Resultaten van het kwalitatieve onderzoek

5 Interpretatie van de concepten

Na de in het vorige hoofdstuk beschreven opzet van het onderzoek vervolgen we in dit hoofdstuk met de rapportering van de resultaten uit de diepte-interviews – het kwalitatieve onderdeel van deze studie.  Aan de hand van het interviewprotocol en per variabele uit het conceptueel-theoretisch kader zijn de bevindingen uit de interviews beschreven. De antwoorden van de respondenten bieden een inzicht in hoe zij de concepten uit het conceptueel-theoretisch kader begrijpen.  Aan ieder concept uit het conceptueel-theoretisch kader is een paragraaf toegewijd in dit hoofdstuk.

5.1 Kennis en complexiteit 

Bij kennis en complexiteit van de technologie wordt bevraagd hoeveel kennis een respondent heeft van de technologie. Kennis en complexiteit worden hierbij samengenomen in de veronderstelling dat als een technologie moeilijk uit te leggen is, dat deze ook complex is. Complexiteit is namelijk moeilijk te bevragen op zich. Bij kennis over de technologie wordt gekeken naar hoe respondenten deze uitleggen. Ze kunnen hierbij een juiste, een verkeerde of geen uitleg geven. Uit het onderzoek blijkt dat 13 respondenten de technologie niet begrepen en 23 respondenten wel, dit was op 36 respondenten Enkele respondenten begrepen de technologie verkeerd, maar corrigeerden zichzelf nadien of geven aan dat ze het niet begrepen.  Vrouwelijke respondenten geven vaker aan dat ze de technologie niet begrijpen, negen van de 13 respondenten die aangeven dat ze de technologie niet begrijpen zijn vrouwen. Tussen laagopgeleide en hoogopgeleide respondenten is een zeer miniem verschil, dat niet relevant te noemen is. 

Indien er dan een onderscheid gemaakt wordt tussen de verschillende technologieën dan zien we dat bij slimme camera’s tegen GSM-gebruik acht het stuur veel vaker door respondenten wordt aangegeven dat ze de theorie niet begrijpen en niet kunnen uitleggen. In geval van het Covid Safe Ticket wordt veel vaker een correcte uitleg gegeven. We zien dat vier respondenten die wij hebben geïnterviewd over het Covid Safe Ticket de technologie niet begrijpen, terwijl dit bij de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur om negen mensen gaat.

5.1.1 Contact en gebruik

De in onze interviews gestelde vragen over contact met de gekozen technologie bevragen wij respondenten of zij al dan niet op één of andere manier met de gekozen technologie in contact zijn gekomen. Contact met de technologie is meer van toepassing op slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur, omdat respondenten bij het Covid Safe Ticket (CST)meer ingaan op het gebruik. Het merendeel van de respondenten geeft aan al in contact te zijn gekomen met de  bevraagde technologie, dit gaat over 28 van de 36 respondenten. Er is hier echter wel een sterk verschil merkbaar tussen de technologieën onderling. Aangaande de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur wordt nooit aangegeven dat ze gebruikt werden, terwijl alle respondenten die wij bevraagd hebben over het CST aangeven deze te gebruiken. Acht van de 18 respondenten die wij geïnterviewd hebben over slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur geven aan dat ze er nog nooit mee in contact gekomen zijn.  Zij die niet in contact gekomen zijn met de technologie geven vooral aan dat ze geen rijbewijs hebben, R19 gaf bijvoorbeeld het volgende aan: ‘’Een boete? Uh ik heb geen rijbewijs dus als het over een auto gaat dan nee uhm of  wat vroeg u? Of ik er al vaak mee in aanraking ben gekomen?’’

Het zou ook kunnen dat respondenten zich niet bewust zijn van het feit dat slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur in werking zijn. Dit wordt bevestigd door het feit dat sommige mensen aangeven dat ze plots een boete kregen zonder dat ze dit hadden verwacht. Er word hierbij ook een onderscheid gemaakt tussen onbewust en bewust in contact komen met de technologie. Bij de respondenten die wij interviewden over slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur bleek het vooral om onbewust gebruik te gaan en bij de respondenten die wij interviewden over het Covid Safe Ticket bleek het vooral om bewust gebruik te gaan. Dit komt omdat mensen fysiek hun ticket moeten tonen.

In de interviews hebben wij het gebruik bevraagd. Gebruik houdt in dat mensen de technologie ook wel degelijk implementeren in hun dagelijks leven. Er zijn geen respondenten die het Covid Safe Ticket  niet gebruiken. Dit gebeurde zowel digitaal als op papier. 

Aangaande het gebruik en contact met de technologie is er geen verschil op basis van geslacht. Er is wel een verschil op basis van leeftijd. Van de 8 respondenten die aangeven dat ze nog niet in contact zijn gekomen met slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur zijn er zeven jong en één in de middengroep wat betreft leeftijd. Dit zou mogelijks te wijten kunnen zijn aan het feit dat deze respondenten nog geen rijbewijs hebben. Ook op het vlak van opleidingsniveau zien we dat alle acht respondenten hoog opgeleid zijn.

5.1.2 Doelen

We bevragen de respondenten ook over de mate waarin ze de doelen van de technologie begrijpen. Dit zijn de redenen waarom de technologie ingezet wordt. Voor 31 van de 36 respondenten is het  duidelijk wat het doel van gebruik van het Covid Safe Ticket of slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur is. Drie respondenten geven een verkeerde interpretatie van de doelen van de inzet van de technologie en twee respondenten weten niet wat de doelen zijn. Het lijkt dus dat het merendeel van de respondenten de doelen van de bevraagde technologie begrijpt. Aangaande het bevraagde doel van de inzet van de technologie zien we geen verschil op geslacht en leeftijd. De twee respondenten die aangaven dat ze het doel van de technologie niet kennen zijn hoogopgeleid. Zij zijn slechts met twee, dus dit kan een vertekend beeld geven. Er is wel een verschil op het vlak van technologie, de mensen die het niet wisten of een verkeerde interpretatie gaven komen allemaal uit de groep respondenten die wij bevraagd hebben over de inzet van slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur..

Voor wat betreft het Covid Safe Ticket (CST) kan geconcludeerd worden dat deze door elke respondent gebruikt wordt. De doelen van deze technologie zijn ook duidelijk. Bij de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur is er geen direct gebruik, maar respondenten komen eventueel wel in contact met de technologie. Veel respondenten geven aan nog niet in contact te zijn gekomen met slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. Slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur als technologie lijkt ook iets moeilijker om mee in contact te komen dan het CST. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat het CST meer daadwerkelijk door de respondenten zelf gebruikt wordt.

5.2 Kosten, baten en risico's

5.2.1 Kosten

Doordat twee verschillende technologieën behandeld zijn in de interviews, is het onderscheid tussen de beide technologieën voor wat betreft kosten grotendeels terug te vinden in de codes omtrent de kosten, baten en risico’s van een technologie. Dit onderscheid is bij deze codes extra duidelijk doordat beide technologieën in verschillende contexten gebruikt worden. Eerst zullen de kosten die voortkomen uit de interviews besproken worden om vervolgens de focus te verplaatsen op de kosten van de specifieke technologie en wat de invloed van variabelen zoals leeftijd, geslacht en opleidingsniveau zijn op de benoemde kosten. Bij de bespreking wordt regelmatig een onderscheid gemaakt tussen individuelen kosten en maatschappelijke kosten doordat dit onderscheid expliciet bevraagd werd in de interviews.

Een eerste vaststelling is dat relatief veel respondenten aangeven dat ze geen problemen hebben met de aanwending van het Covid Safe Ticket of slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur door de overheid. Negen van de 36 respondenten geven aan dat ze geen individuele kosten ondervinden bij het gebruik van de technologie (R01, R02, R04, R05, R08, R11, R12, R16, R26). Wanneer gevraagd werd naar de ervaring van maatschappelijke kosten van het gebruik van de technologie gaven zes respondenten aan dat ze deze niet zien (R01, R08, R10, R11, R12, R16). Tussen deze twee groepen respondenten bestaat een overlap van vijf respondenten die noch maatschappelijke kosten noch individuele kosten zien  (R01, R08, R11, R12, R16). Wij concluderen dat meer respondenten vinden dat de technologie maatschappelijke kosten impliceert dan puur individuele kosten.

Zoals reeds vermeld is bij het afnemen van het interview al een onderscheid gemaakt tussen individuele en maatschappelijke kosten. In deze alinea zullen eerst de door de respondenten ervaren individuele kosten, ervaren nadelen, besproken worden en vervolgens de door de respondenten ervaren maatschappelijke kosten. Het meest voorkomende individueel nadeel is de afhankelijkheid van het Covid Safe Ticket (CST) in het dagelijks leven (R14, R15, R20, R23, R25, R30, R31, R33, R35). Een tweede veelvoorkomend persoonlijk nadeel is het gevoel dat zijn/haar privacy geschonden wordt door het gebruik van de technologie (R03, R06, R07, R08, R19, R22, R29, R31). Overigens werden koten zoals een vals gevoel van veiligheid (R20, R30, R31) en belemmering van gsm-gebruik achter het stuur (R09, R17, R22) drie keer vermeld. Tot slot ervaren twee respondenten hun gebrek aan kennis over de technologie als een nadeel (R03, R23) en één respondent vindt de ervaren druk tot vaccinatie een nadeel van het Covid Safe Ticket (R35).  

Inzake de maatschappelijke kosten vinden we meer soorten kosten terug in vergelijking met de vermelde individuele kosten. Uit de interviews komen acht verschillende opgesomde maatschappelijke kosten terug in tegenstelling tot zes verschillende individuele kosten. Het meest voorkomende maatschappelijk nadeel is het gevoel van privacy schending (R03, R06, R07, R08, R17, R18, R19, R22, R26, R27, R29). Naast het feit dat dit argument elf keer werd aangehaald in de interviews, komt dit nadeel in een soortgelijke vorm ook terug bij drie respondenten die aangeven dat ze vinden dat de maatschappij hen te veel controleert via de technologie (R27, R28, R29). 

Wij merken een overlap tussen de benoemde maatschappelijke- en individuele kosten. Naast ‘verlies van privacy´ geven respondenten ook andere individuele nadelen aan, echter zijn deze minder expliciet aangegeven. Een voorbeeld hiervan is de individuele afhankelijkheid van het Covid Safe Ticket (CST) in het dagelijks leven. Inzake de maatschappelijke kosten vinden we twee soorten kosten die we onder dezelfde negatieve attitude kunnen plaatsen: het uitsluiten van personen door gebruik van het CST (R07, R20, R25, R31, R35) en het opsplitsen van de maatschappij door gebruik van het CST (R02, R07, R14, R15, R23, R35). Het opsplitsen van de maatschappij is eerder een abstracte kost en kan het best worden toegelicht op basis van een passage uit een interview. R14 zegt het volgende over de kosten van gebruik van het CST: “Een enorme polarisering. Mensen zijn elkaar aan het haten omdat ze dat prikje wel of niet hebben gezet. Heel veel mensen zijn gewoon gefrustreerd aan het geraken. Elke week is er ook weer een betoging over het CST. Ik vind het stom dat mensen elkaar daarvoor moeten haten.”. Overige genoemde maatschappelijke kosten zijn: inefficiëntie (R04, R07, R10, R14, R33, R35), gebrek aan nauwkeurigheid (R18, R22, R34), meer boetes door de slimme camera’s (R09, R13, R17, R24) en dat de maatschappij minder vertrouwen in de overheid krijgt door de technologie (R10, R28). Nu alle gepercipieerde kosten bij de technologieën zijn opgesomd, zullen deze in de volgende paragraaf meer in detail besproken worden.

Zoals eerder vermeld worden de bevraagde technologieën in zeer verschillende contexten gebruikt waardoor bepaalde kosten maar aan één technologie te koppelen zijn. Een eerste nadeel dat we specifiek linken aan het Covid Safe Ticket is de afhankelijkheid in het dagelijks leven. Met dit nadeel wordt bedoeld dat de respondenten vinden dat ze in hun persoonlijk leven te afhankelijk zijn van het gebruik van het Covid Safe Ticket (CST). De respondenten schrijven dus een tamelijk grote rol aan het CST toe in hun dagelijks leven en deze grote rol is ook merkbaar aangaande de ervaring van andere kosten van het CST. Zo zou het gebruik van het CST zorgen voor een splitsing van de samenleving, doordat het gebruik van het CST mensen zou uitsluiten en het gebruik ervan zou druk uitoefenen op mensen om zich te laten vaccineren. Met het splitsen van de samenleving wordt door respondenten bedoeld dat de maatschappij volgens hen wordt opgedeeld in gevaccineerden en niet-gevaccineerden wat tot polarisatie kan leiden, terwijl respondenten met het uitsluiten van personen bedoelen dat mensen geen toegang mogen krijgen tot semipublieke locaties zoals cafés. Tevens ervaren respondenten inefficiëntie als nadeel van het gebruik van het CST, waarmee zij bedoelen dat het systeem erachter niet waterdicht is. Zo wordt aangegeven dat het CST niet altijd goed gecontroleerd wordt, en bovendien zou het schijnveiligheid bieden. 

