologie en de gebruiksintentie van dezelfde technologie hecht verbonden zijn aan elkaar. 

Vanuit deze verschillende benaderingen van technologie-aanvaarding wordt in dit onderzoek de variabele ‘acceptatie van de technologie’ gedefinieerd als “een evaluatief oordeel dat zorgt voor een reactie, waarbij een individu kan besluiten om een technologie te aanvaarden of te verwerpen”.  

In de volgende paragrafen zullen we de meest relevante modellen bespreken die de processen van technologie-aanvaarding in kaart brengen, met name het Technology Acceptance model (TAM), de Unified Theory of Acceptanceand Use of Technology (UTAUT) en de Theory of Planned Behavior (TPB). Deze modellen differentiëren naargelang de factoren die ze naar voren schuiven en dus ook de mate van toepasbaarheid op een specifieke technologie (niet-digitale complexe technologieën dan wel complexe technologieën).

2.1.1 Technology Acceptance model 

Het Technology Acceptance Model (TAM) van Davis (1989) is één van de meest invloedrijke modellen dat werd voorgesteld. Het TAM werd voornamelijk ontworpen voor het modelleren van gebruikersacceptatie in informatiesystemen. Het is een instrument om de waarschijnlijkheid van de aanvaarding van een nieuwe technologiete voorspellen waarbij de mogelijke gedragsintentie van een individu om een technologische innovatie te gebruiken verklaard wordt door de waargenomen gebruiksvriendelijkheid (‘perceived ease of use’) en de waargenomen bruikbaarheid (‘perceived usefulness’) (King & He, 2006). Bij uitbreidingen van het TAM (zie Figuur 1) zien we ook dat attitude, waargenomen nuttigheid en vertrouwen belangrijke aspecten zijn (King & He, 2006; Verma et al., 2018).

Onder de waargenomen nuttigheid wordt verstaan dat een individu gelooft dat het gebruik van die technologie hem/haar helpt. De waargenomen gebruiksvriendelijkheid is de mate waarin een individu gelooft dat de innovatie gemakkelijk te gebruiken is  (King & He, 2006; Verma et al., 2018). Volgens Davis (1989) hebben deze twee variabelen een sterke invloed op het al dan niet aanvaarden van een technologie.  Een andere belangrijke variabele die in een latere uitbreiding en aanpassing van het TAM naar voren wordt geschoven, is de attitude ten opzichte van de technologie (Verma et al., 2018). Zij stellen dat waargenomen gebruiksvriendelijkheid de gebruiksintentie indirect beïnvloedt en halen de directe relatie tussen waargenomen gebruiksvriendelijkheid en gebruiksintentie weg.  

Verma et al. (2018) introduceren de verwachte voordelen (beliefs in benefits) als variabele. De verwachte voordelen worden bepaald door de karakteristieke systeem- en informatiekwaliteit eigen aan een specifiek systeem en hebben op hun beurt een mediërend effect op waargenomen nuttigheid en gebruiksvriendelijkheid, hoewel voor het laatste geen significant bewijs wordt gevonden. King and He (2006) beschrijven in hun studie dat waargenomen gebruiksvriendelijkheid geen significant effect heeft op gebruiksintentie. Echter, zij stellen en vinden bewijs dat het effect van waargenomen gebruiksvriendelijkheid grotendeels verloopt via waargenomen nuttigheid. Verma et al. (2018) maken ook deze hypothese in hun studie maar vinden daar geen significante relatie.   

Behalve aanpassingen worden er ook nog extra factoren toegevoegd aan het TAM door King and He (2006). Zij voegen in hun analyse de modererende variabelen: type gebruiker en type gebruik toe. De variabele type gebruiker kent drie categorieën: educatieve gebruiker, professionele gebruiker en algemene gebruiker. Job-office, algemeen en internet/e-commerce zijn de categorieën van de variabele type gebruik.  

Samenvattend is de literatuur over het Technology Acceptance Model omvangrijk. Er bestaan vele varianten en toepassingen van deze theorie. In onze studie behandelen we de belangrijkste. Wat steeds naar voren komt is dat waargenomen nuttigheid een belangrijke verklaring vormt voor de gebruiksintentie. Waargenomen gebruiksvriendelijkheid en attitude lijken een minder sterke verklarende factor te zijn dan waargenomen nuttigheid. Er is discussie binnen de literatuur over de precieze rol van deze variabelen maar ze zijn echter niet zomaar weg te denken uit het model.  Dit model staat niet vrij van kritiek. Eén van de kritieken is bijvoorbeeld dat de meeste van de onderzoeken die hielpen in het tot stand brengen van het TAM op oudere volwassenen is uitgevoerd, dit terwijl blijkt dat leeftijd een grote invloed heeft op ‘technology acceptance’ (Marangunić & Granić, 2015).  

2.1.2 Unified Theory of Acceptanceand Use of Technology

Venkatesh et al. (2003) ontwikkelden de Unified Theory of Acceptance and Use of Technology (UTAUT) (zie Figuur 2). Dit model werd op basis van acht in de literatuur bekende verklaringstheorieën geconstrueerd en voegt vergelijkbare constructen van de verschillende theorieën samen in een nieuw model. Eigen aan het model is dat het als afhankelijke variabele gebruik van systeem of technologie (use behavior) heeft, waar andere theorieën zoals het TAM gebruiksintentie als afhankelijke variabele hebben (King & He, 2006; Verma et al., 2018). Gebruik van systeem of technologie wordt in de UTAUT verklaard door gebruiksintentie en faciliterende omstandigheden (Venkatesh et al., 2003). Faciliterende omstandigheden duiden op het geloof van een individu dat er een infrastructuur bestaat ter ondersteuning van het gebruik van een systeem of technologie  (Venkatesh et al., 2003, p. 453).   

In het originele model van Venkatesh et al. (2003) wordt gebruiksintentie bepaald door drie variabelen: performance expectancy, effort expectancy en social influence. Ieder van deze relaties wordt gemodereerd door twee of meer variabelen zijnde leeftijd, geslacht, ervaring en vrijwilligheid van gebruik. Performance Expectancy is het equivalent van waargenomen nuttigheid en heeft dezelfde definitie (zie voor exacte definiëring, p. 447). Volgens de auteurs wordt de relatie tussen performance expectancy en gebruiksintentie gemodereerd door geslacht en leeftijd. In hun studie verwachten en vinden zij dat het effect groter is voor mannen, en specifieker jonge mannen.  

Effort expectancy is inwisselbaar met waargenomen gebruiksvriendelijkheid uit het TAM (zie voor exacte definiëring (Venkatesh et al., 2003). De kern is de perceptie van een gebruiker over hoe makkelijk of moeilijk een systeem of technologie te gebruiken is. De relatie tussen deze verwachting en de gebruiksintentie wordt gemodereerd door geslacht, leeftijd en ervaring. Het effect zou groter zijn voor vrouwen, oudere mensen en mensen met weinig ervaring met de technologie. 

Social Influence is de mate waarin een individu waarneemt dat belangrijke actoren voor het individu vinden dat hij of zij een nieuw systeem of een nieuwe technologie moet gebruiken (Venkatesh et al., 2003). Verschillende theorieën die het concept sociale invloed mee opnemen in hun verklaringsmodel omschrijven deze variabele als "de expliciete of impliciete notie dat het gedrag van het individu wordt beïnvloed door de manier waarop hij denkt dat anderen hem zullen zien als gevolg van het feit dat hij de technologie heeft gebruikt" (Venkatesh et al., 2003).

Hoewel Venkatesh et al. (2003) de variabele attitude niet opnemen in het originele UTAUT-model doen Dwivedi et al. (2017) dat wel in hun herschrijving van de theorie (zie Figuur 3). Zij definiëren attitude als de gevoelens van een individu over het doen stellen van bepaald gedrag, in dit geval het gebruiken van een systeem of technologie. De auteurs vinden dat attitude een cruciale rol speelt. Attitude heeft een direct effect op gebruik en gebruiksintentie. Attitude zelf wordt beïnvloed door waargenomen nuttigheid, gebruiksvriendelijkheid, sociale invloed en faciliterende omstandigheden. Belangrijk om te vermelden is dat in deze studie de modererende variabelen geslacht, leeftijd,vrijwilligheid van gebruik en ervaring niet worden meegenomen.

2.1.3 Theorie of Planned Behavior 

De theorie of ‘Planned Behavior’ (TPB) komt oorspronkelijk van Ajzen, echter is deze door Dwivedi et al (2017) aangepast aan de context van ‘technology acceptance’ (zie Figuur 4). De theorie stelt dat een individu haar attitude ten opzichte van een technologie zal aanpassen aan de hand van de verwachte kosten, de verwachte risico’s en deverwachte voordelen van een technologie. Niet enkel de attitude heeft een effect, ook de sociale norm en de mate van gevoel van controle over het eigen gedrag beïnvloeden mee de intentie om de technologie te accepteren (Huijts et al., 2012). Hierbij wordt ook duidelijk gemaakt dat er twee types van attitudes zijn die invloed hebben op het gebruiken van de technologie. De eerste is een globale attitude ten opzichte van de technologie. Het tweede type attitude richt zich op het specifieke gedrag bij een technologie, zoals de aankoop van of protest tegen de technologie. 

