Side header image

Bachelor in de geneeskunde

Kerncompetenties

De doelstellingen van de opleiding bachelor en master geneeskunde zijn gebaseerd op de CanMEDS rollen (medisch expert, communicator, collaborator, manager, health advocate, scholar en professional) en zijn hieronder per rol uitgeschreven door middel van competenties. Het onderscheid tussen het bachelor en masterniveau werd in de competenties gemaakt op basis van de beheersingsniveaus uit de piramide van Miller:
Niveau I: Knows
Niveau II: Knows how
Niveau III: Shows how
Niveau IV: Does

De inhoudelijke afbakening van de rol “Medical expert” op het niveau van basisarts wordt bepaald door de 120 klinische beelden van de Medical Council of Canada (“objectives for the qualifying examination”).

Medisch expert

1. De bachelor heeft inzicht in vereiste medische kennis t.a.v. een klinisch probleem. Hij/zij past aangeleerde kennis toe (III) en kan besliskundig redeneren (II)

2. De bachelor past aangeleerde vaardigheid doeltreffend toe t.a.v. een klinisch probleem (II)

3. De bachelor kan een consultplan uitvoeren. Hij/zij neemt een relevante en accurate intake en anamnese af (III), voert een lichamelijk of ander onderzoek doelmatig uit (III) en stelt een differentiaal diagnose op (II). Hij/zij verzamelt, analyseert en interpreteert doelmatig gegevens (van anamnese, lichamelijk onderzoek, technisch onderzoek) (II). Hij/zij stelt een correcte diagnose (II) en stelt doelmatige (be)handelingen voor (I)

4. De bachelor stelt een adequaat, multidisciplinair zorgplan op met specifiek aandacht voor zelfzorg en nazorg van de patiënt (I)

5. De bachelor beschrijft symptomen van essentiële (en vastgelegde (vb. top 10’s)) ziektebeelden en alarmsignalen (en neemt ze op in de differentiaal diagnose) (I)

6. De bachelor integreert de rollen communicator, collaborator, manager, health advocate, scholar en professional (II)

Communicator

7. De bachelor geeft duidelijke en begrijpelijke neerslag van een relevante, volledige, systematische en accurate intake en anamnese (II)

8. De bachelor rapporteert schriftelijk de patiëntencasus o.v.v. patiëntenverslag of verwijsbrief (II)

9. De bachelor kan een patiëntendossier invullen en bijhouden, en geeft alle informatie voor iedere andere gezondheidsverstrekker duidelijk en overzichtelijk weer (I)

10. De bachelor rapporteert mondeling de patiëntencasus aan andere artsen en gezondheidsverstrekkers (II)

11. De bachelor communiceert zijn wetenschappelijk opzoekwerk begrijpelijk, volledig en overzichtelijk (III)

12. De bachelor communiceert tijdens het consult met de patiënt volgens de geldende normen van “good practice” (III)

13. De bachelor gaat een empathische, vertrouwelijke en ethisch-verantwoorde arts-patiënt relatie en arts-familie relatie aan en kan deze behouden (II)

14. De bachelor reflecteert over eigen communicatie en vorderingen hierin (IV)

Collaborator

15. De bachelor kent en betrekt het profiel en de competenties van andere zorgverstrekkers (III)

16. De bachelor neemt actief deel aan het werken in een team (III)

17. De bachelor levert een doeltreffende bijdrage aan een team op het gebied van patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek (I)

18. De bachelor integreert het volgende in het werken in een team: nemen en geven van verantwoordelijkheid (I), delegeren en organiseren (I), geven en krijgen van collegiaal advies (I), bevorderen van de “chain of care” (verhogen effectiviteit interdisciplinaire werking) (I), omgaan met inter-professioneel conflict (I)

19. De bachelor reflecteert over het werken in een team en het respecteren van de mening van andere teamleden (II)

Manager

20. De bachelor reflecteert over zelfzorg en de balans tussen werk en persoonlijke ontwikkeling (werk/privé timemanagement) (II)

21. De bachelor ordent informatie in volgorde van belangrijkheid en dringendheid, stelt verantwoorde prioriteiten en motiveert deze (professioneel timemanagement) (II)