Specifieke kosten van de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur zijn dan weer het feit dat respondenten verwachten meer boetes te zullen moeten betalen, dat gsm-gebruik achter het stuur onmogelijk gemaakt wordt en het gebrek aan nauwkeurigheid van de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur waardoor men mogelijk onterecht boetes kan krijgen. Er zijn aanzienlijk minder verschillende kosten opgesomd aangaande het gebruik van gsm-gebruik achter het stuur maar hieruit kunnen we niet noodzakelijk concluderen dat de geïnterviewde respondenten meer kosten ervaren bij het gebruik van het CST. Er zijn immers kosten die we niet onder één technologie kunnen plaatsen zoals privacy. Zowel op individueel als maatschappelijk vlak werd het gebruik van slimme camera’s door de overheid meer als een schending van privacy ervaren dan bij het CST

Wanneer naar verschillen tussen mannelijke  en vrouwelijke respondenten gekeken wordt gaven zowel op maatschappelijk als op individueel vlak  telkens meer vrouwelijke respondenten aan dat ze geen problemen hebben met de technologie, hoewel het om kleine verschillen gaat. Over het algemeen kenden vrouwelijke respondenten dus meer kosten toe aan het gebruik van de technologie. Vrouwelijke respondenten hebben volgens ons duidelijk een groter probleem met het uitsluitend karakter van het gebruik van het Covid Safe Ticket (CST), schending van de persoonlijke privacy en de afhankelijkheid van het CST. Mannelijke respondenten daarentegen ervaren in tegenstelling tot vrouwen meer nadeel aan het potentieel verkrijgen van meer bekeuringen dankzij het gebruik van slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur door de federale politie.. 

De respondenten zijn onderverdeeld in drie leeftijdscategorieën: jonge respondenten van 18 tot 30 jaar, respondenten met een middelbare leeftijd vanaf 31 jaar tot 65 jaar en vanaf de leeftijd van 66 jaar werd de respondent als oud geclassificeerd. Inzake maatschappelijk georiënteerde kosten valt op dat het voornamelijk jonge respondenten zijn die geen problemen ervaren bij een technologie. Een tweede vaststelling omtrent de jonge leeftijdsgroep is dat het meest vermelde probleem ‘privacy’ is en daarmee onderscheiden ze zich sterk van andere groepen respondenten. De twee respondenten die aangeven dat de technologie een slechte invloed heeft op vertrouwen in de overheid van de burgers zijn ook allebei jongeren. Een derde vaststelling die we maken wanneer we de resultaten op basis van leeftijd interpreteren is dat een aantal kosten niet door de oudste leeftijdsgroep worden erkend. Deze kosten zijn naast een dalend vertrouwen in de overheid ook de gepercipieerde toenemende controle binnen de maatschappij en de toename van boetes door  het gebruik van slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. Jongere respondenten spreken niet over polarisatie in de maatschappij door het gebruiken van het CST. Dit in tegenstelling tot de respondenten met een middelbare leeftijd door wie dit vaker als een nadeel is genoemd. Wat betreft de individuele kosten valt het vooral op dat het probleem van de afhankelijkheid van het gebruik van het CST vooral voorkomt bij respondenten van een middelbare en jongere leeftijd. Ook aangaande de  individuele kosten stellen we vast dat oudere respondenten minder kosten opsommen dan de respondenten die vallen in andere leeftijdscategorieën. Geen enkele oudere respondent gaf aan een probleem te hebben met onwetendheid over de technologie, de onmogelijkheid om zijn/haar gsm te gebruiken en het vals gevoel van veiligheid bij het gebruik van het CST. Een belangrijke kanttekening die nog gemaakt moet worden, is dat niet elke leeftijdsgroep even sterk gerepresenteerd is in de respondentengroep. Er waren in totaal 15 jongere respondenten, 13 respondenten van middelbare leeftijd en slechts acht oudere respondenten.

Bij het onderverdelen van de respondenten naar opleidingsniveau vallen enkele verschillen op. Eerst en vooral zien minder hoogopgeleide respondenten maatschappelijke- of individuele kosten in het gebruik van de technologieën in vergelijking met laagopgeleide respondenten. Desondanks zien wij dat hoogopgeleide respondenten vaker aangeven dat ze geen individuele kosten zien in het gebruik van technologie maar geven ze doorgaans meer maatschappelijke kosten aan in de interviews. Kosten die meer werden aangekaart door hoogopgeleiden zijn: het inboeten van privacy, inefficiëntie en de afhankelijkheid van het gebruik van het CST. Bovendien is het nadeel van meer controle binnen de samenleving enkel aangehaald door hoogopgeleide respondenten. Lager opgeleide respondenten hebben eerder de neiging individuele kosten te zien in het gebruik van een technologie. Een kost die vaker wordt aangehaald door laagopgeleide respondenten is de toename van het aantal boetes voor GSM gebruik achter het stuur en de enige respondent die zei dat het  CST druk opvoert om zich te vaccineren, is een laagopgeleide respondent.  

Ondertussen is het duidelijk dat veel kosten voor respondenten sterk gelinkt zijn aan de specifieke technologie maar dat er ook enkele kosten zijn die van toepassing zijn op beide technologieën. In deze alinea worden enkel de resultaten van de algemene kosten besproken. Wanneer we kijken naar het aantal respondenten dat geen probleem ondervindt met een technologie, merken we op dat er geen duidelijke verschillen zijn tussen de respondenten die geïnterviewd zijn over het  Covid Safe Ticket (CST) en zij die geïnterviewd zijn over slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. Verwijzingen naar schending van de privacy worden voornamelijk aangehaald door respondenten die wij hebben geïnterviewd over het gebruik van  gsm-gebruik achter het stuurslimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. Geen enkele respondent heeft aangegeven een probleem te zien in toegenomen controle van de overheid wanneer het ging over het CST. 

5.2.2 Baten

We zullen eerst de baten bespreken respondenten aangeven in de interviews om nadien de focus te leggen op de baten van het gebruik van specifieke technologie en de invloed van verschillende variabelen zoals leeftijd, opleidingsniveau en geslacht. Er zal een onderscheid gemaakt worden tussen individuelen baten en maatschappelijke baten omdat dit ook in de interviews zo bevraagd werd. 

Acht respondenten zien geen maatschappelijke baten in het gebruik van de technologieën (R4, R5, R9, R10, R15, R23, R30 en R36). Het is op te merken dat ieder van deze respondenten  geïnterviewd is over het Covid Safe Ticket (CST) buiten R9. Drie van deze respondenten gaven aan geen individuele baten te zien in het gebruik van het CST (R4, R10 en R23). R9 gaf aan geen individuele baten te zien in het gebruik van slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. 

Één van de meest voorkomende individuele baten, die we ook terug zien bij de maatschappelijke baten, is het veiligheidsgevoel dat het gebruik van de technologie creëert. Dit werd door 16 van de 36 respondenten aangehaald (R1, R8, R12, R13, R16, R19, R20, R24, R25, R26, R27, R28, R30, R34, R35 en R36). Respondenten geven aan dat de positieve van het CST vooral is dat ze weer toegang krijgen tot de openbare ruimte. Dit werd door zeven van de 36 respondenten aangehaald als een individueel voordeel (R2, R7, R16, R21, R31, R35 en R36). De gebruiksvriendelijkheid van de technologie is door twee van de 36 respondenten aangehaald .Dit met betrekking tot het CST, omdat het makkelijk in gebruik zou zijn. (R14 en R16). 

25 van de 36 respondenten (R2, R3, R6, R7, R9, R11, R12, R13, R14, R15, R16, R17, R18, R19, R22, R24, R25, R26, R27, R28, R30, R31, R32, R33 en R34) vonden een veiligere maatschappij een belangrijk maatschappelijk voordeel. Het bevorderen van rechtvaardigheid wordt door drie van de 36 (R11, R22 en R32) respondenten gezien als een maatschappelijk voordeel van het gebruik van slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur.. Een laatste maatschappelijke baat dat aangehaald werd door vier van de 36 respondenten (R7, R14, R15 en R30)was de mogelijkheid van het heropenen van de sectoren tijdens de coronapandemie.

Als we kijken naar verschillen tussen mannelijke respondenten en vrouwelijke respondenten valt op dat meer vrouwelijke respondenten (16 van de 25) een veiligere maatschappij als voordeel zien dan mannelijke respondenten (slechts negen). Vrouwelijke respondenten lijken veiligheid dus belangrijker te vinden dan mannelijke respondenten op maatschappelijk vlak. Wanneer we kijken naar de individuele baten zien we dat het daar 50/50 verdeeld is. Acht mannelijke respondenten en acht vrouwelijke respondenten beschouwen veiligheid ook als een individueel voordeel.  Wanneer we dan naar de leeftijd kijken zien we dat vooral vrouwelijke respondenten tussen 18 en 65 jaar veiligheid heel belangrijk vinden. Deze verdeling is anders bij de mannelijke respondenten. Wij zien dat vooral jonge mannelijke respondenten veiligheid belangrijk vinden. Tenslotte kan ook nog een laatste onderscheid gemaakt worden op opleidingsniveau van de respondenten met betrekking tot het belangrijk vinden van veiligheid. 17 van de 25 respondenten die een veiligere maatschappij een belangrijk voordeel vinden zijn hoog opgeleid. Toch zien wij dat slechts vijf van de 16 hoog opgeleide respondenten veiligheid als een individueel voordeel beschouwen.

Verder gaven zes mannelijke respondenten (waarvan vier respondenten laag opgeleid zijn) en twee vrouwelijke respondenten (elks met een verschillend opleidingsniveau) aan geen maatschappelijke voordelen te zien in het gebruik van de technologieën. We merken op dat voornamelijk mannelijke respondenten aangeven geen individuele voordelen te zien in het gebruik van de bevraagde technologie. Vier van de vijf respondenten die aangeven geen individuele baten te zien in de het gebruik van de technologieën zijn mannelijke respondenten  waarvan twee respondenten hoog opgeleid zijn en twee respondenten laag opgeleid. De vrouwelijke respondent die aangeeft geen individuele baten te zien is ook laag opgeleid. 

Vier van de zeven respondenten die toegang tot een openbare plaats een belangrijk voordeel vonden, zijn vrouwen van middelbare leeftijd, de andere drie respondenten zijn mannen met een oudere leeftijd. Zo zegt R36 ‘’Awel, voor ons dat we overal kunnen binnen geraken hé. We tonen dat en we mogen passeren. Als je het niet hebt, word je buitengezet, denk ik.’’  R21 zegt dan weer ‘’Het voordeel is dat je zogezegd positief, nou ja negatief bent en dus dat je groen bent, dus dat je overal binnen mag’’.

Dit individueel voordeel hangt ook samen met het maatschappelijke voordeel dat benoemd is door  vier respondenten, namelijk dat door de introductie van het gebruik van Covid Safe Ticket verschillen soorten ondernemingen weer open konden gaan voor publiek. Van de respondenten die dit aankaartten zijn er drie vrouwelijk, laag opgeleid en van middelbare leeftijd. De andere respondent die dit aangaf was jong, mannelijk en hoog opgeleid.

5.2.3 Risico's

Van de 36 respondenten geven er 18 (R02, R03, R04, R05, R06, R07, R08, R09, R11, R12, R13, R16, R17, R18, R33, R34 en R35) te kennen afhankelijkheid van de technologie als een risico te aanschouwen dat in de toekomst zou kunnen gaan spelen. R35 haalt bijvoorbeeld aan ‘’we zijn voor een groot stuk al afhankelijk. Het laat een heel stuk toe’’ en ‘’ bepaalde restaurants vragen het ook niet en dan betrap ik mezelf erop er niet meer te willen komen, dat is ook afhankelijk worden van iets hé”.

Verder zijn er zes respondenten die misbruik door de overheid aanhalen als mogelijk risico (R02, R10, R13, R15, R28 en R30) en zes die misbruik door derden ook een mogelijk risico vinden (R05, R08, R13, R15, R16 en R27). R27 zegt bijvoorbeeld te denken dat mensen met slechte bedoelingen de camera’s zouden kunnen manipuleren en dat ze gehackt zouden kunnen worden. De overige zes respondenten gaven aan geen risico’s te zien (R01, R04, R08, R13, R17 en R25). Merk op dat er een overlap is met twee respondenten R8 en R13. Deze wisten eerst geen risico’s maar na verder nadenken hebben zij er toch kunnen opsommen.

5.3 Vertrouwen in de overheid

In deze sectie gaan we na hoe de respondenten de vragen rondom vertrouwen in de overheid hebben beantwoord. Hierbij hebben we gekeken naar hoe zij overheid juist interpreteren en in welke mate zij vertrouwen hebben in de overheid. We bekijken de verschillende achterliggende redenen waarom hun vertrouwen op dit niveau ligt. We maken hierbij een onderscheid tussen mannen, vrouwen, leeftijd, opleidingsniveau en onze twee gekozen technologieën namelijk het Covid Safe Ticket en slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur.

5.3.1 Interpretatie

Overheid is een overkoepelend begrip en wordt door veel mensen op verschillende manieren geïnterpreteerd. We zien dit ook terugkomen in de verschillende interviews. Zo werd tijdens het interview de vraag gesteld aan wat ze juist dachten bij het horen van het begrip overheid. Hierbij kregen we antwoorden als: “(…) Dan denk ik voornamelijk aan ministers. Alles wordt gestuurd door de politiek dus ook kantoren en dergelijke en alle overheidsinstanties.” (R23).

Wij constateren dat de meeste respondenten (R04, R07, R09, R23, R30, R33, R36) de overheid interpreteren als de ‘politiek’. Zo interpreteert respondent R33 de overheid eerder als de ministers en de federale ministers, waarbij ze voornamelijk denkt aan de mensen die ze terugziet op het journaal. We zien dat zes van de zeven respondenten die overheid interpreteren als politiek geïnterviewd werden over het Covid Safe Ticket. Er is niet echt een onderscheid hierin tussen hoogopgeleide respondenten of laagopgeleide respondenten. 

