Kerncompetenties van de bachelor taal- en letterkunde

In de bachelor taal- en letterkunde staan de volgende doelstellingen centraal.

Kerncompetenties

Afgestudeerde Bachelors in de Taal- en Letterkunde kunnen een taal- of letterkundige problematiek definiëren en erover reflecteren. Vanuit hun methodologische kennis kunnen ze een oplossing voor de problematiek formuleren en de relevante informatie op een efficiënte wijze opzoeken. Zij kunnen ten slotte de problematiek en de oplossing in de juiste culturele context plaatsen en de maatschappelijke relevantie ervan evalueren, en zijn in staat er efficiënt over te communiceren.
Om deze doelstelling te realiseren, verwerven Bachelors in de Taal- en Letterkunde tijdens hun opleiding de volgende kerncompetenties:

1. Zij beheersen de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden op actieve en passieve wijze en zijn vertrouwd met de diverse gebruikscontexten ervan. Zij kunnen deze kennis gebruiken om soepel en doeltreffend te communiceren.
2. Zij kunnen literaire teksten met inzicht lezen en analyseren, doordat zij met de diverse literaire genres vertrouwd zijn en beschikken over een grondige kennis van de relevante literatuuropvattingen. Zij bezitten verder het nodige inzicht in de historische evolutie van de literatuur in de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden en kunnen literaire teksten situeren in een bredere maatschappelijke context. Bachelors in de Theater-, Film- en Literatuurwetenschap kunnen theaterteksten, opvoeringen en films analyseren vanuit hun inzicht in de belangrijkste theorieën die bestaan over deze kunstvormen en hun evolutie.
3. Zij hebben een overzicht van taalkundige theorieën en actuele taalkundige evoluties en van het begrippenarsenaal dat daarbinnen ontwikkeld is. Zij beschikken verder over inzicht in de (historische, geografische, sociolinguïstische) variatie van de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden. Op basis van deze kennis zijn zij in staat taalverschijnselen te analyseren en op een kritische wijze te interpreteren.
4. Zij zijn vertrouwd met de culturen gerelateerd aan de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden, maar ook met de westerse culturele, filosofische en artistieke traditie. Zij kunnen hun onderzoek en de door hen bestudeerde theorieën situeren ten opzichte van andere relevante kennisdomeinen en er de maatschappelijke relevantie van evalueren. Bachelors in de Theater-, Film- en Literatuurwetenschap kunnen theater en film situeren in de context van de algemene opvattingen over beeldcultuur en kunst.
5. Zij kunnen, onder begeleiding van een ervaren onderzoeker, de door hen verworven theoretische kennis verbinden met de gangbare onderzoeksmethodes. Zij kunnen daarbij snel en efficiënt informatie opzoeken, verwerken, interpreteren en kritisch evalueren, onder andere door verantwoord gebruik te maken van de modernste heuristische hulpmiddelen.

Concreet verwerven Bachelors in de Taal- en Letterkunde deze competenties door een opleiding te volgen over twee talen, hun literatuur en hun cultuur, of over één taal gecombineerd met de afstudeerrichting Theater-, Film- en Literatuurwetenschap. Deze opleiding omvat onder andere een bachelorscriptie, waarin studenten de competenties die in de opleiding verworven werden, geïntegreerd toepassen.

De bovenstaande kerncompetenties werden verder uitgewerkt in een lijst van dertig competenties die samen een geheel van vakkennis, vaardigheden en attitudes vertegenwoordigen. Deze competenties zijn relevant zowel voor studenten die wensen door te stromen naar een masteropleiding als voor studenten die na de opleiding wensen uit te stromen naar de arbeidsmarkt.

1. De bachelor heeft grondige actieve en passieve kennis van de taal/talen die op zijn/haar diploma vermeld wordt/worden.

2. De bachelor heeft daarbij inzicht in de gebruikscondities van deze taal/talen, en beheerst verschillende registers, aangepast aan de diverse contexten waarin de taal/talen functioneert/functioneren.

3. De bachelor bezit algemene kennis van de culturen die met de gekozen taal/talen geassocieerd zijn en hun artistieke uitingsvormen (waaronder theater en film).

4. De bachelor is vertrouwd met de cultuur of culturen die geassocieerd zijn met de taal/talen die op zijn/haar diploma vermeld wordt/worden (o.a. via internationale uitwisseling, stage, enz.).

