Félix Desguin, een ambitieuze Antwerpse handelaar die vice-consul werd in Mazagan

Gastblog door Mustapha Jmahri

Van 30 juni 1868 tot aan de vooravond van de Marokkaanse onafhankelijkheid – in 1956 – beschikte de Marokkaanse kustplaats Mazagan (het huidige El Jadida) over een Belgisch vice-consulaat. Eerder al, in 1857, had België er in navolging van andere Europese landen een consulair agentschap geopend. Dat deed het om de Belgische bedrijven te steunen die er een handelskantoor hadden of wilden openen. Daaronder vielen de Compagnie L.A. Cohen, de Société de fabriques belges de laine (geopend in 1864), en het huis Desguin and Georges, dat er in de jaren 1870 een opslagplaats voor zijn goederen opende. Dit laatste handelshuis werd opgericht door twee mannen die zelf een consulaire carrière uitbouwden: de Britse consulaire agent Ernest Georges en de jonge Antwerpenaar Félix Desguin (1847-1886), die twee jaar eerder tot eerste Belgische viceconsul in Marokko was aangesteld.

      Oud stadsgezicht op Mazagan

Een moeizame start

Desguin – de jongere broer van de in zijn geboortestad meer bekende liberale politicus Victor Desguin – was laureaat van de Rijkshandelshogeschool en begon zijn consulaire carrière in Lissabon als consul-in-opleiding. Van daaruit ontwikkelde hij interesse in de handel met Marokko en kwam hij in Mazagan terecht. Hij ontmoette er de toenmalige consulaire agent, de Engelsman Octavius Stoke. Wellicht vanwege de economische voordelen die zo’n positie bood, stelde Desguin zelf aan het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken voor om in Mazagan een vice-consulaat op te richten. Aan dat verzoek werd een positief gevolg gegeven. Begin juni 1868 maakte Desguin zich klaar om naar Mazagan te vertrekken, en kort na zijn aankomst kreeg hij er zijn koninklijke benoeming uit handen van de Belgische consul-generaal in Tanger. In een brief aan Koning Leopold II van 15 juli van datzelfde jaar deelde deze zijn tevredenheid uit over de benoeming van Desguin, in wie hij "een uitstekende hulpkracht" zag "voor de ontwikkeling van de relaties tussen België en Marokko".

Even leek het erop dat deze verwachting niet zou uitkomen. Toen hij nog maar enkele weken op zijn post had doorgebracht, deed zich een incident voor tussen Desguin en de Marokkaanse douane. In de haven van Doukkali wilde deze hem fouilleren zoals iedereen. Desguin weigerde deze controle resoluut, en deed daarbij een beroep op zijn statuut als consulaire vertegenwoordiger. De douaniers brachten hem ervan op de hoogte dat het recht om van de fouillering te worden vrijgesteld volgens het geldende verdrag was voorbehouden aan politieke agenten en aan de consuls die geen handelaren waren. Desguin hamerde er echter op dat hij een hogere rang had dan de andere Europese agenten in Mazagan, aangezien hij niet door de consul-generaal in Tanger, maar door de Belgische regering was benoemd.

Het incident werd ter kennis gebracht van de Belgische minister van Buitenlandse Zaken en van de afgevaardigde gouverneur, die tegelijk ook bestuurder van de douane was. De minister riep Desguin op 11 november 1868 tot de orde, en bevestigde de door de douaniers ingeroepen verdragsbepalingen. "Ik reken er op", zo voegde de minister eraan toe, "dat u in de toekomst zorgvuldig de herhaling van soortgelijke incidenten zult vermijden". Op zijn beurt vermeldde ook de Marokkaanse minister van Buitenlandse Zaken Haj Mohammad Bargach het incident tijdens een ontmoeting met de zaakgelastigde van Engeland in Tanger. Hij noemde het een voorbeeld van de hooghartigheid van bepaalde consuls, en "van de moeilijkheden die zich voordoen als we te maken hebben met eenvoudige consuls als politieke vertegenwoordigers, in het bijzonder indien ze geaccrediteerd zouden worden door regeringen die ons zouden kunnen bedreigen met oorlogsschepen in het geval we niet zouden toegeven aan hun wensen of fantasieën".

Op 14 november 1868 herhaalde de Belgische minister zijn richtlijn aan de Belgische consul in Tanger, en bezwoer hij deze laatste "erover te waken dat er aan de sultan van Marokko geen soortgelijke aanleiding tot klachten meer zouden worden gegeven". Desguin was zich bewust van de categorische toon die de minister tegenover hem aansloeg, te meer omdat het incident zich voordeed toen hij nog maar pas zijn post bekleedde. Hij liet exact een maand voorbijgaan vooraleer hij in een brief aan de minister enkele verduidelijkingen aanbracht in verband met wat hij een misverstand noemde. De versie die hij van de feiten gaf, was weinig geloofwaardig, maar hij kreeg wel de steun van de afgevaardigde gouverneur. Deze benadrukte dat hij een goede relatie onderhield met Desguin, en dat ze voor het incident vele uren samen hadden doorgebracht.