We zien ook dat vijf respondenten (R02, R06, R28, R31, R35) de overheid interpreteren als eerder verwijzend naar het grotere systeem. Zo interpreteert respondent R35 de overheid als heel onze maatschappij. Respondent R02 denkt vooral aan de administratieve diensten en niet zozeer aan de politieke geledingen van de overheid.  Tussen deze vijf respondenten zitten zowel respondenten die geïnterviewd zijn over de covid safe als de slimme camera’s. 

5.3.2 Mate van vertrouwen

Tijdens het interview werd aan de respondenten gevraagd hoe ze hun vertrouwen in de overheid zouden inschatten. We hebben dit later geherformuleerd naar vier niveaus van vertrouwen, namelijk: hoog, matig, laag vertrouwen of onbeslist. Als we de antwoorden bekijken zien we dat de grootste groep respondenten, 18 in totaal, een matig vertrouwen in de overheid heeft. De tweede grootste groep respondenten heeft een hoog vertrouwen in de overheid en telt negen respondenten. Zeven respondenten hebben een laag vertrouwen in de overheid. Tenslotte is er nog één respondent die niet echt een mening hierover had en dus ‘onbeslist’ is inzake het niveau van vertrouwen in de overheid. 

In de grootste categorie met matig vertrouwen zien we verschillende respondenten die aangeven dat ze niet per sé een laag niveau van vertrouwen hebben, maar ook niet hoog. Zo zien we dat R05 aangeeft dat ze vertrouwen heeft in de beslissingen van de overheid, maar er toch altijd met een kritische kijk mee omgaat omdat ze niet altijd even tevreden is met wat er beslist wordt. Respondent R12 vertelt dat ze een matig vertrouwen heeft omdat de overheidsactoren elkaar te veel tegenspreken. 

Wat opvalt aan de antwoorden is dat SARS-CoV-2 ook een invloed heeft op het vertrouwen van de respondenten. Zo zegt respondent R16: “(…) goh, ik vind dat een moeilijke vraag want eigenlijk voor heel de coronacrisis was dat best hoog eigenlijk. Allee ik ging daar echt vanuit dat die het beste voorhadden met iedereen. En dat is nu ook nog wel altijd zo. Ik ben niet iemand die super sceptisch is, maar ik stel mij wel meer vragen. Ik denk dat dat misschien wel bij iedereen, zo dankzij de coronacrisis er niet beter op geworden is.” (R16). Een andere respondent R14 geeft aan dat ze voor Covid, de overheid een 8/10 zou geven op een schaal, maar nu een 6/10. Dit zagen we ook terug in het onderzoek van G. Engbersen et al. (2021) waarin beschreven werd dat in oktober 2021, nog tijdens de Sars-Cov-2 pandemie, het percentage respondenten dat de landelijke Nederlandse overheid vertrouwd, gedaald is tot 29 procent en het percentage respondenten dat het RIVM en de GGD vertrouwd tot 61 procent. We zien dat 12 van de 18 respondenten die middelmatig vertrouwen aangeven vrouw zijn, daarnaast zien we ook dat 11 van de 18 respondenten hoog opgeleid zijn. Als we kijken naar de leeftijdscategorieën zien we dat acht van de 18 respondenten jong zijn.  

Er is ook nog de categorie met hoog vertrouwen waarin we tien respondenten hebben geplaatst. Zij geven aan dat hun vertrouwen in de overheid eerder hoog ligt. Zo vertelde respondent R02: “(…) Vrij hoog, vrij hoog. Ik denk dat uiteindelijk er minder slechte bedoelingen zijn bij beslissingen die genomen worden of besluiten die genomen worden dan vaak gezegd wordt. Ik stel dat nu ook vast met corona, ik denk dat de bedoelingen op zich goed zijn. Dat blijkt uit het beleid met corona, ook al kun je het nooit voor iedereen goed maken, ik stel vast dat ik eerder aan de kant sta van de mensen die het vertrouwen heeft in de overheid, terwijl ik ook heel veel mensen zie die echt geen vertrouwen meer hebben.” (R02). Ook respondent R27 geeft aan dat haar vertrouwen in de overheid redelijk hoog ligt en waarschijnlijk ook hoger ligt dan de gemiddelde persoon tegenwoordig, omdat ze voornamelijk uitgaat van het positieve in de mens en niet denkt dat de politiek slechte bedoelingen heeft. Als we kijken naar de eigenschappen van de respondenten in deze categorie dan zien we dat zes van de negen respondenten man zijn en vijf van de negen respondenten zijn hoog opgeleid. De leeftijdscategorieën zijn gelijk verdeeld. 

Ten slotte bekijken we ook de antwoorden op de categorie laag vertrouwen in de overheid. We zien dat SARS-CoV-2 meerdere keren werd aangehaald bij verschillende respondenten (R04, R14, R23, R26). Bijvoorbeeld respondent R23 zegt: “(…) Ik moet zeggen da het eerder laag is door corona ook omdat ik het ook vaak niet volledig eens ben met wat ze invoeren.”(R23). Een andere respondent R14 haalt ook aan dat ze in tijden van crisis altijd kritischer staat tegenover de overheid. Waarbij de respondent alles op zich laat afkomen en kritisch probeert te staan tegenover de dingen en algemeen een laag vertrouwen heeft in de overheid. In deze categorie zijn vier van de zes respondenten vrouw en vier bevinden zich ook in de middelste leeftijdscategorie. Er is geen onderscheid tussen hoog of laagopgeleide respondenten. 

Uit de interviews is ook gebleken dat het vertrouwen laag ligt bij enkele respondenten (R06, R10, R19, R25, R29, R30, R34) als het gaat over de huidige regering. Zo vertelt respondent R25: “(…) De huidige overheid is een hele rommelhoop en ze weten precies zelf niet goed wat ze doen. Alleen praten, dat kunnen ze goed. Maar hun oplossingen zijn altijd veel te laat en maar een doekje voor het bloeden. Ze doen niet genoeg voor hun volk.”(R25). Een andere respondent R29 haalt aan dat ze denkt dat politici eigenlijk gewoon hun zakken willen vullen en ze dus geen vertrouwen in hen heeft. 

5.3.3 Factoren voor het vertrouwen

Tijdens het interview hebben we proberen te achterhalen waarom het vertrouwen van de respondenten op het genoemde niveau ligt en of zaken moeten aangepast worden aan de overheid waardoor hun vertrouwen zou kunnen verhogen. Tijdens het coderen hebben we de gegeven antwoorden onderverdeeld in drie sub codes, namelijk integriteit, bekwaamheid en inspraak van de bevolking. 

Uit de interviews is gebleken dat transparantie en bekwaamheid van de politici de belangrijkste zaken zijn dat het vertrouwen van respondenten in de overheid beïnvloeden. Zo hebben 11 respondenten transparantie aangehaald. Zo vertelt respondent R05: “(…) helderheid, doorzichtigheid en ja, klaarheid, waarom doen ze dit, is dat goed beslist wie is diegene die daar de beslissing neemt, is dat in overleg gebeurd en kan ik daar iets tegen doen, is daar mogelijkheid om daartegenin te gaan, ja zodanig dat, allee hoe zeg je dat, ja, die helderheid.”(R05). Een andere respondent R06 haalt aan hoe belangrijk transparantie is voor vertrouwen te creëren en dat politici transparant moeten zijn in de communicatie naar buiten toe. Als we kijken naar de eigenschappen van deze categorie zien we dat zeven van de 11 respondenten vrouwen zijn en zes van de 11 respondenten hoog opgeleid is. Er is geen opvallend verschil bij de leeftijdscategorieën. 

Naast transparantie zien we ook dat 14 respondenten bekwaamheid aanhaalde als reden voor vertrouwen. Zo haalt respondent R06 aan dat haar vertrouwen daalt doordat intelligente politici hun intelligentie soms verkwanselen voor hun eigenbelang en dus niet hun bekwaamheid inzetten voor de burgers.  Een andere respondent, R07, haalt dan weer aan dat haar vertrouwen in de overheid net verhoogt omdat de mensen die werken voor de overheid kennis van zaken hebben en zich verdiepen in de materie. Ze vindt hen bekwamer voor het desbetreffende werk dan zichzelf. In deze categorie zijn acht van de 14 respondenten mannen en zeven van de 14 respondenten is hoog opgeleid. De grootste leeftijdscategorie is die van 50 jaar en ouder met zes respondenten. 

Ten slotte heb je ook enkele respondenten (R04, R07, R10, R26, R34) die een consequent beleid belangrijk vinden. We zien weeral dat Sars-Cov-2 hier meerdere keren vermeld wordt in de antwoorden. Bijvoorbeeld respondent R34 vertelt ons: “(…) éénlijnig werken. Ofwel mondmasker, ofwel geen mondmasker. Ofwel alles open mét mondmasker, ofwel niets open, maar geen mondmasker. Niet dat gedoe van geen mondmasker en alles open. Dan krijgen wij die vierde golf natuurlijk hè”. In deze categorie zien we dat drie van de vijf respondenten vrouw zijn en vier van de vijf respondenten laag opgeleid is. Respondenten (R05, R08, R14, R23, R30, R31) haalde ook aan dat ze het belangrijk vinden dat er ook naar de burgers geluisterd wordt. Zo haalt respondent R14 aan dat ze het belangrijk vindt dat er communicatie is langs beide kanten. Dat betekent dat burgers ook inspraak krijgen, niet per se in de eindbeslissing, maar wel in het proces van bepaalde beslissingen. In deze categorie zijn vijf van de zes respondenten vrouw en vier van de zes is hoog opgeleid. 

We kunnen dus concluderen dat de respondenten verschillende antwoorden hebben gegeven op waarom zij meer of minder vertrouwen hebben in de overheid en hoe zij de overheid interpreteren. 

5.4 Vertrouwen in de overheid in relatie tot de technologie 

In deze sectie bespreken we vertrouwen in de overheid met betrekking tot de casus van onze technologie. We vragen hier naar het vertrouwen van de respondenten met betrekking tot de regulering van technologie door de overheid. Tijdens het interview bespraken we de mate van vertrouwen in de overheid als regulator, maar ook de redenen die de mate van vertrouwen beïnvloeden. 

5.4.1 Overheid als regulator

Wij hebben de respondenten ingeschaald in vier vertrouwensniveaus namelijk: laag vertrouwen, matig vertrouwen, hoog vertrouwen en onbeslist. De helft van de respondenten heeft een hoog vertrouwen in de overheid als regulator. Er zijn ook vijf respondenten die een matig vertrouwen hebben in de overheid als regulator en vijf respondenten die vallen binnen de categorie met laag vertrouwen. Als we kijken naar de groep respondenten met een hoog vertrouwen in de overheid als regulator dan zien we dat de meeste respondenten ervan overtuigd zijn dat de overheid betrouwbaar genoeg is om deze technologie te reguleren. Zo vertelt respondent R26: “(…) Ja, Wat kunnen die daar nu mis mee doen hé. Ja wat zijn die daar achteraf mee he.”(R26). Een andere respondent R03 vertelt dat ze gelooft in de democratie en onze overheid helemaal niet ziet als corrupt en dus ook genoeg vertrouwen heeft. 

Acht respondenten die werden geïnterviewd over de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur en tien respondenten die werden geïnterviewd over de Covid Safe Ticket hebben een hoog vertrouwen in de overheid als regulator. We zien ook dat 12 van de 18 respondenten binnen deze groep vrouw is en 11 van de 18 respondenten zijn laaggeschoold. 

Vijf respondenten (R06, R18, R22, R27, R30) hebben een matig vertrouwen in de overheid als regulator. Respondent R30 vertelt: “(…) Ik hoop dat ik dat kan vertrouwen. Je gaat altijd uit van het goede in een mens eh. Dat kan ook heel snel omkeren en ze kunnen zoiets ook heel snel tegen u gebruiken. Je moet er ook wel gewoon een beetje vertrouwen in hebben anders kan je helemaal paranoia worden enz. Als je denkt dat die beginnen met u te track en tracen en zien waar je zit enz. Ergens hoopt je dat die dat niet doen.” (R30). De respondent heeft dus geen laag vertrouwen tegenover de overheid, maar ze heeft ook nog haar twijfels.  Vier van de vijf respondenten met een matig vertrouwen in de overheid als regulator zijn geïnterviewd over slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. 

Van onze respondentengroep zijn er vijf respondenten (R15, R19, R28, R29, R31) die een laag vertrouwen hebben in de overheid als regulator. Dit komt volgens R15 doordat de overheid zijn eigen wetten maakt, maar die niet volgt. Een andere respondent (R28) vertelt: “(…) Nee, omdat ik gewoon in het verleden al te veel voorbeelden heb gezien van zaken die initieel voor iets goed gebruikt moesten worden en dan misbruikt zijn voor iets anders. Op een bepaald moment moet je gewoon nee zeggen, want anders ga je stap je voor stapje heel uw privacy afgeven. Een voorbeeld: streetview is heel handig, maar dan gaan we naar camera's op de wegen en dan misschien echt zo een Chinees systeem van punten enz. Ik heb niet de schrik dat ze dit direct gaan invoeren, maar het kan wel het uiteindelijke resultaat zijn die stap je voor stapje bereikt kan worden. Ik zeg dan liever sneller nee. Privacy is ook wel één van de basisrechten die wij hebben dus die mag ook niet zomaar met de voeten getreden worden.”(R28). Drie van de vijf respondenten die een laag vertrouwen in de overheid als regulator hebben, werden geïnterviewd over slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. Vier van de vijf respondenten die een laag vertrouwen in de overheid als regulator hebben zijn jong.