2.1.4 Andere verklaringsmodellen

De UTAUT en TAM zijn de bekendste, maar niet de enige verklaringsmodellen. Enkele theorieën die ook aandacht verdienen zijn de ‘Norm activation theory’, ‘Self-efficacy theory’ en het ‘Cost-benefit paradigm’. The ‘Norm activation theory’ gaat dieper in op persoonlijke normen die mensen hebben. Deze hebben dan een invloed op de intentie om een theorie te accepteren. Hierbij zijn de factoren: verwachte kosten, risico’s, voordelen, de werkzaamheid van de uitkomst en de perceptie van het probleem belangrijk (Davis, 1989). De ‘Self-efficacy theory’ is een individuele beoordeling van hoe goed een persoon zaken kan uitvoeren en hoe de theorie daarbij helpt (Davis, 1989). Het ‘Cost-benefit paradigm’ is ook een persoonlijke evaluatie van een individu maar dan tussen wat voor deze persoon het meest optimaal is en het minste nadeel heeft (Davis, 1989). Deze theorie zien we terugkomen in andere verklaringsmodellen waarbij wordt gekeken naar verwachte risico’s en verwachte voordelen voor het individu. De lijst van verklaringsmodellen die we hebben aangereikt is echter niet omvattend voor alle theorieën. We hebben deze selectie gemaakt, omdat deze in dit onderzoek het meest toepasselijk zijn.

2.2 Vertrouwen

In deze literatuurstudie gaat de aandacht ook naar de rol van vertrouwen in het al dan niet accepteren van een technologie. Zo toont onderzoek aan dat vertrouwen een grote impact heeft op factoren die de intentie om te accepteren bepalen (Davis, 1989). 

Ten eerste concentreren we ons op de definiëring en vorming van het concept vertrouwen. Vervolgens brengen we in kaart hoe vertrouwen in overheid, wetenschap en technologie gevormd worden, hoe deze zich verhouden tot elkaar en het al dan niet aanvaarden van digitale complexe technologieën gebonden aan artificiële intelligentie, dan wel niet-digitale complexe technologieën. We zullen zien dat de mate van dat vertrouwen in overheid, wetenschap en technologie, gevormd door allerhande factoren, een belangrijke rol speelt/voorspeller is in het al dan niet aanvaarden van een technologie.  

2.2.1 Definiëring van vertrouwen

In de literatuur bestaan diverse definities van vertrouwen, onder meer een definitie van Rousseau, waar hij stelt dat vertrouwen een psychische staat is waarin de intentie bestaat om zich kwetsbaar op te stellen tegenover de ander op basis van positieve verwachtingen die men heeft van intenties of het gedrag van de ander (Levi-Faur et al., 2020). Möllering’s definitie beschrijft vertrouwen als “een continu proces van voortbouwen op rede, routine en reflexiviteit, het opschorten van onherleidbare sociale kwetsbaarheid en onzekerheid alsof ze gunstig zijn opgelost, en daardoor een toestand van gunstige verwachting handhaven ten aanzien van de acties en intenties van min of meer specifieke anderen” (Levi-Faur et al., 2020). Volgens Bouckaert et al. (2002) is vertrouwen een concept waarrond conceptuele vaagheid bestaat, aangezien er geen algemeen geaccepteerde definitie van vertrouwen blijkt te bestaan. Toch lijkt er een minimale consensus te zijn over de algemene kenmerken ervan. 

Ten eerste is vertrouwen relationeel, dit houdt in dat een individu zichzelf kwetsbaar maakt voor een ander individu, groep of instelling die de capaciteit heeft om het individu schade te berokkenen of te verraden. Daarnaast is vertrouwen zelden onvoorwaardelijk en wordt het gegeven aan specifieke individuen, instellingen (kerk, politiewezen, justitie, overheid et cetera) of heeft het betrekking op specifieke domeinen (wetenschap, technologie, levensbeschouwing et cetera). Vertrouwen is een oordeel dat dichotoom kan worden geconceptualiseerd, men vertrouwt of vertrouwt niet, of op een meer graduele manier, men vertrouwt of vertrouwt niet tot op zekere hoogte.  

Vanuit deze definities en kenmerken wordt in dit literatuuronderzoek vertrouwen gedefinieerd als “Het is een positieve psychologische toestand waarin iemand verkeert. Indien deze persoon zich kwetsbaar opstelt ten opzichte van een andere persoon of instelling in een onzekere situatie. Deze vertrouwt hierbij op de juiste intenties en acties van de ander. Hierdoor wordt er geen schade berokkend aan de relatie tussen de twee actoren en men tracht hierdoor de relatie verder te zetten”. 

Het voornaamste doel van een vertrouwensrelatie is om de sociale werkelijkheid te vergemakkelijken (Resnik, 2011). Het is met dit doel dat Nikolas Luhmann (1989) het verschil tussen vertrouwen en wantrouwen verklaart. In vroeger onderzoek werden deze concepten gezien als twee uitersten van een spectrum maar daar wordt nu van afgestapt. Volgens Luhmann (1989) zijn zowel vertrouwen als wantrouwen functionele equivalenten die bijdragen aan de reductie van de sociale complexiteit (Luhmann, 1989). De manier waarop dit gebeurt, verschilt wel van elkaar. Beide concepten zijn sterk aan elkaar gelinkt maar ze kunnen niet gezien worden als twee uitersten.  “Niet vertrouwen" betekent bijvoorbeeld niet noodzakelijkerwijs "wantrouwen", aangezien niet vertrouwen slechts een "gebrek aan vertrouwen" is.  

Aan het concept wantrouwen kunnen verschillende eigenschappen gelinkt worden volgens Levi-Faur et al. (2020).  Ten eerste wordt wantrouwen vaak geconceptualiseerd in normatieve termen, als negatief, problematisch en slecht, waardoor het in contrast komt met vertrouwen. Ten tweede wordt wantrouwen gekenmerkt door andere emoties en denkpatronen dan vertrouwen. Terwijl vertrouwen gekenmerkt wordt door kalmte, zekerheid en veiligheid, wordt wantrouwen over het algemeen geassocieerd met sterke emoties zoals: angst, woede, paranoia, zorgen, angst voor verlies, achterdocht, behoedzaamheid en twijfel. Ten derde bouwt vertrouwen zich meestal in de loop van de tijd op in een lastig en langdurig proces, terwijl wantrouwen een kwestie kan zijn van onder andere een enkele actie, een kwetsend gesprek, wangedrag of ongelukkige acties. Ten vierde is het over het algemeen makkelijker te percipiëren dat iemand onbetrouwbaar is dan betrouwbaar. We kunnen geen volledige controle hebben over de anderen, aangezien een dergelijke controle elke behoefte aan vertrouwen zou uitsluiten, doordat we ons niet meer in een onzekere situatie zullen begeven (Levi-Faur et al., 2020).

Op basis van de bovenstaande kenmerken wordt ook een definitie van wantrouwen geformuleerd, namelijk “Het is een negatieve psychologische toestand waarin men verkeert. Die ontstaan is doordat men zich kwetsbaar opstelde ten opzichte van een andere persoon of instelling in een onzekere situatie, erop vertrouwende dat deze andere de juiste intenties had en voorgenomen acties ondernam. Er werd echter schade werd berokkend aan de relatie tussen de actoren doordat er een ongelukkige actie, een kwetsend gesprek of wangedrag plaatsvond”. Hoe dan ook, is er de mogelijkheid dat men een ander noch vertrouwt, noch wantrouwt. Van vertrouwensoordelen wordt verwacht dat ze aanleiding geven tot actie. Wantrouwen kan bijvoorbeeld leiden tot waakzaamheid in en toezicht op een relatie, niet-coöperatief gedrag of het verbreken van een relatie. Het vertrouwensoordeel weerspiegelt overtuigingen over de betrouwbaarheid van de andere persoon, groep of instelling (Levi & Stoker, 2000).

 2.2.2 Vertrouwen in de overheid 

2.2.2.1 Effecten van een hoger vertrouwen in de overheid 

Vertrouwen en controle zijn twee concepten die in een negatief verband tot elkaar staan. Meer vertrouwen leidt immers tot minder controle en minder controle leidt eerder tot meer vertrouwen (Levi-Faur et al., 2020).  Een bepaalde mate van controle is echter altijd nodig en kan het vertrouwen in de overheid juist versterken, omdat het kan leiden tot internalisering van normen. Internalisering van normen kan een gevoel van rechtvaardigheid, duidelijkheid en éénduidigheid creëren rondom overheidsbeleid (Jimenez & Iyer, 2016). Dit maakt dat een relatief hoog vertrouwen in de overheid ertoe leidt dat burgers en bedrijven eerder geneigd zijn mee te werken met beleidsmaatregelen. Dat heeft dan weer een verlagende invloed op de uitvoeringskosten van die maatregelen. Een hoog vertrouwen in de overheid heeft dus tot gevolg dat de publieke dienstverlening beter en efficiënter kan werken, onder meer doordat burgers eerder bereid zijn mee te werken met instituties die zij vertrouwen (Levi-Faur et al., 2020). In academische literatuur over de bereidheid om belastingen af te dragen wordt over het algemeen, volgens Jimenez and Iyer (2016)aangenomen dat burgers die een hoog vertrouwen in de overheid hebben, ook eerder bereid zijn correct belastingen te betalen. Jimenez and Iyer (2016) concluderen dat individuen die de overheid vertrouwen eerder het belastingstelsel als eerlijk zien en mede daardoor meer geneigd zijn correct belasting afdragen. Wantrouwen in de overheid kan, volgens Jimenez and Iyer (2016) daarentegen leiden tot het rationaliseren van belastingontduiking. Het is tevens de bevinding van andere studies dat hoe meer vertrouwen burgers hebben in de overheid, hoe meer deze geneigd zijn regels op te volgen, het sociaal wenselijke te doen en hoe minder zij geneigd zijn op politiek extremere partijen te stemmen (Levi-Faur et al., 2020; van der Meer et al., 2020).