22. De bachelor gaat correct en stipt om met administratieve en organisatorische taken (IV)

23. De bachelor registreert, classificeert en wisselt patiëntgegevens uit, op een doelmatige (en vertrouwelijke) wijze (I)

24. De bachelor maakt gebruik van informatietechnologie om patiëntenzorg (en praktijk functioneren) te optimaliseren (patiëntgerelateerde gegevensbanken) (I) en om “life long learning” te stimuleren (medische gegevensbanken) (III)

25. De bachelor kan werken binnen het gezondheidssysteem en andere zorgsystemen (welzijn, justitie) in België (I)

26. De bachelor heeft inzicht in de kosten die medisch handelen met zich meebrengen voor de maatschappij, de patiënt zelf en de arts (I)

Health advocate

27. De bachelor reflecteert over de psychologische, sociale, economische, biologische, maatschappelijke, ethische culturele religieuze aspecten die de gezondheid van de patiënt beïnvloeden (III)

28. De bachelor sensibiliseert de individuele patiënt en de algemene bevolking met betrekking tot gezondheidsaspecten (primaire preventie) (III)

29. De bachelor doet aan preventie en gezondheidsbevordering bij de individuele patiënt en de algemene bevolking (secundaire preventie) (III)

30. De bachelor heeft aandacht voor patiëntveiligheid (II)

31. De bachelor begeleidt patiënten op doeltreffende wijze door het labyrint van de gezondheidszorg en levert argumenten bij het maken van keuzes (I)

32. De bachelor besteedt prioritair aandacht aan de belangen van de patiënt (III)

33. De bachelor betrekt en faciliteert de toegankelijkheid van de gezondheidszorg in zijn werk, in het bijzonder voor kwetsbare groepen (II)

34. De bachelor reflecteert over kritische incidenten in de praktijk (II)

Scholar

35. De bachelor stelt relevante, praktijkgerichte én wetenschappelijk vragen m.b.t. patiëntenzorg (III)

36. De bachelor zoekt doelmatig, gericht en snel, op in medisch wetenschappelijke bronnen (III)

37. De bachelor stelt vragen rond kwaliteit van gebruikte medisch wetenschappelijke bronnen (IV)

38. De bachelor past wetenschappelijke informatie adequaat toe in praktijk(beslissingen) (II)

39. M.b.t. ontwikkeling en opvolging van persoonlijk opleidingsplan kan de bachelor kritisch wetenschappelijk reflecteren op eigen handelen in de praktijk (II). Hij/zij beschrijft en analyseert zijn persoonlijke leerbehoeften (III) en past een adequate leermethode toe (III). Hij/zij evalueert zelfstandig of met (professioneel) gelijken (peers) zijn leerresultaten en stuurt bij (II)

40. De bachelor draagt bij tot creatie, verspreiding, en toepassing van nieuwe medische kennis en praktijk (II)

41. De bachelor stimuleert het bijscholen van patiënten, familie, studenten, stagiairs, andere gezondheidsverstrekkers, algemene bevolking (II)

42. De bachelor past zijn functioneren aan aan maatschappelijke evoluties in de gezondheidszorg (II)

43. De bachelor heeft bereidheid tot levenslang leren (III)

Professional

44. De bachelor hanteert hoogste kwaliteit van zorg voor zijn patiënt op een integrale, integere en ethisch verantwoorde wijze (II)

45. De bachelor kent betekenis van en past volgende toe: professionele codes (II), ethische codes en dilemma’s (gebruikt een ethisch kader) (I), wettelijke codes (I)

46. De bachelor reflecteert over: eigen gedrag (III), eigen professionele attitude: laat de wil zien om een optimale, ethische en patiëntgecentreerde medische zorg aan te bieden (III), attitude en gedrag van anderen en evalueert dit voor zichzelf (III), juridische implicaties van de patiëntenzorg (patiëntenrechten, beroepsgeheim, DNR-codes, levenseindebegeleiding) (II), professionele, ethische, wettelijke codes (II)

47. De bachelor heeft juiste professionele attitude en gedrag, toont: eerlijkheid, integriteit, engagement, respect, begrip, empathie, altruïsme en corrigeert zichzelf indien nodig (IV)

48. De bachelor geeft zijn eigen grenzen, beperkingen of hiaten aan en weet hiermee om te gaan (III)