Wij concluderen dat respondenten die geïnterviewd zijn over de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur iets kritischer staan tegenover het reguleren van de technologie door de overheid. Jongere respondenten lijken relatief minder vertrouwen in de overheid als regulator te hebben dan respondenten van andere leeftijdscategorieën.

5.4.2 factoren voor vertrouwen in overheid als regulator

Door ons is aan de respondenten gevraagd naar de redenen die voor hen de mate van vertrouwen in de overheid als regulator beïnvloeden. Negen respondenten geven aan dat zij erop vertrouwen dat de overheid niet in het eigen belang handelt, en dat als dat wel zou gebeuren dat hun mate van vertrouwen in de overheid als regulator zou beïnvloeden. Deze negen respondenten gaven antwoorden zoals: “(…) Ja, dat zal wel voor de veiligheid zijn. Zij zullen hier ook wel de juiste beslissingen pakken zeker.”(R11). Een andere respondent (R24) vertelt ons dat ze vertrouwen heeft in de overheid als regulator omdat ze niet weet waarom de overheid deze rol zou misbruiken. Vijf van de negen respondenten die aangeven dat zij denken dat de overheid in haar rol als regulator niet in haar eigen belang handelt is vrouwelijk. Van deze negen respondenten zijn er vijf hoog opgeleid, en hebben er vier een lage opleiding genoten. Vier van deze negen respondenten hebben een jonge leeftijd, drie respondenten hebben een middelmatige leeftijd en twee respondenten hebben een oude leeftijd.

Een groep van vijf respondenten heeft een matig vertrouwen in de overheid als regulator, zoals R09. Zij vertelt ons dat ze vreest voor de toekomst. Het besef tussen goed en kwaad is, volgens R09, niet meer op dezelfde manier voor handen als 50 jaar geleden. Een andere respondent, R18, vertelt ons dan weer dat ze vertrouwen heeft in overheid als regulator zolang de gereguleerde techniek voor het juiste doeleinde wordt gebruikt. Vier van de vijf respondenten die een matig vertrouwen in de overheid als regulator hebben zijn hoog opgeleid. Wij zien geen opvallend verschil in leeftijd, geslacht en opleidingsniveau binnen deze respondentengroep. 

De groep respondenten die een laag vertrouwen heeft in de overheid als regulator bestaat uit drie (R21, R22, R29) respondenten. Zij geven soms expliciet aan dat zij denken dat de overheid misbruik kan gaan maken van een technologie. Zo vertelt R22 ons dat ze durft te geloven dat de overheid misbruik gaat maken van onze gegevens. Enkele respondenten (R10, R22, R28, R31, R34) haalden ook aan dat ze mogelijks bang zijn voor hun privacy. Zo vertelt R31: “(…) Ik weet niet wat ze gaan doen met die gegevens en dat hebben ze ook nooit uitgelegd van, ik weet niet. Ze kunnen nu alles doen, ze weten waar dat je eet, maar het is niet dat ik er schrik voor heb. Ik heb gewoon geen vertrouwen, maar het is ook niet zo dat ik er schrik voor heb.” (R31). Wij zien geen onevenwichtigheden als wij deze respondentengroep verdelen naar de beide bevraagde technologieën.

5.4.3 Verdere uitbreiding van de technologie

We hebben de respondenten gevraagd of zij denken dat de technologie in de toekomst ook voor andere toepassingen gebruikt zou kunnen worden. Van de 36 respondenten die de vraag beantwoord hebben, denken 15 respondenten (R03, R04, R10, R11, R12, R13, R14, R17, R22, R24, R29, R30, R31, R33, R34) van wel. Zo vertelt respondent R03 ons: “(…) Awel ja, dat denk ik wel en daarom dat ik er ook bang van ben. Ik denk dat het onvermijdelijk is dat die voor andere dingen gebruikt gaan worden, maar dan weet ik niet of ik er nog akkoord mee ga.”. R10 zegt: “(…) Ja, ongetwijfeld ja. Denk dat dat in het verleden ook al is gebeurd. Dat men mensen markeert en gaat beslissen wat mag en niet mag, dat is al eeuwenoud. Soms was het heel gemakkelijk en was het op huidskleur en hebben we dat nu allemaal verworpen denk ik. Alleen gaat dat misschien terugkomen op een andere manier.” (R10). Er is hierbij niet echt een onderscheid tussen de respondenten (R03, R11, R13, R17, R22, R24, R29, R34) die geïnterviewd werden over de slimme camera's die controleren op gsm-gebruik achter het stuur en respondenten (R04, R10, R12, R14, R30, R31, R33) die geïnterviewd zijn over het Covid Safe Ticket. We zien dat tien van de 15 respondenten binnen deze categorie vrouwelijk zijn en acht van de 15 respondenten zijn hoog opgeleid. De grootste leeftijdscategorie is die van de jongeren met zeven respondenten. 

Er waren ook vier respondenten (R07, R08, R20, R23) die denken dat er geen uitbreiding komt van de technologie. Zo verteld respondent R23: “(…) Dat zal de toekomst uitwijzen. Ik denk het niet want zoals ik al zei beschikt de overheid over informatie ongeacht het covid safe ticket dus.” (R23). Drie van de vier respondenten die denken dat er geen uitbreiding komt werden geïnterviewd over het Covid Safe Ticket Alle respondenten binnen deze categorie zijn vrouw en drie van de vier bevinden zich in de middelste leeftijdscategorie. 

5.5 Vertrouwen in de wetenschap

Om het vertrouwen van respondenten in de wetenschap te kunnen classificeren hebben wij gebruik gemaakt van een schaal die de volgende labels bevat: hoog vertrouwen, matig vertrouwen en laag vertrouwen. 27 respondenten (R01, R02, R03, R04, R05, R06, R08, R10, R11, R12, R13, R14, R15, R16, R17, R20, R21, R22, R24, R26, R27, R28, R31, R33, R34, R35, R36) hebben wij ingeschaald als respondenten met een hoog vertrouwen in de wetenschap. Deze respondenten hebben expliciet aangegeven dat ze een hoog vertrouwen hebben in de wetenschap. Acht respondenten (R07, R09, R18, R19, R23, R25, R30, R32) hebben wij ingeschaald als respondenten met een matig vertrouwen in de wetenschap. Zij gaven immers aan vertrouwen te hebben in de wetenschap, maar uitten twijfels aangaande bepaalde disciplines en of opdrachtgevers van de wetenschap. 1 respondent (R29) hebben wij ingeschaald als respondent met een laag vertrouwen in de wetenschap, omdat deze respondent dat expliciet aan heeft gegeven. 

Opgemerkt moet worden dat volgens Mastroianni (2008) het publiek zijn vertrouwen in wetenschap kan tonen door in hoge mate zelf mee te werken aan wetenschappelijk onderzoek. Dit kan mede verklaren waarom een relatief groot deel van onze respondenten (27 op 36) een hoge mate van vertrouwen heeft in de wetenschap, aangezien onze respondentengroep bestaat uit personen die allemaal actief meewerken aan een wetenschappelijk onderzoek, namelijk het onderzoek waar u nu het rapport van leest.  Van de vijf respondenten die actief, hetzij als wetenschapper, als student of als respondent mee hebben gewerkt aan ander wetenschappelijk onderzoek gaven er drie (R04, R06, R08) aan een hoge mate van vertrouwen in de wetenschap te hebben. Twee respondenten (R19, R23) die actief mee hebben gewerkt aan ander wetenschappelijk onderzoek hebben een gematigd vertrouwen in de wetenschap. 

Wij hebben 19 respondenten gevraagd of ze evenveel vertrouwen hebben in wetenschap in opdracht van publieke instellingen tegenover wetenschap in opdracht van particuliere bedrijven. Vijf respondenten (R03, R04, R08, R10, R11) geven aan dat zij wetenschap gedaan in opdracht van publieke instellingen evenveel vertrouwen als wetenschap gedaan in opdracht van particuliere bedrijven, vanwege de wetenschappelijke methode die men vertrouwt. 14 respondenten geven aan dat het niveau van vertrouwen lager ligt bij wetenschap in opdracht van particuliere bedrijven dan bij wetenschap in opdracht van publieke instellingen. Het feit dat bedrijven winst willen maken is voor zeven respondenten (R02, R03, R06, R09, R10, R17, R18) een reden om wetenschap in opdracht van bedrijven minder te vertrouwen. Respondent R06 geeft dit als volgt weer: “(…) Ja, uiteindelijk is daar het maken van winst voor een aantal bedrijven, ik denk zelfs niet allemaal, want er zijn een aantal bedrijven die tegenwoordig heel ethisch en duurzaam willen, uh, functioneren, mar als winstbejag groter wordt, dan kunnen bepaalde wetenschappelijke bevindingen misbruikt worden, daar ben ik zeker van” (R06). Twee respondenten (R07 en R19) gaven aan dat ze minder vertrouwen hebben in wetenschap in opdracht van bedrijven omdat, volgens hen, deze wetenschap eerder gericht is op wat de opdrachtgever wenst en daardoor ook minder transparant kan zijn over de gebruikte methoden en de gevonden resultaten. 

“ (…) Maar er wordt ook veel onderzoek bedreven binnen bedrijven. Dat is een andere wereld, daar heerst een andere dynamiek. Ik denk dan aan Facebook, Google en Amazon daar wordt heel veel onderzoek gedaan, heel veel technologie ontwikkeld maar dat is allemaal niet echt transparant en die hebben dan ook veel, maken waarschijnlijk ook veel gebruik van artificiële intelligentie toepassingen en daar zie ik dus een onderscheid. Want daar ligt mijn vertrouwen helemaal niet hoog om niet perse om wat ze ontwikkelen want dat zal werken, maar ja het is allemaal heel verborgen in zeker mate en dat verandert de situatie” (R19).

Van de 16 mannelijke respondenten, hebben er elf een hoog vertrouwen in de wetenschap en vijf een middelmatig vertrouwen in de wetenschap. Van de 21 vrouwelijke respondenten er 16 een hoog vertrouwen in de wetenschap, vier een middelmatig vertrouwen in de wetenschap en één een laag vertrouwen in de wetenschap.  

Het door Huber, Barnidge, et al. (2019) gestelde, namelijk dat het volgen van een hogere opleiding in een positief verband staat met vertrouwen in de wetenschap wordt door onze studie bevestigd. Van de 20 respondenten die hoger opgeleid zijn, geven er 16 aan een hoog vertrouwen in de wetenschap te hebben, waar dit in de gehele respondentengroep van 36 respondenten bij 27 respondenten het geval is.  Vier hoger opgeleide respondenten hebben een matig vertrouwen in de wetenschap. Deze verdeling ligt bij de lager opgeleide respondenten aanmerkelijk anders, immers van de 17 lager opgeleide respondenten hebben er 11 een hoog vertrouwen in de wetenschap, vijf een matig vertrouwen in de wetenschap en één een laag vertrouwen in de wetenschap. Dit staaft ook de theorie van Achterberg et al. (2017) dat de wetenschapskloof het grootst is onder de lager opgeleiden. Een aantal hoger opgeleide respondenten geeft ook aan dat zij veel vertrouwen hebben in de wetenschappelijke methoden, ook omdat zij daar bekend mee zijn. Zo geeft R19 aan: “(…) Uhm, nee niet perse. Ik heb een redelijk hoog vertrouwen in de wetenschappelijke methode die met name zich bij de exacte wetenschappen heel erg toont en bij de sociale wetenschappen is dat al moeilijker” (R19). Respondenten R06, R15, R18, R19 en R20 geven aan dat ze meer vertrouwen hebben in de methoden van de exacte wetenschap dan in de methoden van de sociale wetenschap. 

Dit staaft ook de theorie van  Roberts et al. (2013) dat goed geïnformeerde burgers relatief meer vertrouwen hebben in de wetenschap. De mate waarin respondenten de wetenschap vertrouwen wordt beïnvloed door de mate waarin over wetenschap gecommuniceerd wordt. Respondenten R09, R10, R13, R14, R19, R21 en R30 geven aan dat de meer communicatie over wetenschap bij hen ook leidt tot een hoger vertrouwen in de wetenschap. Respondent R31 verwoordt dit op volgende wijze: “(…) En weet ge ook waarom dat ge juist die meer vertrouwt? A: Omdat ja ge hoort er meer over. Ge hoort er meer over en dat heeft ook direct invloed op mijn leven allee. Dus dan vertrouwt ge da meer omdat ge ja, ge houdt u er meer mee bezig” (R31).

Uit een analyse van de afgenomen interviews komt naar voren dat respondenten die een hoog vertrouwen in de wetenschap hebben ook vaker voorbeelden aangeven waaruit voor hen blijkt dat wetenschap voor vooruitgang heeft gezorgd. Naast de vooruitgang in technologie voor consumenten wordt de vooruitgang in de geneeskunde genoemd. 

5.6 Vertrouwen in de technologie-specifieke wetenschap

Binnen onze respondentengroep lijkt een hoog vertrouwen in de wetenschap sterk overeen te komen met een hoog vertrouwen in de wetenschap aangaande zowel het Covid-Safe-Ticket als aangaande slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur 26 van de 27 respondenten die een hoog vertrouwen in de wetenschap hebben, hebben een hoog vertrouwen in de wetenschap aangaande de in de interviews aangehaalde specifieke technologie. Van de acht respondenten die een matig vertrouwen in een de wetenschap hebben, geven er vijf aan een hoog vertrouwen te hebben in de wetenschap aangaande de specifieke technologie. Dit is een resultaat dat geheel in lijn ligt met de constatering van Resnik (2011) dat een hoger vertrouwen in de wetenschap in het algemeen leidt tot een hoger vertrouwen van de wetenschap achter een bepaald product. 