2.2.2.2 Vertrouwen in de overheid in crisistijden

Anno 2021 speelt zich maatschappelijk gezien één van de meest turbulente perioden van de recente geschiedenis af. Eind 2019 kwamen de eerste meldingen van een coronavirus dat zou uitgroeien tot een pandemie, waarbij overheden wereldwijd zich genoodzaakt zagen om diep in het maatschappelijk leven van hun burgers in te grijpen (Engbersen et al., 2021). In tijden van crisis zoeken individuen die dreiging van buitenaf en onzekerheid ervaren zekerheid en leiderschap, hetgeen een sterke positieve invloed heeft op het vertrouwen in de overheid van wie deze individuen zekerheid en leiderschap verwachten: het ‘rally round the flag’ effect (van der Meer et al., 2020) Na verloop van tijd neemt dit extra vertrouwen in de overheid overigens weer af  (Kritzinger et al., 2021; van der Meer et al., 2020). 

Volgens Engbersen et al. (2021) was bij aanvang van de Sars-Cov-2 pandemie in Nederland in maart 2020 het vertrouwen in de overheid vrij groot. Van de respondenten van een onderzoek naar vertrouwen in de Nederlandse overheid had 69 procent vertrouwen in de landelijke overheid. Daarnaast hadden 75- en 78 procent van de respondenten vertrouwen in respectievelijk het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Gemeentelijke Gezondheids- Dienst (GGD), wat twee Nederlandse volksgezondheids-instellingen zijn. Engbersen et al. (2021) beschrijven dat In oktober 2021, nog tijdens de Sars-Cov-2 pandemie, het percentage respondenten dat de landelijke Nederlandse overheid vertrouwt, gedaald is tot 29 procent en het percentage respondenten dat het RIVM en de GGD vertrouwt tot respectievelijk 61- en 64 procent. Een verminderd vertrouwen gaat samen met een verminderde wil om overheidsmaatregelen en adviezen op te volgen. Zo geeft volgens Godfried Engbersen et al. (2021) 24 procent van de respondenten van een onderzoek aan dat ze zich niet vaccineren omdat ze de overheid wantrouwen. Engbersen et al. (2021) spreken van een laag-vertrouwen-maatschappij en signaleren dat de Nederlander minder geneigd is overheidsinformatie te geloven. Bangerter et al. (2012) komen tot dezelfde conclusie naar aanleiding van een longitudinaal onderzoek naar het vertrouwen in de Zwitserse overheid in relatie tot de H1N1-pandemie in Zwitserland. Individuen die de overheid minder geloven inzake de ernst van het virus, zijn ook minder bereid zich aan te passen teneinde het virus in te dammen (Bangerter et al., 2012; Engbersen et al., 2021). 

2.2.2.3 Trend inzake vertrouwen in de overheid

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) stelt dat het een trend is dat het vertrouwen in de overheid in Europese en Noord-Amerikaanse landen over het algemeen daalt sinds 2007, al stellen  Van de Walle et al. (2008) zich wel vragen bij deze stelling. Zo zouden metingen naar het vertrouwen in overheden niet consequent genoeg geschieden en wordt te vaak uitgegaan van relatief kleine opiniepeilingen die soms te veel de invloed zouden meten van incidenten. Van de Walle et al. (2008) stellen dat niet gesproken kan worden van een wereldwijde trend van dalend vertrouwen in de overheid (zie Figuur 5), zelfs niet van een trend binnen de OESO-landen. Er is een duidelijk verschil tussen de groep landen die al langer democratisch zijn en de groep landen die voor wat betreft democratische cultuur en instituties opkomende democratieën genoemd kunnen worden. Voor wat betreft die eerste groep landen kan gesproken worden van een dalende trend in vertrouwen. In de groep opkomende democratieën is vaker een stijgende trend te zien van vertrouwen in de overheid omdat deze steeds efficiënter en inclusiever functioneert (Lijphart, 2012; Van de Walle et al., 2008).  

Er is, onder wetenschappers, een discussie over de oorzaken van de dalende trend van vertrouwen in de overheid in West-Europa en de Verenigde Staten. Mede door de digitalisering van overheidsdiensten is de perceptie van het overheidsoptreden minder persoonlijk en minder zichtbaar geworden. Dit zou het vertrouwen in de overheid kunnen hebben doen dalen (Van de Walle et al., 2008). Van de Walle et al. (2008) stellen dat ook de samenlevingen zijn veranderd en dat in de globaliserende wereld de behoeften van burgers in mindere mate kunnen aansluiten bij hetgeen hun nationale overheid presteert. 

2.2.2.4 Factoren die het vertrouwen in de overheid beïnvloeden

Er bestaan heel wat factoren die elkaar soms overlappen, die het vertrouwen in de overheid kunnen verminderen of vermeerderen zoals individuele eigenschappen, opgedane ervaringen, maatschappelijke eigenschappen en eigenschappen van de overheid. De mate waarin de overheid vertrouwen geniet wordt beïnvloed door een aantal variabelen, waarvan enkele individueel van aard zijn en enkele algemeen maatschappelijk (Levi-Faur et al., 2020).

Ten eerste wordt de mate waarin een individu vertrouwen heeft in de overheid beïnvloed door eerder opgedane ervaringen met overheidsinstellingen. Naar aanleiding van een onderzoek naar de vertrouwensrelatie tussen organisaties en hun klanten concludeert  Aggarwal (2021) dat de mate van tevredenheid over specifieke overheidsdiensten invloed heeft op het algemene vertrouwen in de overheid. Gregory and Austin (2021) stellen dat een hoge mate van toegankelijkheid, sterke communicatie, een vriendelijke houding en erkenning van het individu maken dat het individu eerder tevreden is over het functioneren van een overheidsinstelling. Een hoge mate van tevredenheid over het functioneren van een overheidsinstelling heeft een positieve invloed op het vertrouwen van de individu in die specifieke overheidsinstelling, hetgeen volgens Christensen and Laegreid (2005) weer een positieve invloed heeft op het vertrouwen dat het individu heeft in de overheid in het algemeen. Met andere woorden, vertrouwen in de overheid vertoont een cumulatief patroon.  

Ten tweede hebben politiek-culturele factoren invloed op het individueel vertrouwen in de overheid. Zo spelen bijvoorbeeld de mate van integratie in, en betrokkenheid bij het politieke systeem een rol aldus Levi-Faur et al. (2020).  Individuen die zich geïntegreerd en betrokken voelen bij het politieke systeem, hebben over het algemeen een aanzienlijk hoger niveau van vertrouwen in de overheid dan mensen die minder geïntegreerd en minder betrokken zijn, beschrijft Lijphart (2012). Individuen die ideologisch gezien verder van het politieke midden af staan hebben vaker minder vertrouwen in de overheid (Levi-Faur et al., 2020; Lijphart, 2012). 

Ten derde hebben demografische factoren invloed op het vertrouwen in de overheid. Zo blijken mannen over het algemeen meer vertrouwen te hebben in de overheid dan vrouwen. Ouderen hebben dan weer over het algemeen meer vertrouwen in de overheid dan jongeren. Autochtonen blijken de overheid over het algemeen meer te vertrouwen dan allochtonen. Het algemeen vertrouwen in de overheid is groter in een mono-etnische samenleving, dan in een multi-etnische samenleving (Levi-Faur et al., 2020).

Ten vierde is de mate van het vertrouwen in de overheid afhankelijk van sociale factoren. Holmberg and Rothstein (2017) concluderen dat in het algemeen individuen met een hoger onderwijsdiploma, een goede gezondheid en (betaald) werk meer vertrouwen in de overheid hebben dan individuen met een lage opleiding, een slechte gezondheid en zonder werk. Gregory and Austin (2021) stellen dat een gebrek aan kennis van een individu over het functioneren van een overheidsinstelling bij kan dragen aan een verminderd vertrouwen in die overheidsinstelling. Individuen die zelf in dienst zijn bij een overheidsinstelling daarentegen, hebben over het algemeen een hoger vertrouwen in de overheid (Levi-Faur et al., 2020). Volgens Levi-Faur et al. (2020) is ook socialisatie van het individu van belang waarbij het aangeleerd waardenkader van het individu niet alleen het referentiekader is waarmee de overheid beoordeeld wordt, maar het individu ook een bepaalde mate van vertrouwen of wantrouwen in de overheid mee krijgt (Levi-Faur et al., 2020).

Ten vijfde heeft de verdeling van economische middelen invloed op het vertrouwen in de overheid.  Uslaner (2003)schrijft op basis van Inglehart en Putnam dat er een link is tussen de verdeling van rijkdom en het algemeen vertrouwen in de overheid. Hoe gelijker de verdeling van rijkdom binnen een samenleving, hoe meer vertrouwen de overheid geniet. De overheid wordt in een samenleving waarin rijkdom gelijker verdeeld is eerder gezien als een eerlijke verdeler van middelen.  Dit is deels te verklaren doordat de overheid door individuen gezien kan worden als de behoeder van een ongelijk en onrechtvaardig gepercipieerd economisch systeem (Lijphart, 2012; Uslaner, 2003). 