Intense contacten

Dat was inderdaad het geval, en ook na dit incident smeedde de alerte Desguin hechte banden met de vertegenwoordigers van de makhzen (de Marokkaanse overheid) en met de lokale handelaren. Door zijn consulaire werk aan handelsactiviteiten te koppelen, werd hij een belangrijke figuur in de Europese gemeenschap in Mazagan. Samen met zijn netwerk van beschermelingen en vertrouwelingen boden zijn goede relaties met de lokale overheden hem veel voordelen bij de vergaring van economische en politieke inlichtingen. Dat blijkt uit zijn consulaire rapporten, die worden bewaard in het ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel. In zijn brief van 14 september 1873 meldt Desguin zijn minister de dood van de Marokkaanse sultan Sidi Mohammed ben Abderrahman (1859-1873) en de machtsovername door diens oudste zoon Moulay Hassan (1873-1894). Hij preciseerde dat "deze gebeurtenissen geen problemen schijnen te hebben teweeggebracht in Mazagan en omstreken. Veel mensen zijn er nog niet van op de hoogte, maar men hoopt dat ze geen ernstige onrusten zullen veroorzaken, dankzij het relatieve welzijn waarvan de Arabieren momenteel genieten. Er is alle reden toe te hopen dat ze de gang van de handelsaangelegenheden niet op een onrustwekkende manier zullen beïnvloeden".

Aan de handelsrelaties met Marokko bouwde Desguin zelfs verder toen hij in 1875 een verlof van een jaar in Antwerpen doorbracht – een periode waarin hij ook huwde met een vrouw uit Wervik. Op 5 maart van dat jaar informeerde hij de minister dat hij zich voorbereidde op de stichting van een in Marokko gespecialiseerd commercieel bedrijf.

Toch doken op het einde van Desguins mandaat opnieuw strubbelingen op. Het leek er zelfs op dat hij wraak wilde nemen voor het eerdere incident met de douane. Als bestuurder van het handelshuis Desguin and Georges bracht hij de Belgische consul-generaal in Tanger er immers van op de hoogte dat de lokale administratie in december 1875 een inbreuk had gepleegd op het verdrag tussen België en Marokko. Op zijn beurt liet de consul-generaal de minister van Buitenlandse Zaken op 29 januari 1879 weten dat de douane van Mazagan dankzij zijn interventie "er niet langer moeilijk over heeft gedaan om handelswaren van Belgische, Engelse en Franse herkomst binnen te laten".

Nog tijdens datzelfde jaar werd Félix Desguin door de Belgische Koning in de Leopoldsorde geridderd, en bevorderd tot consul-generaal in Gorée (nabij Dakar), met jurisdictie over de Afrikaanse Westkust. Al snel daarna werd deze post verhuisd naar Saõ Vicente op de Kaapverdische eilanden, en vanaf november 1881 naar Santa Cruz op de Canarische eilanden. In Mazagan werd het vice-consulaat na Desguins vertrek bekleed door de Engelsman Joseph Redman, die er ook zijn bezittingen – waaronder twee huizen – huurde. Nadat Desguin op 10 juli 1886, amper 39 jaar oud, aan een tropische ziekte was overleden, bleef zijn weduwe deze bezittingen tot 1915 beheren. Dit toont ten overvloede hoezeer het Belgische koppel gehecht was aan deze vreedzame stad aan Marokko’s Atlantische kust.

Bronnen

Mustapha Jmahri, Mazagan, Deux siècles d’histoire consulaire (Casablanca: Les cahiers d’El Jadida, 2011).

Eddy Stols, “Les Canaries et l’expansion colonial des Pays-Bas Méridionaux au seizième siècle et de la Belgique vers 1900”, Francisco Morales Padrón, IV. Colloquio de historia canario-americana, dl.2, Las Palmas de Gran Canaria, 1982, 903-933.

Archiefdocumenten ontvangen van het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken (3 juli 1989).

 

- Mustapha Jmahri studeerde journalistiek en is een Marokkaanse schrijver en redacteur van de Cahiers d’El Jadida (Marokko). Zijn werk verscheen ook bij L’Harmattan (Parijs). E-mail: jmahrim@yahoo.fr

De tekst werd vertaald en bewerkt door Marnix Beyen, met de medewerking van Michael Auwers en Houssine Alloul.

Gepubliceerd: zaterdag 1 februari 2020