Jongere respondenten die een hoog vertrouwen hebben in de wetenschap aangaande een technologie refereren soms naar de ervaringen die zij zelf op doen met de wetenschap tijdens hun studie of school. Ouderen die een hoge mate van vertrouwen hebben in de wetenschap aangaande een technologie refereren meer naar kennis vernomen via de media. Hoger opgeleide respondenten geven vaker aan de wetenschappelijke methoden te kennen, maar bij hen zien we meer onderbouwde twijfels bij met name de wetenschap aangaande de slimme camera’s. Het niveau van vertrouwen in de wetenschap lijkt bij lager opgeleiden ongeveer even hoog te liggen als bij hoger opgeleiden, maar bij hen zien we vaker dat een hoog of laag vertrouwen in de wetenschap in het algemeen niet afwijkt van de mate van vertrouwen in de wetenschap aangaande een techniek, er is minder nuance. 

De respondenten die wij geïnterviewd hebben over de wetenschap aangaande het Covid Safe Ticket hebben een hogere mate van vertrouwen in die wetenschap dan de respondenten die wij geïnterviewd hebben over slimme camera’s. Respondenten R13, R14, R19, R21, R30 en R31 hebben aangegeven dat meer transparantie en open communicatie bij hen ook leidt tot een hogere mate van vertrouwen in de wetenschap in zijn algemeenheid en aangaande een specifieke technologie. Tijdens de coronacrisis zijn veel virologen in de media aan het woord geweest over het gebruik van het Covid Safe Ticket. Respondent R10 geeft aan dat dat heeft geleid tot miscommunicatie: “(….) Het probleem is daar ook communicatie, ik denk als je nu de experten, de virologen te goed naar luistert dat die wel duidelijk zeggen waar het op staat. Dat het niet heilig makend is. Ja, moet ik eerlijk zijn het corona verhaal volg ik al langer niet meer dus. Ik ben door miscommunicatie ervan weg. Ik denk wel dat virologen zeggen dat het virus overdraagbaar is ondanks dat ge gevaccineerd bent. Eh ik denk wel dat dat duidelijk wordt gecommuniceerd, dus ik geloof wel dat zij daar wel transparant in zijn” (R10).

Communicatie over wetenschap aangaande een technologie leidt dus tot een hoger vertrouwen, maar indien veel gecommuniceerd wordt kan tegenspraak tussen wetenschappers leiden tot een daling in het vertrouwen in de wetenschap.

Gevraagd naar hetgeen respondenten een reden vinden om wetenschap meer te vertrouwen, komt bij veel respondenten naar voren dat het voor hen uitmaakt of de wetenschap leidt tot positieve maatschappelijke ontwikkelingen, waarbij vooral de voortschrijdende medische inzichten en de verbeterde ICT-technologie worden genoemd. Vooral respondenten die een hoge mate van vertrouwen in de wetenschap met betrekking tot een technologie hebben, weten dat te koppelen aan een positief doel van die technologie zelf, zo was het doel van het Covid-Safe-Ticket voor R26 volstrekt duidelijk; dat ging “(…) om het voorkomen van besmettingen met corona” (R26). Andere respondenten gaven aan dat het doel van het Covid-Safe-Ticket het stimuleren van het nemen van een vaccin tegen corona, hetgeen voor hen een positief doel was. Een gepercipieerde positieve invloed op de maatschappij door de inzet van een techniek draagt bij aan een hoger vertrouwen in de wetenschap. 

Communicatie over de wetenschap aangaande de techniek lijkt voor de, met name lager opgeleide, respondenten niet bij te dragen aan meer of minder vertrouwen in de wetenschap aangaande die techniek. Communicatie en transparantie over de mogelijkheden en de inzet van die techniek zelf lijkt voor hen wel van belang. Hoger opgeleide respondenten hebben meer kennis van de wetenschappelijke methodologie en voor hen is het aangewezen dat de wetenschappers transparant zijn, zodat zij eventueel na kunnen zoeken hoe de wetenschap ergens toe is gekomen. Meer communicatie over wetenschap aangaande een technologie lijkt niet te leiden tot meer vertrouwen in de wetenschap aangaande die technologie, het tegengestelde kan zelfs het geval zijn wanneer verschillende wetenschappers iets anders communiceren. Transparantie daarentegen draagt volgens enkele respondenten wel bij tot een hogere mate van vertrouwen in de wetenschap aangaande een technologie. 

Veel respondenten lijken de doelen van de wetenschap aangaande een specifieke technologie te vereenzelvigen met de door hen veronderstelde doelen die een gebruiker van die technologie zou hebben. Dit constateren wij zowel bij de respondenten die wij geïnterviewd hebben over het Covid Safe Ticket als over slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur. Op de vraag: “Zijn de doelen van de wetenschappers duidelijk,” antwoord R13: “(…) Dat denk ik wel ja. Ik denk wel dat die dat ook voor andere doeleinden zullen gebruiken maar niet, dus euh… dat de officiële doeleinden duidelijk zijn? Sorry het is vroeg (lacht). Ja de officiële doeleinden zullen wel duidelijk zijn maar ook de niet- officiële doeleinden (lacht) zullen voor hen ook heel duidelijk zijn. Ik denk dat ze goed weten voor wat ze dat achteraf nog allemaal willen gebruiken, dat ze daar zeker wel over zitten speculeren en dat ze zelf wel goed weten van dat we dit voor officiële doeleinden zullen gebruiken maar we zullen dat ook voor dit en dat gebruiken. Ik ben zeker dat ze dat weten ja” (R13) Respondenten spreken vaak over de technologie zelf en niet zozeer over de wetenschap aangaande die technologie. 

5.7 Vertrouwen in technologie

In het concept van vertrouwen in technologie moeten we een duidelijk onderscheid maken tussen vertrouwen in Big Data (BD) en Artificiële Intelligentie (AI). In wat volgt zullen we apart de twee technologieën bespreken, analyseren, conceptualiseren en de mate van vertrouwen bespreken alsook de bijhorende factoren die het vertrouwen beïnvloeden.

In dit kwalitatief onderzoek definiëren wij Big Data als gigantische gegevensverzamelingen (datasets) waarbij de gegevens direct of indirect verband hebben met privégegevens van personen. Deze definitie werd grotendeels bevestigd door het merendeel van de respondenten. Opmerkelijk is dat de meerderheid van de respondenten Big Data in verband brengt met gepersonaliseerde reclame op sociale media. Verder wordt ook kenmerken zoals “digitale persoonlijkheid” (R15) waarbij de respondent verwijst naar een digitale identiteit dat online wordt geregistreerd. Big Data gaat ook volgens respondent R14 over “marketing” waarbij een bedrijf persoonlijke informatie gebruikt om de verkoop van een product te bevorderen. Opmerkelijk is dat er zeven van de 18 respondenten niet in staat zijn om zelf een definiëring te formuleren. Zo beschreef respondent R35 Big Data als volgt: “Big Data is heel veel eigenlijk data verzamelen en dan op grond daarvan naar bijvoorbeeld euh… ja gepersonaliseerde reclames sturen”. 

Om het niveau van vertrouwen in Big Data te meten maken wij gebruik van de volgende schaal die ook wordt gebruikt bij Artificiële intelligentie en bij het vertrouwen in de technologie (specifiek): hoog matig, laag en onbeslist. De variabele ‘onbeslist’ wordt gebruikt wanneer een respondent duidelijk zichzelf tegenspreekt bij het bespreken van zijn of haar niveau van vertrouwen of wanneer de respondent duidelijk aangeeft niet te weten in welke maten hij of zij Big Data vertrouwt. Een belangrijke opmerking die ook van toepassing is op de schaal die gebruikt wordt bij AI en bij het vertrouwen in de technologie is dat niet elke respondent is ingegaan op de vraag of geen duidelijk antwoord heeft geformuleerd waardoor niet elke respondent is opgenomen in deze schaal.

Uit deze analyse blijkt dat twee op de 18 respondenten een hoog vertrouwen heeft in Big Data, één op de 18 respondenten een matig vertrouwen heeft en negen op de 18 respondenten een laag vertrouwen heeft. Bovendien zijn er drie op de 18 respondenten onbeslist en drie op de 18 respondenten zijn niet meegerekend in deze schaal omdat ze niet in staat waren in te gaan op de vraag of geen duidelijk antwoord hebben geformuleerd. 

Wanneer we dieper ingaan op geslacht blijkt dat enkel vrouwelijke respondenten hebben aangegeven dat ze een hoog niveau van vertrouwen hebben in BD, één mannelijke respondent geeft aan een matig niveau van vertrouwen te hebben en zes vrouwen, tegenover drie mannen, geven aan een laag vertrouwen te hebben in Big Data. Bovendien zijn twee vrouwelijke respondenten en één mannelijke respondent onbeslist. Van de drie respondenten die niet zijn opgenomen in deze schaal zijn twee op drie vrouwelijk, twee op drie oud (waarvan de derde respondent van middelbare leeftijd) en twee op drie laag opgeleid.

Als we kijken naar het opleidingsniveau zien we een sterk contrast. Respondenten met een laag niveau van vertrouwen zijn voornamelijk hoogopgeleid. Zo blijkt dat zes van de negen respondenten met een laag vertrouwen hoogopgeleid zijn en drie respondenten laag opgeleid. Bij de categorie hoog vertrouwen bestaat er geen verschil tussen opleidingsniveau en de respondenten die onbeslist zijn allemaal laag opgeleid.

Als we verder ingaan op de factoren die het vertrouwen in BD beïnvloeden wordt vooral “gepersonaliseerde reclame” (R02, R05, R07, R10, R17, R30, R31) aangehaald waarbij BD wordt gebruikt voor het maken van reclame aangepast aan het individu waarbij dit het vertrouwen van de respondent zowel positief als negatief kan beïnvloeden. Een tweede factor is de “sturing door de overheid” (R02, R04, R10, R14, R15, R16, R23) waarbij de rol van de overheid als regulator van BD wordt aangehaald. Deze factor heeft bij een merendeel van de respondenten een positief effect op het vertrouwen in deze technologie. Ten derde, het “gebruik van cookies” (R02, R04, R07, R14, R16) speelt een belangrijke factor in het vertrouwen van deze technologie. Cookies verwijzen naar de hoeveelheid data die een server naar een webbrowser stuurt met de bedoeling dat dit opgeslagen wordt en waarbij de server bij een later bezoek de browser herkent. Deze factor heeft een negatief effect op het vertrouwen van de respondenten in BD. Het “anoniem omgaan met persoonlijke data omtrent Big Data” (R05, R15), dat zowel een positief als negatief effect heeft op vertrouwen, “Transparantie over het gebruik van Big Data” (R04, R05), dat een positief effect heeft op het vertrouwen, en “de persoonlijke voordelen van Big Data” (R10), dat ook een positief effect heeft op het vertrouwen in BD, worden minder frequent aangehaald als belangrijke factoren. Zo geeft respondent R23 aan dat sturing door de overheid een belangrijke factor is: “[Big Data] is al meer gecontroleerd door de overheid en daar denk ik dat je al wat meer beschermd bent”.

Artificiële intelligentie daarentegen definiëren we als kunstmatige intelligentie dat betrekking heeft op systemen of machines die onze eigen intelligentie nabootsen om taken uit te voeren en die zichzelf tijdens dat proces kunnen verbeteren op basis van de vergaarde informatie. Net zoals bij Big Data wordt deze definitie bevestigd door een groot deel van de respondenten. Opmerkelijk is dat het door veel respondenten wordt gelinkt aan een machine of systeem dat zelf nadenkt. Andere kenmerken van AI die respondenten aanhalen zijn bijvoorbeeld “technologie dat op zichzelf iets kan maken” (R18) en “computergestuurde analyses” (R19).

We gebruiken dezelfde schaal als bij Big Data om het vertrouwen in AI te meten. Ook hier wordt de variabele ‘onbeslist’ gebruikt wanneer een respondent duidelijk zichzelf tegenspreekt bij het bespreken van zijn niveau van vertrouwen of wanneer de respondent duidelijk aangeeft niet te weten in welke mate hij of zij AI vertrouwt. Uit deze analyse blijkt dat zes op de 18 respondenten een hoog niveau van vertrouwen heeft in AI, twee op de 18 van de respondenten een matig vertrouwen heeft en drie op de 18 een laag niveau van vertrouwen heeft. Bovendien zijn vijf op de 18 respondenten onbeslist en zijn er twee respondenten niet opgenomen in deze schaal. 

Als we het niveau van vertrouwen analyseren van de respondenten op basis van geslacht, opleidingsniveau en leeftijd zien we opmerkelijke resultaten. Geslacht en leeftijd speelt geen belangrijke rol op het niveau van vertrouwen in AI. Opleidingsniveau blijkt wel een belangrijke rol te spelen. Zo blijkt dat vier van de zes respondenten die een hoog vertrouwen hebben laag opgeleid zijn, de twee respondenten die een matig vertrouwen hebben zijn beide hoog opgeleid en twee van de drie respondenten met een laag vertrouwen zijn hoog opgeleid. Bovendien zijn drie van de vijf respondenten die onbeslist zijn hoog opgeleid. 