Ten slotte heeft de mate waarin een overheid democratisch geleid wordt invloed op de mate waarin diezelfde overheid vertrouwd wordt. Volgens Uslaner (2003) kan eerlijkheid en transparantie van de overheid het vertrouwen in de overheid vergroten. Daartegenover staat dat corruptie het vertrouwen in de overheid schaadt. Hoe democratischer de constitutionele structuur van de overheid en hoe meer deze in staat is burgers te betrekken bij het beleid, hoe meer vertrouwen de burgers in de overheid hebben, zo concludeert Lijphart (2012). Wanneer politieke leiders voor politieke steun op de massa moeten vertrouwen, zijn ze binnen de democratie niet vrij om beleid te voeren dat hen zelf voordeel biedt, wat dus verwijst naar corruptie, of de dominante belangen in een samenleving, verwijzend naar economische stratificatie. In landen met autoritaire regimes geniet de overheid vaak minder vertrouwen dan in landen die democratisch zijn en al zijn er democratische instellingen, mensen die in landen wonen met een erfenis van onderdrukking hebben minder vertrouwen in hun overheid (Levi-Faur et al., 2020).

 2.2.2.5 De overheid als regulator en gebruiker van complexe technologie

Ali et al. (2021) stellen, naar aanleiding van een onderzoek naar het vertrouwen in genetisch gemodificeerd voedsel, dat het vertrouwen in de instituties een significante factor is voor het vertrouwen in genetisch gemodificeerd voedsel. De sociale- en regelgevingscontext van het gebruik van technologie heeft volgens Cobb and Macoubrie (2004) meer invloed op de vrees van het publiek voor risico’s verbonden met het gebruik van die technologie dan de gebruiksrisico’s van de technologie zelf. Een belangrijke factor binnen de sociale- en regelgevingscontext is de overheid die een dubbele functie kan vervullen, één als regulator en één als gebruiker.  

In haar rol als regulator is het de overheid die regels moet stellen aan de vorm, inzet en mogelijkheden van complexe technologie en deze ook effectief moet handhaven (Levi-Faur et al., 2020).  Dit maakt dat vertrouwen in de overheideen belangrijke factor is voorde acceptatie van complexe technologie (Lang & Hallman, 2005). Zo blijkt uit onderzoek van Chalmers and Nicol (2004) dat het vertrouwen in organisaties die werken aan biotechnologie hoger wordt naarmate men meer vertrouwen heeft in de regulerende overheid. 

De uitdaging voor de overheid als regulator is om een ordening te ontwerpen waar de noodzaak van dwang minimaal is en waar belangen van actoren zoveel mogelijk overeenkomen met het algemeen belang (Ministerie van Financiën, 2001). Overheden maken in steeds meer geprivatiseerde en steeds complexere markten gebruik van gespecialiseerde en autonome agentschappen (Ministerie van Financiën, 2001).  

Gespecialiseerde agentschappen en andere (overheids-) actoren reguleren samen en dat vereist meer onderling vertrouwen. Vertrouwen en regulatie zijn twee aparte concepten die nauw met elkaar verbonden zijn. Hoeveel vertrouwen en hoeveel regulatie wenselijk geacht wordt is afhankelijk van het paradigma waarmee de beleidsarena beschouwd wordt (zie Figuur 6). Regulatie erodeert vertrouwen, maar vertrouwen maakt soms ook regulatie overbodig. Regulatie kan ontstaan wanneer vertrouwen niet voldoende is en regulatie en vertrouwen kunnen elkaar juist versterken wanneer blijkt dat anderen zich conform verwachting gedragen. 

Regulering is het meest effectief wanneer deze bestaat uit een mix van vrijwillige medewerking en handhaving door de overheid. De ideale samenstelling van deze mix verschilt per beleidsarena. Onder aanhangers van een liberale democratie kan invasief beleid dat strikt wordt gehandhaafd leiden tot minder vertrouwen in de overheid en onder conservatieven kan niet strikt handhaven eerder leiden tot erosie van vertrouwen in de overheid  (Schmelz, 2021).  

In haar rol als gebruiker speelt het vertrouwen dat men heeft in de organisatie die de technologie gebruikt een rol in de acceptatie van de gebruikte complexe techniek. Van der Veer et al. (2014) concluderen uit een onderzoek naar de acceptatie van slimme camera’s met ANPR-technologie door de politie in Nederland dat een hoger vertrouwen in de politie een positief effect heeft op de acceptatie van deze technologie door het publiek. De inzet van dergelijke technologie waarbij kentekens gescand worden heeft een impact op de privacy van burgers en kan leiden tot zorgen daarover (Merola et al., 2019). Daar waar men meer vertrouwen heeft in de politie als instantie, blijkt men ook eerder het gebruik van slimme camera’s met ANPR-technologie door de politie te accepteren. Merola et al. (2019)beschrijven dat hoe groter de gepercipieerde impact op de privacy van burgers is, hoe meer dit een negatieve invloed heeft op het vertrouwen in de politie als instantie.  Volgens Davis and Silver (2004) leidt een hoger vertrouwen in de overheid tot meer steun voor overheidsbeleid dat de veiligheid vergroot ten koste van individuele rechten, zoals geborgde privacy.  

2.2.3 Vertrouwen in Wetenschap

Vertrouwen is een belangrijk aspect voor wetenschappers. Dit betreft niet enkel het vertrouwen van wetenschappers onderling, ook het publiek vertrouwen in wetenschap speelt een belangrijke rol (Resnik, 2011). De manier waarop dit vertrouwen zich manifesteert kan variëren, zo kan het publiek bijvoorbeeld de wetenschap publieke middelen toevertrouwen (Schroeder et al., 1989) of het publiek kan zijn vertrouwen tonen door een hoge graad van participatie in wetenschappelijk onderzoek (Mastroianni, 2008). Ten eerste toont het publiek zijn vertrouwen door de wetenschap een dienst te verlenen. In ruil voor die hulp verwacht het publiek dat de wetenschap zorgvuldig en ethisch met die diensten omgaat. Een tweede verwachting van het publiek is dat de resultaten van het onderzoek maatschappelijk relevant zijn (Shrader-Frechette, 1994). Ten slotte is vertrouwen in de wetenschap essentieel voor de aanvaarding van nieuwe complexe technologieën, zeker als de potentiële gevaren niet duidelijk zijn voor het publiek  (Resnik, 2011).   

In de huidige samenleving komen individuen veel in contact met wetenschappelijke kennis. Wetenschappelijke kennis staat door het digitale tijdperk dichter dan ooit bij burgers. Hierdoor kan nieuwe kennis sneller vergaard worden, maar anderzijds ook makkelijker in vraag gesteld worden. Zo blijkt uit onderzoek van de Europese Commissie dat slechts 42% van de burgers van de Europese Unie erop vertrouwt dat wetenschappers de waarheid vertellen over controversiële wetenschappelijke en technologische kwesties (Europese Commissie, 2021). Hierdoor is er veel belangstelling om te achterhalen waarom mensen nu juist wel of geen vertrouwen hebben in de wetenschap.   

2.2.3.1 Factoren die vertrouwen in wetenschap beïnvloeden

Er zijn sterke verschillen in de mate van vertrouwen in wetenschappelijk onderzoek. Deze verschillen kunnen verklaard worden aan de hand van een aantal factoren die zorgen voor een toename of een afname van hetvertrouwen in de wetenschap. Deze factoren zijn onderling sterk verbonden. Zo zijn demografische kenmerken, eigenschappen van de wetenschap zelf en de context belangrijke facetten die een invloed uitoefenen op het vertrouwen in wetenschap.  

Ten eerste kunnen verschillende demografische eigenschappen van een individu zorgen voor een toe- of afname in het vertrouwen. Naargelang individuen verschillende achtergronden hebben, schommelt ook het vertrouwen. Ook meer algemene persoonlijke kenmerken zoals geslacht, leeftijd, inkomen en religie beïnvloeden dit vertrouwen. Zo tonen studies aan dat jongere, liberale, niet-religieuze mannen meer vertrouwen hebben in wetenschap. Bovendien blijkt ook uit onderzoek dat opleiding, en wetenschappelijke kennis het vertrouwen in wetenschap positief voorspellen (Huber, Barnidge, et al., 2019).   

Naast de demografische factoren hebben eigenschappen van de wetenschap zelf ook een effect op het vertrouwen. Een eerste factor is de aard van de wetenschap. Het vertrouwen in algemene wetenschap en het vertrouwen in technologie is in hoge mate bepalend voor het vertrouwen in specifieke technologieën. Goed geïnformeerde personen zijn meer geneigd om fundamentele wetenschap te steunen. We zitten in een periode waar meer individuen beginnen na te denken over wetenschap, maar er is ook meer twijfel over wetenschap. De feilbaarheid van wetenschap wordt dus vaker herkent (Roberts et al., 2013). Een ander punt dat ervoor zorgt dat personen wetenschap in twijfel trekken is de manier waarop instellingen de kennisproductie van wetenschap gaan monopoliseren. Er ontstaat een kloof tussen wetenschap en vertrouwen. Sommige mensen hebben veel vertrouwen in wetenschappelijke methoden en principes. Tegelijkertijd wantrouwen ze wetenschappelijke instellingen. Deze wetenschapsvertrouwenskloof hangt sterk samen met het opleidingsniveau: deze is groter onder lager opgeleiden dan onder hoger opgeleiden. Lager opgeleiden zijn anemischer, hetgeen niet alleen ten grondslag ligt aan hun gebrek aan vertrouwen in wetenschappelijke instellingen, maar ook aan hun vertrouwen in wetenschappelijke methoden en principes. Dit is ook een verklaring waarom deze vertrouwenskloof in de wetenschap het grootst is onder de lager opgeleiden (Achterberg et al., 2017).    