Als we dieper ingaan op de achterliggende factoren die het vertrouwen in AI beïnvloeden wordt vooral “het gebruik van AI door commerciële bedrijven” (R03, R06, R09, R19, R26, R28) aangehaald waarbij we kunnen spreken van een negatief effect op het vertrouwen van respondenten in AI. Ten tweede, “privacy” (R03, R08, R22 R27) is ook een genoemde reden waarbij de respondenten aangeven dat het gebruik van AI een inbreuk is op hun privacy of door een sterk privacy beleid meer vertrouwen kunnen hebben in deze technologie. Deze factor kan zowel een positief als negatief effect hebben op het niveau van vertrouwen in AI. Ook de “rol van de overheid” (R04, R19, R22, R27, R28, R32) wordt door enkele respondenten aangehaald als een belangrijke factor. Als een overheid deze technologie sterk reguleert en controleert kan dit een positief effect te weeg brengen in het vertrouwen van burgers in deze technologie. Anderzijds kan dit ook een negatief effect hebben op het vertrouwen van burgers als een overheid deze technologie niet streng controleert en reguleert. “Media-aandacht over AI” (R08) dat zowel een negatief als positief effect kan hebben op het vertrouwen van een individu, “persoonlijke ervaringen met AI” (R18) dat een positief effect heeft op het vertrouwen en “persoonlijke voordelen dat men uit AI haalt” (R24) dat ook een positief effect heeft op het vertrouwen, zijn voor enkele respondenten een belangrijk gegeven in hun vertrouwen. In de antwoorden van de respondenten zien we enkele gelijkenissen met het model van Huijts et al. (2012) waarbij er ook een correlatie bestaat tussen de eigen ervaring en persoonlijke voordelen op vlak van vertrouwen in technologie. Zo beschreef respondent R18 zijn of haar vertrouwen in AI als volgt: “Mijn papa heeft ook zo een Tesla, en dan kunt je die ook zo zelf laten rijden. Ik merk dat ik daar veel meer vertrouwen in heb, dan de mensen die dan vaak meerijden met mij in de auto. Dus ik denk dat mijn vertrouwen in die AI, best wel hoog ligt”.

5.8 Vertrouwen in de specifiek bevraagde technologie

Om het vertrouwen in het Covid Safe Ticket (CST) en slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur te meten gebruiken we dezelfde schaal als voor het algemene vertrouwen in technologie (zie hierboven): hoog, matig, laag en onbeslist. Uit deze analyse blijkt dat 19 op 36 respondenten een hoog vertrouwen heeft, één op de 36 een matig vertrouwen en zeven op 36 een laag niveau van vertrouwen heeft. Bovendien zijn twee van de 36 respondenten onbeslist. Deze cijfers houden geen rekening met zeven respondenten die niet in staat waren in te gaan op de vraag of geen duidelijk antwoord hebben geformuleerd. 

Als we dieper ingaan op het verschil tussen de twee technologieën blijkt dat tien van de 18 respondenten die aangeven een hoog vertrouwen te hebben het CST als onderwerp hebben, de enige respondent met een matig niveau van vertrouwen het CST als onderwerp heeft en drie van de zeven respondenten met een laag vertrouwen slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur als onderwerp hebben. De twee respondenten die onbeslist zijn hebben beide slimme camera’s als onderwerp.

Als we het niveau van vertrouwen analyseren van de respondenten op basis van geslacht, opleidingsniveau en leeftijd zien we opmerkelijke resultaten. Van de 18 respondenten met een hoog vertrouwen zijn 13 respondenten vrouwelijk, beide respondenten met een matig niveau van vertrouwen zijn vrouwelijk en twee van de 7 respondenten met een laag niveau van vertrouwen zijn mannelijk. De twee respondenten die onbeslist zijn bestaat zowel uit een mannelijke als vrouwelijke respondent. 

Bij de factoren die het vertrouwen in beide technologieën beïnvloeden wordt vaak de “fouten” (R07, R16, R18, R24) die de technologie in kwestie in het verleden heeft gemaakt aangehaald, wat een negatief effect op het vertrouwen uitoefent. Ook de “communicatie omtrent de technologie” (R08, R10, R14, R15, R18) vanuit de overheid of producent beïnvloedt positief het vertrouwen van de respondenten. Andere factoren die worden aangehaald zijn “transparantie” (R10, R13, R14, R15, R26) over de werking van de technologie dat een positief effect uitoefent op het niveau van vertrouwen, “de effectiviteit van de technologie” (R09, R25, R29, R31, R34) dat zowel een positief als negatief effect kan uitoefenen en het “gevoel van veiligheid” (R13) dat de technologie geeft aan een individu, dit gevoel van veiligheid dat het CST of slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur geeft aan een respondent heeft een positief effect op zijn of haar vertrouwen. Respondent R13 beschreef ‘haar rol als moeder’ en ‘het gevoel van veiligheid op de baan’ als twee belangrijke factoren in haar vertrouwen in het gebruik van slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur als volgt: “Omdat ik echt moeder ben. Ik wil altijd mijn kinderen veiligstellen. Vroeger als ik nog geen mama was geworden had ik iets gehad van bwa dat maakt mij niet uit, ze moeten dat niet van mij controleren maar mijn attitude is sterk veranderd sinds ik mama ben geworden”.

5.9 Attitude

Attitude ten opzichte van de technologie wordt omgeschreven als de gevoelens van een individu over een bepaalde technologie. De respondenten hebben deze vraag geïnterpreteerd of ze over het algemeen positief of negatief denken over de technologie en zijn werking in de maatschappij. 

De meerderheid van de respondenten, 24 van de 36 respondenten heeft een positieve attitude tegenover de technologie, elf respondenten hebben een negatieve attitude gevormd over de technologie (R06, R09, R10, R15, R19, R23, R27, R28, R29, R30, R31) en slechts één respondent (R06) neemt een neutrale houding aan. Overwegend staan de respondenten dus positief tegenover de technologie. 

De redenen die de respondenten gaven waarom ze juist deze attitude hebben gevormd, zijn verschillend. De meerderheid van de respondenten met een positieve attitude hebben deze attitude gevormd omdat de technologie zou bijdragen aan de veiligheid van de samenleving. Dus zowel de slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur als het Covid Safe Ticket dragen volgens deze respondenten bij aan de veiligheid. Dit is het geval voor 14 van de 36 respondenten (R01, R07, R08, R11, R12, R13, R16, R17, R21, R22, R24, R25, R26, R36). Naast veiligheid komt ook het hoge vertrouwen in de wetenschap naar voren als reden voor een positieve attitude (R03, R04, R35). Een minderheid van de respondenten geven als oorzaak van hun positieve attitude ook hun persoonlijkheid (R18, R21) en dat de technologie zou bijdragen aan de vrijheid van de samenleving (R25).  

11 van de 36 respondenten hebben een negatieve attitude over de technologie. Ook hier zijn verschillende redenen voor waarom ze juist een negatieve attitude hebben gevormd. De redenen zijn echter meer divers dan bij de respondenten die een positieve attitude hebben gevormd. Vier respondenten geven aan dat er betere oplossingen zijn dan de invoering van deze specifieke technologie (R19, R27, R28, R29). Daarnaast geven drie respondenten ook aan dat privacy (RO6, R10, R30) en de gebrekkige werking van de technologie voor hun negatieve attitude zorgt (R10, R23, R32). Ook wordt als reden gegeven dat de technologie zorgt voor beperkingen in het dagelijkse leven (R15, R31) of dat de technologie zich richt tot de verkeerde doelgroep (R09). 

Slecht één respondent (R06) heeft een neutrale attitude over de technologie. Deze respondent, die antwoordt op de vragen over het Covid Safe Ticket, geeft als reden dat het leefbaar moet blijven. Met leefbaar bedoelt de respondent, dat het haalbaar dient te blijven hoe vaak het Covid Safe Ticket gescand moet worden. Hij argumenteert dat als de applicatie helpt dit aanvaardbaar is, maar dit gebruik moet ook niet langer als noodzakelijk is.

Dertien van de respondenten met een positieve attitude zijn hoog opgeleid, en 11 van de 24 respondenten met een positieve attitude zijn laagopgeleid (R01, R07, R11, R12, R13, R21, R24, R25, R34, R35, R36). Er is geen onderscheid tussen mannen of vrouwen. Met andere woorden, er zijn niet meer mannen of vrouwen die een positieve attitude hebben. Ook de leeftijd geeft geen opmerkelijke verschillen m.b.t. een positieve of negatieve attitude. 

De personen die een negatieve attitude hebben gevormd over de technologie zijn merendeel mannen. Van de elf respondenten die hebben aangegeven dat ze negatief staan tegenover de technologie zijn er zeven mannen. Een ander element dat opvalt is dat van de respondenten die een negatieve attitude heeft, slechts één respondent uit de leeftijdscategorie ‘oud’ komt, namelijk respondent zes. Ook zijn in deze categorie acht van de elf respondenten hoogopgeleid. Kenmerkend voor een negatieve attitude is dus man zijnde, jong en gemiddeld van leeftijd en hoogopgeleid.

De technologie die de respondenten als onderwerp hadden heeft geen invloed op de vorming van de attitude van de technologie. Een positieve attitude is twaalf keer van de 18 gevormd tijdens de interviews over slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur en ook twaalf keer van de 18 tijdens de interviews van het Covid Safe Ticket.  

5.10 Acceptatie

Acceptatie van de technologie wordt omschreven als de aanvaarding van de specifieke technologie. Er is een onderscheid tussen acceptatie van de technologie en attitude ten opzichte van de technologie. Acceptatie focust zich meer op de vraag of de respondenten het gebruik van de technologie steunen of niet, dat ze akkoord gaan dat de technologie wordt gebruikt. De resultaten zijn van acceptatie van de technologie en attitude over de technologie zijn nagenoeg hetzelfde. 

Als de personen een positieve attitude tegenover de technologie formuleren, aanvaarden ze het gebruik van deze technologie ook. 24 respondenten van de 36 steunen het gebruik van de technologie, net zoals ze een positieve attitude over diezelfde technologie hebben gevormd. Er kan dus geen onderscheid worden gemaakt tussen een positieve attitude en de acceptatie van de technologie. Ook de respondenten die de technologie niet steunen hebben voordien voornamelijk geantwoord dat ze een negatieve attitude hebben gevormd ten aanzien van de technologie. Er is één uitzondering, respondent R06. Respondent R06 vormde een negatieve attitude over de technologie maar accepteert de technologie toch. De redenering van respondent R06 is dat het niet anders gaat dan te accepteren omdat het toch wordt ingevoerd door de overheid. Deze respondent doet het niet met volle overtuiging maar accepteert toch de technologie in de samenleving. Er zijn verschillende redenen gegeven door de respondenten waarom ze de technologie al dan niet accepteerden. Redenen voor de technologie te steunen verwijzen naar de veiligheid van de samenleving (R01, R04, R07, R11, R12, R13, R14, R32), het nuttig zijn van een technologie (R02), de wetenschappelijke onderbouwing van de technologie (R06) en het vertrouwen in de mensheid (R06). Een andere reden die door een respondent wordt gegeven is dat de technologie aanvaard wordt mits extra regulering. (R03). Acht van de 24 respondenten geven aan dat ze de technologie aanvaarden voor de veiligheid, dit is de meest genoemde reden onder de respondenten. De overige redenen, met name het nuttig zijn van een technologie, de wetenschappelijke onderbouwing van de technologie en het vertrouwen in de mensheid, worden slechts één keer genoemd. Er hebben dus maar 12 van de 24 respondenten een reden gegeven waarom ze de technologie steunen. 

Er werden ook verschillende redenen gegeven waarom respondenten de technologie niet accepteerden. Drie van de elf respondenten gaven aan dat ze andere manieren zagen om het probleem om te lossen en dat de technologie dus niet gebruikt zou moeten worden (R09, R10, R29). Zo zei respondent R29 dat: “Ik denk dat ze meer moeten inzetten op de bewustwording van mensen, bv. 20 jaar geleden reed iedereen zat achter het stuur en nu veel minder. Er is nu gewoon een andere bewustwording gekomen door andere waarden, maar ook door preventiecampagnes in het onderwijs enz. Ik ben daarvan meer een voorstander dan zo repressief mensen beboeten.”  Twee respondenten van de elf gaven ook dat ze technologie niet accepteerden omwille van de boetes die eraan zijn gelinkt R09, R29). Respondent R31 noemde als reden dat het Covid Safe Ticket niet werkte en hij het daarom niet accepteerde.  Twee andere redenen die slechts genoemd worden door 2 verschillende respondenten zijn dat de technologie steeds verder wordt uitgebreid (R30) en ze daarom niet de technologie steunen en dat de technologie niet helpt (R31). Een andere reden die gegeven werd door een respondent is vertrouwen in de mensheid moet zijn (R19), hiermee bedoelde hij dat het probleem ook opgelost geraakt zonder de technologie.  Ook bij deze vraag heeft niet iedereen een antwoord gegeven waarom ze de technologie al dan niet accepteren. Er is geen verschil tussen de beide technologieën met betrekking tot de steun van de technologie. Twaalf respondenten van de 18 die het interview hebben afgelegd over slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur steunt het gebruikt van de technologie. Hetzelfde voor de respondenten die het interview hebben afgelegd over de Covid Safe Ticket, hier hebben twaalf van de 18 respondenten geantwoord dat ze de technologie steunen.

Daarnaast hebben respondenten ook nog aangegeven op welke manier de acceptatie van de technologie verhoogd kan worden. Door een goede werking van de technologie kan de steun bij de respondenten nog verhoogd worden (R09, R14, R15, R16, R21, R22, R23). Ook een duidelijke communicatie over hoe de technologie juist werkt en wat de gevaren zijn (R09, R29, R31), draagt hiertoe bij. Cyberbescherming (R28) en transparantie vanuit de overheid (R08) zouden ook voor een verhoging van de steun kunnen zorgen. Een goede werking werd het vaakst aangehaald in verband met hoe de steun verhoogd zou kunnen worden, met name door zeven respondenten.  Een laatste manier dat aangegeven wordt, is dat de technologie enkel ingevoerd kan worden als dit nuttig is (R15). Dit verwijst naar de Covid Safe Ticket, want niet iedereen is overtuigd dat de werking nuttig is en steunt het gebruik van de technologie daarom niet. Als er wordt aangetoond dat de werking wel nuttig is zou de steun kunnen worden verhoogd. 

 Niet alleen hebben respondenten manieren gegeven die de acceptatie kunnen verhogen maar ook manieren die de acceptatie kunnen verlagen. Als er sprake zou zijn van misbruik van de technologie R03, R16, R21, R32, R34), zou de steun van de technologie sterk verlaagd kunnen worden. Misbruik werd door vijf respondenten genoemd als een manier waarom de steun verlaagd zou kunnen worden. Ook negatieve uitspraken over de technologie in de media kunnen hiervoor zorgen (R15, R24). Enkel respondent R18 zou ook een verminderde steun hebben als de technologie niet uitgevoerd en gecontroleerd wordt door de overheid maar door een privaat bedrijf. 

5.11 Perceptie publieke opinie

Perceptie van de publieke opinie wordt omgeschreven als wat individuen percipiëren als de mening van groepen in de maatschappij. 34 respondenten hadden wel een perceptie van hoe anderen dachten over de specifieke technologie, twee gaven aan dat ze echt geen idee hadden. Zes respondenten gaven aan dat er een combinatie is van negatieve en positieve meningen in de maatschappij. Andere kiezen expliciet voor positief (14 respondenten) of negatief (7 respondenten), maar nuanceerden wel. Hierbij is er de negatieve groep, de respondenten die tegen slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur of het Covid Safe Ticket (CST) zijn en er is ook de positieve groep respondenten die dit wel verdedigen. De redenen waarom de groep  respondenten positief is over de publieke opinie geven het vaakst veiligheid aan als de factor waardoor ze dit denken. Bij het CST slaat dit vooral op gezondheid en de veiligheid om niet besmet te worden met Sars-Cov-2. Bij slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur gaat het vooral over veiligheid in het verkeer, waarbij respondenten aangaven dat bijvoorbeeld chauffeurs die op hun gsm zaten zo wel in het oog gehouden kunnen worden. Vrijheid komt in de interviews zeven keer aan bod, meer bepaald in verband met het CST De meerderheid van de respondenten dacht dat de maatschappij positief stond naar de technologieën, dit gaat over 14 respondenten. De respondenten die denken dat de maatschappij eerder negatief gezind is naar de specifieke technologie waren met zeven. Vervolgens is er nog een neutrale groep van zes respondenten.

Indien de publieke opinie meer werd gepercipieerd als negatief ten op zicht van de technologie, dan is de schending van de privacy (zeven respondenten) één van de belangrijkste factoren die het meest wordt vernoemd. Dit wordt gevolgd door verkeerde informatie (drie respondenten), complottheorieën (drie respondenten), vrijheidsbeperkingen (één respondent) en angst (één respondent). Bij de respondenten die de publieke opinie als neutraal zien, geven ze aan dat de burgers daar niet echt over nadenken en zich vooral bezighouden met andere zaken. Er zijn ook respondenten die het echt niet weten, deze respondenten geven aan dat ze zich over de publieke opinie onmogelijk een beeld kunnen vormen.

Uit dit onderzoek blijkt dat mannelijke respondenten vaker dan vrouwelijke respondenten aangeven dat ze niet weten wat de publieke opinie is en of dat de publieke opinie neutraal is. Het gaat hier dan over zes mannelijke respondenten op een groep van acht respondenten. De respondenten die aangeven dat ze het niet weten, zijn uitsluitend mannen (2). Vrouwen geven vaker dan mannen een positieve of een negatieve interpretatie van de publieke opinie. Ook bleek dat mensen met een hogere opleiding de publieke opinie meer inschatten als negatief. Dit ging over een groep van zeven respondenten die de publieke opinie negatief vonden, vijf daarvan waren hoog opgeleid. Vervolgens blijkt ook dat bij het CST de publieke opinie in verband met die technologie wordt gepercipieerd als meer positief. Bij slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur wordt de perceptie van de publieke opinie inzake die technologie gezien als meer negatief. 

Aangaande de leeftijd van respondenten is er ook een zeer groot verschil aanwezig. De oudere respondenten hebben op één na allemaal een positieve perceptie van de publieke opinie, de ene uitzondering heeft een negatieve perceptie. Bij jongeren zien we een veel diffuser beeld, waarbij drie jonge respondenten positief zijn, vier respondenten negatief, twee positief en negatief en twee weten het niet. Ook de midden categorie inzake leeftijd lijkt sterker te neigen naar de positieve kant: zes van de elf respondenten kozen voor positief, gevolgd door positief en negatief (3) en negatief (2).

5.11.1 Vorming van de publieke opinie

Hiernaast bevroegen we de respondenten ook over de vorming van de publieke opinie bij technologieën. Respondenten geven aan dat de media een enorm grote rol hebben in het sturen van de meningen van mensen. De media voorzien namelijk veel informatie aan een zeer grote groep van mensen. Leeftijd wordt ook genoemd als een factor die ervoor zorgt dat mensen eerder op straat komen. Zo geeft R05 bijvoorbeeld aan te denken dat leeftijd een invloed heeft. R05 zegt het volgende: ‘’hmm ja, het zijn natuurlijk ook wel oude mensen die op straat lopen, maar ik denk vanaf een bepaalde leeftijd relativeert ge meer voor de goede orde. Das misschien ook niet altijd goed e, in de tijd van Hitler waren de mensen ook van die maar voor de goede orde. Ge moet wakker blijven e. maar ja, das misschien een kleinigheid dat er dan makkelijker mensen in meegaan omdat ze veronderstellen dat het veiliger is voor hun gezondheid. Ik vind het nu niet zo erg. 

Dit gaat dan vooral om jongeren. Vervolgens worden persoonlijke eigenschappen, vriendenkringen en sociale media ook vermeld als factoren die een grote invloed hebben op hoe mensen het beeld over de technologie vormen.

Hierboven zijn de resultaten van de diepte-interviews van 36 respondenten beschreven. Per concept is vermeld hoe respondenten deze verstaan en welke aspecten belangrijk zijn. In het volgende hoofdstuk wordt onderzocht hoe de verschillende concepten uit het conceptueel-theoretisch kader samenhangen en effect op elkaar hebben.  

6 Samenhang tussen de concepten

In dit hoofdstuk wordt onderzocht hoe volgens de resultaten van het kwalitatieve onderzoek de verschillende concepten uit het conceptueel-theoretisch kader samenhangen en effect op elkaar hebben. Hier wordt gekeken naar de relaties tussen de concepten zoals gepresenteerd in het conceptueel-theoretisch kader, als ook naar de invloed van de modererende variabelen (gender, leeftijd, opleidingsniveau). Het hoofdstuk sluit af met een overzicht van de belangrijkste bevindingen.

Ten eerste kijken we naar de attitude en de acceptatie van de technologie, de laatste onderdelen van het conceptueel-theoretisch kader, en onderzoeken we door welke concepten deze zijn beïnvloed en of de concepten ook onderling een invloed hebben. Vervolgens werpen we een blik op kennis en complexiteit en of deze concepten een invloed hebben op de kosten en baten van de technologie. Dan kijken we naar de invloed van de kosten en baten op de attitude. Ten laatste, behandelen we vertrouwen in de overheid, de wetenschap en de technologie en onderzoeken we of deze een invloed hebben op de attitude. 

Als de respondenten een positieve attitude hebben gevormd, gaan de respondenten deze technologie vaak ook accepteren.  De respondenten accepteren de technologie en bijgevolg gaan ze de technologie ook accepteren in het dagelijkse leven. Over het algemeen zijn er meer respondenten met een positieve attitude dan een negatieve attitude. De meerderheid van de respondenten, 24 van de 36, staan positief tegenover de technologieën, elf respondenten hebben een negatieve attitude gevormd over de technologieën en slechts één respondent neemt een neutrale houding aan. De cijfers van acceptatie zijn quasi gelijk aan die van attitude. De 24 respondenten die een positieve attitude hebben aangaande een technologie, accepteren deze ook. De 12 respondenten die een negatieve attitude hebben aangaande een technologie accepteren deze ook niet. Attitude en acceptatie hebben dus een samenhang. Acceptatie wordt niet enkel beïnvloed door attitude maar ook door andere concepten zoals in het conceptueel-theoretisch kader beschreven is. De wijze waarop de overige concepten de vorming van de attitude beïnvloeden, bespreken we hieronder per concept.

6.1 Invloed van kennis en complexiteit van de technologie op kosten en baten

Aan de hand van het conceptueel model hebben wij de relaties tussen de concepten bij de geïnterviewde respondenten onderzocht.  

 We beginnen met het concept kennis en complexiteit. Dit zijn twee verschillende concepten in het conceptueel-theoretisch kader, maar zijn samengenomen in het kwalitatief onderzoek. Complexiteit van de technologie zou volgens het conceptueel schema (zie figuur 8) een invloed moeten hebben op perceptie van kosten, baten en risico’s van de technologie. We hebben gemeten of respondenten al dan niet de technologie begrijpen. Indien we kijken naar de respondenten die de technologie niet begrijpen, zien we dat deze mensen de kosten vooral als weinig of matig zien. Van de 13 respondenten die de technologie niet begrijpen, zijn er vijf die weinig kosten zien, vijf die deze als matig zien en slechts drie die er veel zien. Bij de respondenten die de technologie wel begrijpen, ziet het hoogst aantal respondenten ook weinig kosten (twaalf respondenten). Wij zien niet dat het begrijpen van een technologie invloed heeft op de ervaren kosten van die technologie.  Als we vervolgens kijken naar de gepercipieerde baten, merken we wel een verschil. Bij de respondenten die de technologie niet begrijpen zien we dat het merendeel van die categorie (negen respondenten), matige baten zien. Bij de categorie van de respondenten die de technologie wel begrijpen zien we echter dat er twee grote groepen zijn, namelijk zij die matige baten zien (tien respondenten) en zij die veel baten zien (acht respondenten). 

Er zijn bij de respondenten die de technologie begrijpen meer respondenten die baten zien. Voor respondenten die aangeven dat ze de technologie niet begrijpen, zien we dat het percipiëren van risico’s verdeeld is. Vijf respondenten geven aan weinig risico’s te zien, vijf merken een matig aantal risico’s op en drie ervaren er veel. Bij de respondenten die de technologie wel begrijpen zien we een duidelijker onderscheid, daarbij kiezen de meeste respondenten, namelijk 12 voor weinig risico’s. Acht respondenten kiezen voor matig en drie voor veel. Hier kunnen we dus stellen dat er wel degelijk een invloed is van kennis en complexiteit op de gepercipieerde kosten, baten en risico’s. 

6.2 Invloed van kosten en baten op attitude

Respondenten die in de technologie veel kosten zien, zien ook weinig baten in de technologie. Als de respondenten meer kosten dan baten zien in de technologie gaat hun attitude tegenover die technologie ook positief zijn. Twaalf respondenten zagen meer baten dan kosten en hadden dus ook een positieve attitude (R01, R07, R08, R11, R12, R14, R16, R17, R24, R26, R34, R35). We zagen ook een negatief verband. De respondenten die veel kosten en weinig baten zagen in de technologie, vormden bijgevolg een negatieve attitude (R09, R10, R15, R23, R29, R31).   

Een aantal respondenten zagen zowel een matig aantal baten als een matig aantal kosten. Een verband met een positieve of een negatieve attitude kan hier moeilijker worden vastgesteld.  Vijf respondenten die antwoorden met zowel een matig aantal kosten als een matig aantal baten, hadden een positieve attitude gevormd (R03, R18, R20, R22, R25), tegenover vier respondenten die een negatieve attitude hadden gevormd (R06, R19, R27, R28). 

Naast kosten en baten vormden de respondenten zich ook een mening over de risico’s van de technologie naar de toekomst toe. Bij de respondenten die weinig risico’s zien, stellen we een positieve attitude vast. 17 van de 26 respondenten zagen weinig risico’s naar de toekomst toe en hebben dus een positieve attitude. De respondenten die veel risico’s zagen voor de toekomst hebben een negatieve attitude (R06, R09, R10, R23, R27, R29), met uitzondering van één respondent. Respondent R18 ziet veel risico’s naar de toekomst toe maar heeft toch een positieve attitude gevormd en steunt de technologie ook.   

6.3 Invloed van vertrouwen in overheid op attitude

Een hogere mate van vertrouwen in de overheid lijkt bij onze respondenten een positieve invloed te hebben op de attitude ten aanzien van de bevraagde technologie.   

Acht van de elf respondenten die een hoog vertrouwen hebben in de overheid geven aan dat ze een positieve attitude tegenover de technologie hebben die in het interview besproken werd. Respondenten die een matig vertrouwen in de overheid hebben, hebben in 15 van de 23 gevallen een positieve attitude tegenover de in het interview betrokken technologie. Geen enkele van de vier respondenten met een laag vertrouwen in de overheid hebben aangegeven een positieve attitude te hebben tegenover de in het interview betrokken technologie.    