Daarnaast speelt communicatie van wetenschappers naar het publiek toe ook een grote rol. Wetenschappers communiceren met het publiek over risico’s in verband met wetenschappelijk onderzoek. Dergelijke communicatie kan onbedoelde gevolgen hebben over hoe het publiek de politieke oriëntaties en de geloofwaardigheid van de wetenschapper beoordeeld. Als een lezer de indruk krijgt dat een onderzoek politiek gekleurd is, zal dit de geloofwaardigheid van het onderzoek schaden. De kans op minder vertrouwen bestaat vooral als een wetenschapper een boodschap brengt die niet strookt met de persoonlijke overtuiging of het wereldbeeld van de ontvanger  (Vraga et al., 2018).   

Nog een andere eigenschap is dat wetenschap bestaat uit contradicties. Er bestaan discrepanties in gelijkaardige onderzoeken die ervoor zorgen dat vertrouwen in de wetenschap aanzienlijk kan verminderen. Toch zegt Mendoza-Denton (2011) dat een deel van de wetenschappelijke methode bestaat uit het in vraag stellen van andere bevindingen.

Bovendien blijkt mediagebruik een belangrijke voorspeller te zijn: hoge mate van tv-kijken en conservatief nieuwsmediagebruik correleren negatief met vertrouwen in wetenschap. Het tegenovergestelde geldt voor het gebruik van niet-conservatieve nieuwsmedia, alsook voor het gebruik van kranten en internet.  Vandaag de dag worden er massaal veel nieuwsberichten gedeeld. Niet elk bericht dat gedeeld wordt is waarheidsgetrouw. Sociale media zorgen voor een uitbereiding van informatienetwerken en bevorderen de betrokkenheid van gebruikers bij de wetenschap (Huber, Barnidge, et al., 2019) . 

Naast vertrouwen in de wetenschap als instituut kan iemand ook vertrouwen hebben in experten. Vaak zijn wetenschappelijke bevindingen abstract en complex, het is dus de functie van experten om deze bevindingen te vertalen naar het publiek (Lidskog, 1996). Indien er weinig informatie is over wetenschappelijke bevindingen zal het publiek gebruik maken van vertrouwen om te bepalen of ze de uitspraken van de experten zal aanvaarden of negeren  (Siegrist & Cvetkovich, 2000).  

Tenslotte zien we dat het publiek vertrouwen in wetenschap een effect heeft op de werking van de wetenschap. Uit onderzoek van Resnik (2011) blijkt dat een hoog publiek vertrouwen in wetenschap resulteert in hogere participatie van individuen bij wetenschappelijk onderzoek. Het publiek toont zijn vertrouwen in de wetenschap onder meer door het te financieren. Indien mensen denken dat deze financiële steun niet voordelig is, zouden vormen van wetenschappelijk onderzoek wegvallen  (Huber, Wetzstein, et al., 2019).   

In de volgende paragraaf bespreken we factoren die het vertrouwen in technologie beïnvloeden. Dit doen we door in te zoomen op specifieke toepassingen van complexe technologieën.

2.2.4 Vertrouwen in technologie

In deze paper wordt vertrouwen in technologie gedefinieerd als “het geloof dat een specifieke technologie de nodige attributen heeft om te presteren zoals verwacht in een gegeven situatie waarbij negatieve gevolgen mogelijk zijn” (Lankton et al., 2015). Het concept wordt beïnvloed door een aantal factoren, die aan de hand van specifieke toepassingen van complexe technologieën onderzocht worden in paragraaf 1,3.

Vertrouwen in technologie is verbonden met de acceptatie van technologie, wat eerder reeds uitvoerig besproken werd. Volgens het model van Huijts et al. (2012) heeft vertrouwen zo ook een grote impact op factoren die mee de intentie van acceptatie bepalen (zie Figuur 7). Een specificatie van vertrouwen toont aan dat twee soorten vertrouwen een invloed uitoefenen op vertrouwen in technologie. De eerste soort is het vertrouwen in actoren die verantwoordelijk zijn voor de technologie. De tweede soort is het vertrouwen in de informatie die erover wordt gedeeld ook een invloed. Het tweede soort vertrouwen betreft het vertrouwen dat men heeft in de informatie die gedeeld wordt over de technologie  (Huijts et al., 2012).

2.2.4.1 Vertrouwen in AI

Een specificatie van vertrouwen in technologie naar vertrouwen in artificiële intelligentie (AI) is nodig, aangezien vertrouwen en aanvaarding van technologie in het algemeen ook afhankelijk zijn van vertrouwen in AI op zich (Glikson & Woolley, 2020). Artificiële intelligentie verwijst naar het gebruik van een computer die intelligent gedrag nabootst met minimale menselijke interventie (Hamet & Tremblay, 2017).  

Hiernaast kunnen we vertrouwen in Al volgens Glikson and Woolley (2020) definiëren als "de bereidheid van een partij om kwetsbaar te zijn voor de acties van een andere partij, gebaseerd op de verwachting dat de ander een bepaalde handeling zal verrichten die belangrijk is voor de vertrouwenspersoon, ongeacht de mogelijkheid om die andere partij te controleren of te beheersen". Bovenstaande definitie benadrukt de bereidheid om kwetsbaar te zijn en het belang van de acties die op het spel staan. Verder beperkt deze definitie het concept van vertrouwen niet enkel tot interpersoonlijke interactie, waardoor we vertrouwen ook kunnen beschouwen met betrekking tot technologie (Glikson & Woolley, 2020). 

Recent onderzoek stelt dat vertrouwen in artificiële intelligentie zich opsplitst in twee dimensies. Een eerste dimensie is met name cognitief, wat betrekking heeft op betrouwbaarheid, transparantie, taakkenmerken en direct gedrag. Een tweede dimensie heeft betrekking op emotioneel vertrouwen, wat wordt gevormd door direct gedrag, de rol van antropomorfisme en de tastbaarheid. De constructie van vertrouwen in artificiële intelligentie hangt daarnaast ook af van de variatie in de Al-belichaming enerzijds en de waargenomen intelligentie, machine intelligentie, anderzijds. Dit vertrouwen dat men in Al-technologie ontwikkeld is van belang, omdat het onder andere zal bepalen welke rol de technologie krijgt in de organisatie (Glikson & Woolley, 2020). 

2.3 Digitale en niet-digitale complexe technologieën

Als we technologie specifiëren naar duidelijke voorbeelden binnen de categorie van digitale complexe en niet-digitale complexe technologieën, kunnen we vanuit de huidige literatuur al een aantal specifieke factoren vaststellen die vertrouwen en aanvaarding beïnvloeden. De zes technologieën die bekeken worden, zijn allen onderwerp van controverse en dus ook van het publiek debat. Een dieper inzicht in volgende technologieën en het publieke debat errond is verder ook relevant, omdat ze inzicht geven over het huidige publieke draagvlak in verband met implementatie van technologie. 

2.3.1 Digitale complexe technologieën

Drie digitale complexe technologieën die worden besproken zijn: zelfrijdende auto’s, ‘LPR’ of ‘License Plate Recognition’ en ‘intelligent assistive technology’. Deze drie vormen van digitale technologie maken gebruik van AI, wat een extra dimensie van factoren aanbiedt.

2.3.1.1 Zelfrijdende auto's

Deze eerste technologie is een opkomende technologie, waarbij hightechbedrijven momenteel zelfrijdende auto’s aan een hoog niveau produceren (Madigan et al., 2017). Daarnaast integreren autofabrikanten ook verhoogde niveaus van zelfbesturing in hun voertuigen en voeren ze gedreven onderzoek naar hogere niveaus van zelfbesturing voor hun auto’s (Hewitt et al., 2019). 

Een aantal voordelen van deze technologie zijn ten eerste het reduceren van het aantal auto-ongevallen veroorzaakt door een menselijke fout (Xu et al., 2018). Ten tweede dragen zelfrijdende auto’s bij aan het verminderen van filevorming en CO2-uitstoot. Ten slotte helpen ze mensen die zelf niet met de auto kunnen rijden, waaronder bijvoorbeeld ouderen of gehandicapten (Fagnant & Kockelman, 2015; Zhang et al., 2019). Ondanks voorgenoemde voordelen, verschilt de attitude van mensen ten opzichte van zelfrijdende auto’s. Verschillende studies wijzen erop dat de meeste mensen een positieve attitude hebben tegenover zelfrijdende auto’s , maar desondanks is de publiekelijke intentie om zelfrijdende auto’s te kopen en te aanvaarden niet hoog, zeker niet bij mensen in bezit van een rijbewijs (Abraham et al., 2017). 

Zelfrijdende auto’s vereisen dat een individu een technologie meer vertrouwt in het besturen van een auto dan zichzelf (Du et al., 2021). Uit verschillende studies blijkt dat factoren zoals vertrouwen (Xu et al., 2018), verondersteld veiligheidsrisico (Benleulmi & Blecker, 2017), persoonlijkheidsfactoren (Payre et al., 2014), hoe massamedia berichten over zelfrijdende auto’s (Du et al., 2021) en sociale invloed of normen (Panagiotopoulos & Dimitrakopoulos, 2018), een invloed hebben op het vertrouwen en aanvaarden van zelfrijdende auto’s (Du et al., 2021). 

Volgens Du et al. (2021) beïnvloedt de massamedia het vertrouwen in- en de aanvaarding van zelfrijdende auto’s rechtstreeks. Dit op vlak van productkennis en de intentie tot adoptie door middel van zelfperceptie.  Massamedia hebben namelijk een grote invloed op zelfperceptie, vooral op zelfeffectiviteit en subjectieve normen. Dit is geen verrassing, aangezien de meeste mensen nog geen zelfrijdende auto’s bezitten en hun informatie hierover krijgen via berichtgeving van massamedia.  

Volgens Benleulmi and Blecker (2017) bleken de belangrijkste belemmeringen voor de acceptatie van zelfrijdende auto’s de wil voor controle en risico’s te zijn. Volgens Payre et al. (2014) wordt ook het vertrouwen en de aanvaarding van zelfrijdende auto’s bepaalt door persoonlijkheidsfactoren. Zo hebben mannen een positievere attitude ten opzichte van zelfrijdende auto’s dan vrouwen en willen zij deze zowel meer kopen als gebruiken.  Volgens Panagiotopoulos and Dimitrakopoulos (2018) heeft sociale invloed een positieve impact op acceptatie, wat betekent dat de positieve invloed van anderen de kans dat een consument een zelfrijdende auto koopt of gebruikt bij verschijning op de markt vergroot. Dit vloeit mogelijk voort uit het feit dat een auto vaak wordt bekeken als een statussymbool en legt zo ook de nadruk op vertrouwen, acceptatie en de sociale omgeving.  

2.3.1.2 LPR 

De tweede technologie die besproken wordt zijn slimme camera’s voor License Plate Recognition. Het gebruik van slimme camera’s in zowel de publieke als de private sfeer is niet meer weg te denken uit onze huidige samenleving. Artificiële intelligentie wordt onder andere gekoppeld aan nummerplaatherkenning door bewakingscamerasystemen (ANPR en LPR-oplossingen). LPR of nummerplaatherkenning is een scan- en informatietechnologie die door verschillende actoren wordt gebruikt, gaande van publieke instellingen tot private bedrijven (bv: parkings). Het systeem kan dan ook voor allerhande doeleinden worden ingezet, gaande van controle van gestolen voertuigen (of grenscontroles) tot meer complexe bewakings- en voorspellingsfuncties in de strijd tegen criminaliteit. In dit onderzoek gaat de interesse uit naar het gebruik van LPR-technologie door wetshandhavingsinstanties en overheden in de publieke sfeer. Wanneer wetshandhavingsinstanties/ overheden gebruik maken van LPR op het publieke domein, stelt zich de vraag naar de legitimiteit ervan. Merola and Lum (2014) stellen dat deze legitimiteit betrekking heeft op zowel de aanvaarding van, als het vertrouwen in het gebruik van slimme camera’s. Er bestaat een positieve associatie tussen de mate van vertrouwen en het al dan niet aanvaarden van technologieën zoals LPR (Merola & Lum, 2014).  

In het onderzoek van Merola and Lum (2014) komen drie variabelen voor. Allereest de variabele ‘vertrouwen in de politie’, dit komt in essentie neer op de overtuiging dat de politie er is wanneer je haar nodig hebt, dat de politie vanuit de juiste motieven opereert, dat zij competent is en optreed in het algemeen belang (van der Veer et al., 2014).Hiervoor geldt een positieve associatie. Een tweede variabele is ‘goedkeuring van politietaken’. Hierbij wordt gepeild naar de tevredenheid over het werk van de politie in de gemeenschap. Wederom is er hier sprake van een positieve samenhang. Vervolgens is ook ‘overtuigingen over de privacy van LPR-technologie' een variabele. Merola en Lum concluderen dat wanneer men ervan overtuigd is dat deze informatie privé́ moet blijven, dit samenhangt met een verminderde steun voor het gebruik van LPR (Merola & Lum, 2014).  

Verder nemen Merola and Lum (2014) de variabelen geslacht, leeftijd en ras op als controlevariabelen, aangezien deze demografische factoren mogelijks de uitkomst kunnen beïnvloeden. Zo kan het zijn dat na controle voor geslacht de samenhang tussen de afhankelijke variabele en de onafhankelijke variabele voor vrouwen versterkt wordt, omdat vrouwen minder kans maken op bijvoorbeeld arrestaties, wat op zijn beurt kan leiden tot verschillen in steun voor LPR naar gelang het geslacht. Dit geldt ook voor leeftijd, aangezien hoe ouder men wordt hoe meer men zich zorgen maakt over criminaliteit, wat de steun voor het gebruik van LPR positief kan beïnvloeden.  

Hiernaast brengt gebruik van deze technologie risico’s met zich mee. Allereerst zijn er implicaties voor privacy. Het algemene publiek is vaak weinig geïnformeerd over welke informatie wordt gedeeld en voor welke doeleindes dit gebeurt. Databanken kunnen worden gekoppeld aan LPR- systemen en zo veel activiteiten van een burger vastleggen (Merola & Lum, 2014), met gevolg dat data misbruikt kan worden, maar ook ‘gelekt’ (Chang et al., 2020). Ten slotte kan, als gevolg van misbruik van deze data de relatie tussen burgers en overheidsinstellingen negatief beïnvloedt worden, mede omdat mensen kwetsbaarder worden voor fysieke, emotionele, financiële en reputatieschade (Irani et al., 2001).  

Deze technologie heeft een invloed op het gedrag van burgers, zo varieert het gedrag van burgers naar gelang de aanwezigheid van kennis over het feit dat ze gezien worden (Merola & Lum, 2014). Verder heeft dit een invloed op de perceptie die burgers hebben ten aanzien van de politie, wat op zijn beurt de relatie tussen de gemeenschap en de politie negatief kan beïnvloeden. Bekendheid met het gebruik van LPR kan wel degelijk een negatieve invloed hebben op de perceptie die men heeft ten aanzien van de politie en het vertrouwen dat men heeft in de politie. Ten slotte gaan vertrouwen en een meer positieve perceptie samen met transparantie en steun vanuit de gemeenschap (Merola et al., 2019).  

2.3.1.3 intelligent assistive technology’

Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van ‘intelligent assistive technology’, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de zorg voor ouderen in instellingen en thuis. Dit kan de veiligheid, de zekerheid en het vermogen van ouderen om zich thuis te redden, verbeteren. Thuiszorg heeft vaak de voorkeur van de patiënt en is voor hen meestal goedkoper dan institutionele alternatieven (Miskelly, 2001).  

De term intelligent ‘assistive technology’ omvat een brede waaier aan technologische systemen die gebruikt worden om de menselijke vermogens te ondersteunen of uit te breiden. Zij worden als intelligent bestempeld omdat zij in staat zijn de behoeften van de gebruiker en een veranderende omgeving waar te nemen en daarop te reageren. Het is deze intelligente aard die ondersteuning aan menselijke gebruikers biedt bij een groot aantal dagelijkse taken (McMurray et al., 2017). Verder zijn ‘assistive technology’s’ (AT) ontworpen om mensen van alle leeftijden met afwijkingen te helpen. Zo is het nu ook een waardevol hulpmiddel om het leren van leerlingen met een beperking te verbeteren. Echter is vastgesteld dat leraren die werken met leerlingen met een beperking weinig gebruik maken van AT.  

Als men kijkt naar de implementatie van deze technologieën in schoolklassen, ziet men dat er een gebrek aan acceptatie is. Onderzoek heeft een aantal belangrijke barrières geïdentificeerd, waarbij opleiding van het personeel en attitudes in verband met beoordeling, planning, financiering, de apparatuur zelf en de door leerkrachten ervaren tijdsdruk, het meest als belemmeringen worden genoemd. Hierdoor hebben ze het moeilijker om dergelijke aanpassingen te accepteren en aanvaarden. In sommige gevallen wordt aangenomen dat de houding van het personeel gedeeltelijk een reactie is op de systemen en processen die gebruikt worden om het AT aan hen voor te stellen. In het bijzonder lijkt het waarschijnlijk dat het gebrek aan engagement en acceptatie voor het gebruik van AT vertraagd wordt wanneer personeelsleden niet geïntegreerd worden in het beoordelingsproces en betrokken worden in het besluitvormingsproces. Beoordelingsproblemen kunnen samengevat worden als minder dan uitvoerige evaluaties van de individuele, gezins- en leraren behoeften bij het ontwerpen van de technologie (Nam et al., 2013).  

Uit onderzoek naar de invoering van informatiesystemen blijkt het vertrouwen een belangrijke rol te spelen bij het helpen van gebruikers om percepties van risico en onzekerheid bij het gebruik en de aanvaarding van technische innovaties te overwinnen (Wilkowska & Ziefle, 2018). 