Een hoge mate van vertrouwen in de overheid in het algemeen leidt niet automatisch tot een hoog vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een specifieke technologie. Zeven van de elf respondenten die een hoog vertrouwen in de overheid in het algemeen hebben ook een hoog vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een specifieke technologie, maar één van de elf respondenten die een hoog vertrouwen heeft in de overheid in zijn algemeenheid heeft een laag vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een specifieke technologie en drie van de elf respondenten die een hoog vertrouwen in de overheid in zijn algemeenheid hebben, hebben een matig vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een specifieke technologie. Van de vier respondenten die een hoog vertrouwen hebben in de overheid in het algemeen en een lager vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een technologie zijn er drie geïnterviewd over de inzet van slimme camera’s.   

Een matig vertrouwen in de overheid in het algemeen gaat bij 17 van de 23 respondenten gepaard met een hoog vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een specifieke technologie, waarbij het bij vijf respondenten over slimme camera’s gaat en bij twaalf respondenten over het Covid Safe Ticket. Van de respondenten die een matig vertrouwen in de overheid in het algemeen hebben, zijner twee met een laag vertrouwen in de overheid inzake het gebruiken en reguleren van een technologie, één respondent is geïnterviewd inzake het Covid-Safe-Ticket en één respondent inzake slimme camera’s.   

Respondenten die een laag vertrouwen in de overheid in het algemeen hebben geven in twee van de vier interviews aan dat ze een hoog vertrouwen hebben in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een technologie. In beide gevallen ging het interview over het Covid-Safe-Ticket.   

De zeven respondenten die zowel een hoog vertrouwen in de overheid in het algemeen als in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een technologie hebben, vertonen allemaal een positieve attitude tegenover diezelfde technologie. De respondenten die een hoog vertrouwen hebben in de overheid in zijn algemeenheid maar een lager vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een technologie hebben allen een negatieve attitude tegenover diezelfde technologie. Twaalf van de 17 respondenten die een matig vertrouwen in de overheid in zijn algemeenheid hebben en een hoog vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een technologie hebben een positieve attitude tegenover de bevraagde technologie. Vijf van de zes respondenten die een matig vertrouwen in de overheid in zijn algemeenheid combineren met een matig vertrouwen in de overheid aangaande het gebruiken en reguleren van een technologie hebben een positieve attitude tegenover deze technologie. Alle vier de respondenten die een matig vertrouwen in de overheid in zijn algemeenheid hebben en een laag vertrouwen in de overheid hebben allen een negatieve attitude tegenover de bevraagde technologie. Een verminderd vertrouwen in de overheid om een technologie goed te gebruiken en te reguleren lijkt te leiden tot een negatieve attitude ten aanzien van die technologie, andersom kan een negatieve attitude tegenover een technologie wellicht ook leiden tot een lager vertrouwen in de overheid om op een goede wijze die technologie te gebruiken en te reguleren.

6.4 Invloed van vertrouwen in wetenschap op attitude

Van de 25 respondenten die een hoog vertrouwen hebben in de wetenschap in het algemeen hebben er 19 een positieve attitude ten aanzien van de bevraagde technologie. Van de elf respondenten die een matig vertrouwen vertoonde, zijn er vijf die een positieve attitude hebben ten aanzien van de bevraagde technologie. Respondenten die een hoger vertrouwen vertoonde hebben dus in grotere mate ook een positieve attitude tegenover de voorgestelde technologieën.   

19 van de 25 respondenten die een hoog vertrouwen hebben in de wetenschap in het algemeen hebben eveneens een hoog vertrouwen in de wetenschap die te maken heeft met de technologie waar het interview over ging. Van de 25 respondenten hebben er zes een matig vertrouwen in de wetenschap, onder hen drie respondenten die geïnterviewd zijn over het Covid Safe Ticket. Geen enkele respondent die een hoog vertrouwen heeft in de wetenschap in het algemeen heeft een laag vertrouwen in de wetenschap aangaande de technologie die wij in het interview betrokken hebben.   

Van de negen respondenten die een matig vertrouwen hebben in de wetenschap in het algemeen hebben er zes een hoog vertrouwen in de wetenschap aangaande de technologie die wij in het interview betrokken hebben, waarbij geen verschil merkbaar is tussen de beide aangehaalde technologieën. Een hoge mate van vertrouwen in de wetenschap in het algemeen lijkt een positieve invloed te hebben op vertrouwen in de wetenschap aangaande een specifieke technologie. Respondenten die een matig vertrouwen hebben in de wetenschap in het algemeen blijken in meerderheid een groter vertrouwen te hebben in de wetenschap aangaande een specifieke technologie waar ze over bevraagd zijn  

Respondenten die een hoog vertrouwen in wetenschap in het algemeen en een hoog vertrouwen in de wetenschap aangaande de besproken technologie hebben in 12 van de 19 gevallen een positieve attitude tegenover die technologie. De zes respondenten die wel een hoog vertrouwen hebben in de wetenschap in zijn algemeenheid maar een lager vertrouwen hebben in de wetenschap aangaande de technologie die aan bod kwam in hun interview hebben allen een positieve attitude tegenover diezelfde technologie. Zes van de negen respondenten die een matig vertrouwen hebben in de wetenschap in zijn algemeenheid en een hoog vertrouwen in de wetenschap aangaande de technologie die aan bod kwam in hun interview hebben een positieve attitude tegenover deze technologie. Het lijkt erop dat de mate waarin respondenten de wetenschap aangaande de technologie die aan bod kwam in hun interview vertrouwen niet zoveel invloed heeft op de attitude die respondenten hebben ten aanzien van die technologie.   

 Van de 25 respondenten die een hoog vertrouwen in de wetenschap in zijn algemeenheid hebben, hebben er 19 een positieve attitude ten aanzien van de bevraagde technologie. Er lijkt een verband te bestaan tussen de mate waarin respondenten de wetenschap in zijn algemeenheid vertrouwen en de attitude ten aanzien van een specifieke technologie. 

6.5 Invloed van vertrouwen in technologie op attitude

Vervolgens moeten we dieper ingaan op vertrouwen in de technologie. Bij het coderen op vertrouwen in technologie merkten we dat mensen met een hoog of laag vertrouwen in big data of AI in het algemeen noodzakelijk een respectievelijk hoog of laag vertrouwen in de specifieke technologie hebben. Dit gaat dus over het vertrouwen in het CST of het vertrouwen in de slimmer camera’s. Mensen die een laag vertrouwen hebben in de algemene technologie, hebben ook een laag vertrouwen in de overkoepelende technologie (AI, big data) of ze hebben daarover geen mening. Er was geen samenhangend verband tussen het vertrouwen in de technologie in het algemeen en het vertrouwen in de specifieke technologie met de perceptie van vertrouwen van de publieke opinie. Er was echter wel een invloed aanwezig van het lage vertrouwen in AI of big data op de attitude. Zes van de elf respondenten die een negatieve attitude hebben, vertonen ook een laag vertrouwen in de algemene technologie. Bij respondenten die een positieve attitude hadden gaven slechts zes van de 25 aan dat ze een laag vertrouwen hadden in de wetenschap in het algemeen. Bi het vertrouwen in de technologie specifiek waren er slechts acht respondenten die aangaven dat ze een laag vertrouwen hadden. Bij vier dan deze acht respondenten resulteerde dit in een negatieve attitude. Er is hier dus ook enige invloed. Een positieve attitude heeft ook een invloed op de acceptatie.  Tien van de twaalf respondenten die de technologie niet accepteren hadden een negatieve attitude. Dit betekent dat attitude en acceptatie zeer sterk samenhangen.

Besluit van het kwalitatief deel van het onderzoek

Het kwalitatief onderzoek is gebaseerd op 36 diepte-interviews die werden afgenomen bij verschillende burgers in Vlaanderen. Er werd een semi-gestructureerde vragenlijst samengesteld met open hoofdvragen rond vaste thema’s en rond de twee complexe technologieën. Slimme camera’s die controleren op gsm-gebruik achter het stuur en het Covid Safe Ticket zijn de twee gekozen complexe technologieën. De respondenten werden onderverdeeld in drie categorieën die samengesteld zijn op basis van drie selectiecriteria. De drie selectiecriteria zijn: leeftijd, onderverdeeld in jong (18j-30j), midden (30j-65j) en oud (65j of ouder), geslacht, onderverdeeld in man of vrouw en opleidingsniveau, onderverdeeld in laag, secundair onderwijs of lager, en hoog, bachelor, master of gelijkaardige opleidingen die reeds voltooid werden of waarmee de respondent nog bezig mee is.

Uit de 36 diepte-interviews die we geanalyseerd hebben kunnen we afleiden hoe de respondenten de variabelen uit het conceptueel-theoretisch kader interpreteren. De eerste variabele gaat over de kennis en complexiteit van de technologie. In het kwalitatief onderzoek hebben we deze twee variabelen samengenomen voor twee redenen. Enerzijds omdat we veronderstellen dat als een technologie als moeilijk begrepen wordt, de technologie vice versa ook complex is en anderzijds omdat complexiteit moeilijk te bevragen was. Onder deze variabele verstaan we de mate waarin een individu de technologie als ingewikkeld te begrijpen en te gebruiken ziet. Er zijn 13 respondenten die de technologie niet begrepen en 23 respondenten die de technologie wel begrepen. We merkten op dat vooral de slimme camera moeilijk was om te begrijpen in vergelijking met het Covid Safe Ticket.

De tweede variabele die we besproken hebben in het kwalitatief onderzoek is die van de kennis en gepercipieerde kosten, baten en risico’s van de technologie. Hier gaat het over de voordelen of nadelen die een respondent benoemt bij een bepaalde technologie.  Deze werden in de diepte-interviews opgedeeld in individuele en maatschappelijke kosten of baten. De belangrijkste individuele en maatschappelijke baat die we uit het kwalitatief onderzoek kunnen besluiten is dat bij gebruik van deze technologieën er een veiligere maatschappij zou ontstaan. Dit vinden 25 van de 36 respondenten een belangrijke maatschappelijke baat. 16 van de 36 respondenten vinden dit ook een belangrijke individuele baat. Daarnaast werd ook gevraagd naar de kosten van een technologie. Hier was een belangrijke kost dat men het gevoel kreeg dat hun privacy geschonden kon worden. 

Als we kijken naar de risico’s van de technologieën dan kwam vooral de afhankelijkheid en misbruik van de technologieën naar voren. 18 van de 36 respondenten vrezen dat de afhankelijkheid te groot zou worden en 12 van de 36 respondenten waren bang dat de technologieën misbruikt zouden worden door zowel overheid als door andere actoren. 

De volgende variabelen die in de diepte-interviews aan bod kwamen hebben betrekking op het vertrouwen in zowel de overheid, de wetenschap als in de technologie. Als we kijken naar het vertrouwen in de wetenschap dan zien we dat 27 van de 36 respondenten een hoog vertrouwen hebben in wetenschap. We zien dat vrouwen een relatief hoger vertrouwen hebben in wetenschap en dat ook vooral hoger opgeleide respondenten een relatief hoger vertrouwen hebben. De respondenten die zeggen een hoog vertrouwen in de wetenschap te hebben wijten dit aan de medische vooruitgang van onze maatschappij. 

Het vertrouwen in de overheid ligt een stuk lager dan het vertrouwen in de wetenschap. Zo zijn er 18 respondenten die zeggen een matig vertrouwen te hebben in de huidige overheid. 18 respondenten vertrouwen de overheid niet en vertonen twijfels. We zien dat vrouwen meer twijfels vertonen dan mannen. We zien ook dat personen die hoog opgeleid zijn meer twijfels hebben dan laagopgeleide personen.  Slechts 9 van de 36 respondenten zegt een hoog vertrouwen te hebben in de overheid. Verder zijn er ook nog 7 van de 36 respondenten die een laag vertrouwen hebben en wijten dit aan een gebrek aan transparantie van de overheid. 

De laatste vertrouwensvariabelen gaat over het vertrouwen in technologie. Een kleine meerderheid, met name 19 van de 36 respondenten, vertoont een hoog vertrouwen in het Covid Safe Ticket of slimme camera’s. Hier zijn ook weer meer vrouwen met een hoog vertrouwen in de technologieën dan mannen. Negen van de 18 respondenten vertoont een laag vertrouwen in Big data waarvan zes vrouwen zijn en zes zijn ook hoog opgeleid maar niet allemaal van hetzelfde geslacht. Bij AI-technologie zien we dat zes van de 18 respondenten een hoog vertrouwen hebben en vijf van de 18 respondenten hebben niet echt een mening. Vier van de zes respondenten die een hoog vertrouwen zeggen te hebben zijn laagopgeleid.

De laatste variabelen die onderzocht werden in het kwalitatief onderzoek gaan over attitude en acceptatie ten opzichte van de technologie. Uit de diepte-interviews blijkt dat 24 van de 36 respondenten een positieve attitude heeft en positief staat ten opzichte van het gebruik van die technologie. De meest voorkomende reden hiervoor is dat de technologie bijdraagt aan de veiligheid in de maatschappij. 11van de 36 respondenten hebben een negatieve attitude en steunen het gebruik van de technologie niet. Ze hebben daar verschillende redenen, zoals privacy, gebrekkige werking en beperkingen in het dagelijks leven voor. De grootste groep is hier mannelijk, hoogopgeleid en van de categorie jong en midden. Eén respondent heeft ook een neutrale attitude. Het type technologie heeft dus geen invloed op de attitude. 

Na in hoofdstuk vijf en zes de resultaten en verdere analyse van het kwalitatieve onderdeel van dit onderzoek te hebben behandeld, vervolgen we in hoofdstuk zeven met de resultaten en analyse van het kwantitatieve luik van deze studie.