Het verschijnsel vertrouwen lijkt onmisbaarder te zijn wanneer gezondheidsrelevante aspecten door middel van technologie tot stand komen. Het concept is gelaagd en omvat verschillende componenten die van belang kunnen zijn om te begrijpen hoe de acceptatie en het gebruik op lange termijn van gezondheid bevorderende technologieën kan worden gewaarborgd. Motivatie, vertrouwdheid, gevoeligheid, personalisatie, deskundigheid, voorspelbaarheid en de bron van de informatie zijn slechts enkele van die factoren die het vertrouwen in dit opzicht wezenlijk kunnen beïnvloeden (Wilkowska & Ziefle, 2018). 

Gezien het stijgend aantal ouderen, die vatbaarder zijn voor een zwakke gezondheid, kan het vertrouwen van (oudere) patiënten in medische technologie een belangrijke factor zijn van functioneel werkende systemen (Wilkowska & Ziefle, 2018). De werksystemen in de gezondheidszorg evolueren steeds meer naar een grotere afhankelijkheid en groter gebruik van medische technologie.  

Bij vertrouwen moeten we rekening houden met een verscheidenheid van relaties, namelijk interpersoonlijk vertrouwen (bijvoorbeeld in de communicatie tussen patiënt en arts), vertrouwen in de omgeving en de infrastructuur, sociaal vertrouwen (bijvoorbeeld in een zorginstelling) en vertrouwen in automatisering. E-Health is bedoeld om mensen dagelijks bij te staan in hun gebruikelijke omgeving en hen te ondersteunen op het gebied van hun gezondheid (bijvoorbeeld bewakingsapparatuur en meting van vitale parameters) (Wilkowska & Ziefle, 2018). Vertrouwen is hierbij een bijzonder belangrijk fenomeen, doordat mensen worden geconfronteerd met situaties waarin zij moeten vertrouwen op die medische apparatuur die deel uitmaakt van een breed technologisch systeem en die een inherent deel van hun leven kan uitmaken.  

We ondervinden dat in deze context vertrouwen eerder een dynamisch proces is, dat kan veranderen naargelang de kenmerken van de gebruikers (bijvoorbeeld leeftijd, geslacht) en hun veranderende levensgebeurtenissen of hun huidige gezondheidstoestand (Wilkowska & Ziefle, 2018). Vertrouwen kan dus gezien worden als een belangrijke component van de acceptatie van medische technologie.  

2.3.2 niet-digitale complexe technologieën 

De niet-digitale complexe technologieën besproken zijn genetisch gemodificeerde organismen, gentherapie en nanotechnologie.  

2.3.2.1 genetisch gemodificeerde organismen

Vertrouwen van de publieke opinie speelt een belangrijke rol aangezien in publiek debat vertrouwen cruciaal is bij de perceptie van risico’s (Lang & Hallman, 2005). Onder de Europese burgers bestaat bezorgdheid om de aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) in het milieu. Toch is het percentage Europese burgers dat hier zorgen over heeft gedaald van 30% in 2002 tot 19% in 2011. Bezorgdheid om het gebruik van genetisch gemodificeerde ingrediënten in voedsel en drinken is gedaald van 63% in 2005 tot maar liefst 27% in 2019 (Ali et al., 2021). 

Risico’s die beargumenteerd worden zijn onder andere dat genetisch gemodificeerd (GG) voedsel kan zorgen voor niet gekende gezondheidsrisico’s en ecologische bedreigingen (Ali et al., 2021). Consumenten zijn verder bezorgd om antibioticaresistentie, allergeniciteit, onnatuurlijke voedingswaarde veranderingen, superpesticiden en superonkruiden (Maghari & Ardekani, 2011; Monarkh, 2020). Voordelen volgens de publieke opinie en wetenschap die hiertegenover staan, zijn onder andere het potentieel van GG-voedsel als oplossing van hongersnood en voedseltekorten. Onderzoek toont verder aan dat voedingswaarde verhogen, planten en dieren resistenter maken, gewassen oogsten verhogen, allergieën elimineren, gebruik van chemische producten verminderen en voedselverspilling tegengaan ook voordelen zijn (Marques et al., 2015). Toch blijft een centrale zorg bij GGO-technologie wat de lange-termijn effecten zijn (Mereu, 2012).  

Zoals Lang en Hallman (2005) duidelijk maken is een belangrijke component in dit debat vertrouwen. Het onderzoek van Ali et al. (2021) kijkt naar mogelijke factoren die GG-voedsel beïnvloeden. Uit hun resultaten blijkt dat vertrouwen in instituties een significante factor is, waarbij minder vertrouwen in instituties zorgt voor minder vertrouwen in GG-voedsel. Deze dynamiek geldt ook voor de tweede factor, vertrouwen in technologie. Ten slotte geldt dat hoe hoger de derde factor risicoperceptie van de consument is, hoe lager de kans op vertrouwen in GG-voedsel is. Hiernaast kunnen de factoren die vertrouwen beïnvloeden verschillen per land (Ali et al., 2021).  

Het vertrouwen in de instituties die verantwoordelijk zijn voor de regulatie en verzekering van de veiligheid van genetisch gemodificeerd voedsel is een belangrijke factor (Lang & Hallman, 2005). Verder wordt vertrouwen in biotechnologie beïnvloed door openheid en transparantie, maar ook door de commercialisering van biotechnologisch onderzoek, waarbij de grens tussen privaat en publiek vervaagd is (Chalmers & Nicol, 2004). Vertrouwen in GGO’s is ook verbonden met vertrouwen in de overheid. Hogere niveaus van vertrouwen in de overheid gaan samen met meer aanvaarding van GGO’s. Ook vertrouwen in NGO’s is een factor, waarbij individuen met een hoog niveau van vertrouwen in NGO’s minder waarschijnlijk GGO’s zouden aanvaarden (Gutteling et al., 2006). 

Aanvaarding van genetisch gemodificeerde technologie varieert van land tot land en wordt beïnvloed door het type gemodificeerd voedsel (Irani et al., 2001). Risicogevoeligheid is sterker bij GG-vlees dan bij GG gewassen, wat leidt tot een lagere aanvaardingsgraad bij genetische gemodificeerd vlees dan bij GG gewassen (Han & Harrison, 2007).  

De studies geven gemengde resultaten, maar het onderzoek van Marris maakt de hoofdfactor echter wel duidelijk. Het is niet zo dat GGO’s volledig worden geaccepteerd of afgewezen. Zowel pro als contra argumenten worden overwogen, maar het gaat voornamelijk om de institutionele context waarin GGO’s zijn ontwikkeld, geëvalueerd en gepromoot (Marris, 2001).  

2.3.2.2 gentherapie

De ontwikkelingen die zich vandaag de dag voordoen op zowel medisch als biologisch niveau, geven ons de mogelijkheid om levens te beschermen en om ziektes te kunnen genezen. Een tweede niet-digitale complexe technologie die we hier bespreken is gentherapie. 

Burgers zijn dikwijls niet op de hoogte van wat gentherapie juist inhoudt, hoe het werkten wat de voor- en nadelen ervan zijn. Gentherapie kan en mag vandaag in de geneeskunde gebruikt worden, maar het fundamenteel aanpassen van DNA om genetische ziektes voorgoed de wereld uit te helpen blijft verboden (Master & Resnik, 2013).  

Algemeen werd er van biotechnologie veel verwacht en werd de nieuwe technologie erg gehypet. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat een hype juist de verwachtingen van het publiek kan doen dalen. Mede doordat de beloofde resultaten niet behaald werden daalt dan ook nog eens het publiek vertrouwen ervan. Dit verlies in vertrouwen kan leiden tot een algemeen vertrouwensverlies en vervolgens ook verlies van steun (Master & Resnik, 2013). Dit is wat er gebeurde bij gentherapie tijdens begin jaren 1970 tot 1990. Hoge verwachtingen en beloften werden gesteld bij deze nieuwe technologie over genetische ziekten, maar beloofde resultaten werden niet behaald. Gentherapie heeft zijn verwachtingen dus niet kunnen waarmaken en is zo ook het publiek vertrouwen en de steun ervan deels verloren (Gottweis, 2002). 

Het laag vertrouwen van het publiek in gentherapie ontstaat verder ook uit onwetendheid en gebrek aan communicatie tussen wetenschap en maatschappij. De literatuur die beschikbaar is, is dikwijls moeilijk te begrijpen voor mensen die geen wetenschappelijke achtergrond hebben (Delhove et al., 2020). Wetenschappers zouden in algemene en begrijpbare taal moeten kunnen uitleggen wat gentherapie is, zodat de samenleving hier meer inzichten in kan krijgen en beter kan begrijpen wat deze technologie inhoudt (Gottweis, 2002).  

In het verleden werden reeds experimenten uitgevoerd, voornamelijk gericht op het behandelen van kanker. Dit wil niet zeggen dat er geen interesse meer was naar het genezen van genetische ziekten, maar door de vele slechte uitslagen, werden deze experimenten stilgelegd. Zo werd een organisme in vitro ingespoten met een gen met de juiste code om op die manier genetische ziekte te verwijderen, maar leek er leukemie te ontstaan in het organisme. Dat is een ernstig neveneffect en risico van gentherapie (Noguchi, 2003).   

Een andere belangrijke factor die niet over het hoofd mag gezien worden, is ook het vertrouwen in zorgpersoneel. Onderzoek wijst namelijk uit dat een hoog vertrouwen in zorgpersoneel een positieve uitkomst heeft in klinische experimenten. Echter zien we wel dat het vertrouwen in zorgpersoneel over de jaren heen afneemt (Meyer & Ward, 2008). Dat afnemend vertrouwen zou een uitdaging kunnen vormen voor de acceptatie van gentherapie.   

2.3.2.3 nanotechnologie

Ten derde bespreken we nanotechnologie als een volgende niet-digitale complexe technologie. Omdat nanotechnologie wordt gezien als één van de belangrijkste technologieën van deze eeuw, gaan we in dit hoofdstuk dieper in op het vertrouwen van de burger in deze complexe technologie (Siegrist et al., 2007). Om dit vertrouwen beter te begrijpen, moeten we kijken naar welke voordelen, nadelen en eventuele risico’s nanotechnologie heeft in de ogen van de bevolking. Daarnaast bespreken we de achterliggende factoren.  

Uit onderzoek van Cobb and Macoubrie (2004) blijkt dat de meeste respondenten in hun onderzoek aangeven dat nieuwe manieren om menselijke ziekten op te sporen en het behandelen van ziektes het grootste voordeel van het gebruik van nanotechnologie is. Hiernaast zijn ook voordelen op vlak van nationale veiligheid en milieu aangehaald. Het grootste nadeel blijkt verlies van privacy. 

Uit het onderzoek van Capon et al. (2015) naar de perceptie van de risico’s van nanotechnologie door de publieke opinie, de academische wereld, de overheid en het bedrijfsleven kunnen we enkele belangrijke conclusies trekken. Zo blijkt dat vrouwen vaker dan mannen nanotechnologie als een risico beschouwen voor alle toepassingen van deze technologie en dat ouderen nanotechnologie eerder zien als een risico voor hun gezondheid. De publieke opinie ziet “gefabriceerde nanomaterialen” in voedsel, cosmetica, medicijnen en in computers als het grootste risico. Terwijl de academische respondenten zich vooral richten op het risico bij voedingsmiddelen.  De bedrijfswereld daarentegen ziet nanotechnologie in pesticiden als het grootste risico en de overheidsrespondenten identificeren het gebruik van deze complexe technologie in cosmetica dan weer als grootste risico.  

Om de invloed te bestuderen van vertrouwen (en eventueel wantrouwen) op nanotechnologie, moeten we naar de achterliggende factoren kijken om dit fenomeen beter te begrijpen. Zo blijken ras en geslacht een belangrijke rol te spelen. Uit de meeste onderzoeken naar de evaluatie van nanotechnologie wordt er aangetoond dat vooral blanke mannen nanotechnologie positiever evalueren (Capon et al., 2015; Vaandrager, 2017). Buiten deze twee demografische factoren spelen er ook enkele psychologische factoren mee in dit proces, namelijk kennis, vertrouwdheid met de technologie, houding ten opzichte van wetenschap en technologie, verwachte maatschappelijke effecten en verwachte milieueffecten. Verder vindt Vaandrager (2017) ook dat vertrouwen in de organisaties die verantwoordelijk zijn voor een technologie meestal een positief effect heeft op de evaluatie van nanotechnologie. Dit wordt bevestigd in het onderzoek van Cobb and Macoubrie (2004), al blijkt in hun onderzoek wel dat meer dan 60% van de respondenten “niet veel vertrouwen” te hebben in het vermogen of de bereidheid van bedrijfsleiders om de risico’s voor de mens tot een minimum te beperken. 

Het valt op dat het grote publiek over weinig kennis beschikt betreffende nanotechnologie. Buiten de vele voordelen dat nanotechnologie met zich meebrengt, zoals voor het milieu of nationale veiligheid, heeft deze technologie ook enkele nadelen volgens de publieke opinie. Maar de vraag blijft of de voordelen in werkelijkheid opwegen tegen de nadelen. 

2.4 Conclusie van de literatuurstudie

Hiertoe hebben we de literatuur rond aanvaarding en gebruik van technologie bestudeerd, het concept vertrouwen gedefinieerd en onderzocht welke rol vertrouwen in de overheid, wetenschap en technologie speelt bij aanvaarding. Verder hebben we ook onderzocht door welke factoren dit vertrouwen zelf wordt beïnvloed (omdat deze factoren onrechtstreeks dan ook de aanvaarding van de technologie kunnen beïnvloeden). Er is verder ook ingezoomd op enkele specifieke toepassingen van complexe technologieën.  

Om een individu tot de acceptatie van een technologie te laten overgaan, moeten een aantal stappen doorlopen worden. In deze stappen kan het individu door veel context gerelateerde zaken toch besluiten om de technologie al dan niet te aanvaarden, dit ondanks hoe gemakkelijk te gebruiken of nuttig deze technologie ook is. Wij constateren dat de impact van vertrouwen groot is en dat dit bijna elke factor rechtstreeks of onrechtstreeks beïnvloedt.  

Aangaande het vertrouwen in de overheid zijn beïnvloedingsfactoren onderverdeeld in individuele eigenschappen, eigenschappen van de persoon zelf, eigenschappen van de te vertrouwen persoon, maatschappelijke eigenschappen en eigenschappen van de overheid. Individuele eigenschappen bestaan uit gezondheid, vorige ervaringen met de overheid, politiek-culturele factoren, sociale positie en demografische factoren en kennis over het onderwerp. Binnen de maatschappij speelt de verdeling van rijkdom een rol. Eigenschappen van de overheid zelf die een invloed hebben op de mate van vertrouwen zijn onder andere het soort regime, corruptie en de eerlijkheid of transparantie van de regering.  

Nadien zijn ook de rol van en de beïnvloedingsfactoren voor het vertrouwen in de wetenschap besproken. Deze factoren verschillen van aard. Naast demografische factoren, zoals leeftijd, politieke voorkeur, etniciteit, etc., heb je ook context-gebonden factoren, kenmerken van wetenschap zelf en van de wetenschappelijke methode die een invloed hebben op de mate van vertrouwen of wantrouwen in wetenschap. 

Met de opkomst en groeiende bekendheid van nieuwe technologieën op basis van big data, cloud computing en blockchain, neemt het gebruik van digitale technologie snel toe vanwege de vele voordelen. Het gebruik van slimme verkeerscamera’s, assistive technology (AT) en zelfrijdende auto’s is door deze groeiende bekendheid niet langer weg te denken uit onze huidige samenleving. Vertrouwen in digitale technologieën is een bepalende factor voor het gebruik en acceptatie van automatisering. Inzicht in de factoren die van invloed zijn op het vertrouwen in automatisering is dan ook het onderwerp van veel onderzoek. Bij zelfrijdende auto’s spelen veronderstelde veiligheidsrisico’s, persoonlijkheidsfactoren, hoe massamedia berichten over zelfrijdende auto’s en sociale invloed of normen een rol bij het vertrouwen in deze techniek. Bij AT zijn motivatie, vertrouwdheid en gevoeligheid slechts enkele van die factoren die het vertrouwen in dit opzicht wezenlijk kunnen beïnvloeden. Demografische factoren, vertrouwen in politie, perceptie op privacy en de tevredenheid over politietaken zijn belangrijke voorspellers voor het al dan niet aanvaarden van de technologie bij LPR, afhankelijk van het doel waarvoor het wordt ingezet. 

Ten slotte hebben we ook vertrouwen in niet-digitale complexe technologieën besproken. Voor het vertrouwen in genetisch gemodificeerde organismen zijn er een aantal hoofdfactoren van belang, waaronder vertrouwen in instituties, vertrouwen in technologie, vertrouwen in overheid en risicopercepties ten opzichte van de technologie. Bij gentherapie blijken de hoofdfactoren voornamelijk kennis, literatuur, voorgaande experimenten, begrijpbaarheid, verwachtingen en het vertrouwen in het zorgpersoneel van belang. Als laatste wordt vertrouwen in nanotechnologie beïnvloed door twee soorten factoren. Geslacht en etniciteit behoren tot de demografische factoren, wat de eerste soort beïnvloedende factor is. Onder de tweede soort factor, psychologische factoren, zijn kennis, vertrouwdheid met de technologie en verwachte positieve of negatieve effecten van het gebruik van nanotechnologie cruciaal.  

Uit deze literatuurstudie concluderen we dat het vertrouwen in wetenschap, overheid en technologie een belangrijke rol speelt bij de acceptatie van nieuwe complexe technologieën. Algemeen kunnen we vaststellen dat over de zes complexe technologieën heen kennis bij de burger ontbreekt en vertrouwen hierdoor een ondersteunende rol speelt. 

Na het bestuderen van de literatuur rond de acceptatie van technologie, vertrouwen in de overheid, vertrouwen in de wetenschap en vertrouwen in technologie, met specificatie van digitale en niet-digitale complexe technologieën volgt een overzicht van wat reeds geweten is en de identificatie van verklarende factoren. In het volgende hoofdstuk vervolgen we met het beschrijven van het conceptueel-theoretisch kader. Hierin wordt voorgeschreven welk conceptueel-theoretisch kader deze studie gebruikt om acceptatie van technologie te verklaren. De opgenomen concepten worden vanuit de literatuur gedefinieerd en in relatie tot elkaar gebracht. Gezamenlijk vormen zij het conceptueel-theoretisch kader waaruit dit onderzoek op zoek gaat naar de verklaring van aanvaarding van complexe technologieën door burgers.