5. De bachelor heeft globale kennis verworven van de westerse culturele traditie van de Oudheid tot de Moderne Tijd, van de filosofische inzichten binnen die traditie en van de opvattingen betreffende literatuur en kunst (in het bijzonder theater en film).

6. De bachelor bezit theoretische kennis met betrekking tot de drie literaire hoofdgenres (proza, poëzie en drama) en kan deze kennis ook correct gebruiken bij de lectuur en analyse van teksten. Hij/zij kan particuliere literaire teksten situeren in een literaire traditie en/of stroming.

7. De bachelor heeft een degelijk tekstanalytisch en literair-interpretatief vermogen ontwikkeld.

8. De bachelor heeft inzicht verworven in de historische evolutie, zowel van de taal/talen die op hun diploma vermeld wordt/worden, als van de literatuur die in die taal/talen geschreven is.

9. De bachelor kan de historische evolutie van de bestudeerde literatuur/literaturen situeren in het kader van de westerse en niet-westerse literatuur.

10. De bachelor kan de literatuurstudie situeren ten opzichte van andere relevante wetenschaps- en kennisdomeinen, zoals filosofie, psychoanalyse, sociologie, geschiedenis, politicologie, enz., en kan deze verbanden aanwenden bij de interpretatie en analyse van literaire teksten.

11. De bachelor heeft een overzicht van de verschillende taalkundige theorieën en is op de hoogte van actuele evoluties in het domein van de taalkunde.

12. De bachelor kent het gangbare taalkundige begrippenarsenaal en is in staat tot gerichte linguïstische analyse aan de hand van adequate en beredeneerde analysemethodes.

13. De bachelor is in staat om taalkundige inzichten op nieuw taalmateriaal toe te passen, en om kritisch om te gaan met de interpretatie van taalverschijnselen.

14. De bachelor heeft inzicht in de verbanden tussen de taalkunde en andere relevante wetenschaps- en kennisdomeinen zoals filosofie, psychologie, sociologie, artificiële intelligentie en computerwetenschap en kan deze verbanden aanwenden bij de analyse van taalfenomenen.

15. De bachelor kan wetenschappelijke problemen in zijn/haar veld identificeren, adequaat formuleren en oplossen, waarbij hij/zij rekening houdt met de actuele stand van het onderzoek over taal en/of literatuur.

16. De bachelor beschikt daartoe over voldoende inzicht in de gangbare en actuele redeneer- en onderzoeksmethodes binnen zijn/haar wetenschapsdomein.

17. De bachelor kan snel en efficiënt relevante informatie in zijn/haar discipline opzoeken, verwerken, interpreteren en kritisch evalueren.

18. De bachelor kan daarbij adequaat gebruik maken van bibliografieën, repertoria, databanken en andere heuristische hulpmiddelen in zijn/haar wetenschapsdomein.

19. De bachelor beschikt over een probleemoplossend vermogen, waarbij hij/zij de omgang met de in 15-18 genoemde informatie en inzichten combineert met creatief denkvermogen.

20. De bachelor heeft een kritische attitude ontwikkeld t.o.v. de diverse theorieën en opvattingen binnen hun vakgebied.

21. De bachelor is in staat de maatschappelijke relevantie van taalkundig of literair onderzoek (of het object ervan) te evalueren en na te gaan of het voldoet aan de gangbare eisen van maatschappelijke, geesteswetenschappelijke en ethische aard.

22. De bachelor is alert voor nieuwe evoluties in het gebied van de Taal- en Letterkunde, maar ook in de verwante wetenschapsdomeinen en binnen de algemene maatschappelijke en historische context waarin Taal- en Letterkunde bestudeerd worden.

23. De bachelor kan teksten produceren van wetenschappelijke c.q. vulgariserende, journalistieke, publicitaire aard.

24. De bachelor beschikt over de vaardigheid mondeling verslag uit te brengen of te enquêteren over zijn/haar onderzoek of over andere informatie i.v.m. taal, literatuur of cultuur.

25. De bachelor beschikt over inzicht in en reflectievermogen over taal- en communicatievaardigheid in de taal/talen die op zijn/haar diploma vermeld wordt/worden en kan dit inzicht ook zelf overbrengen in formele en minder formele contexten.

26. De bachelor kan deelnemen aan het wetenschappelijke debat binnen zijn/haar disciplines.

27. De bachelor kan deelnemen aan het bredere maatschappelijke debat over essentiële kwesties zoals levensbeschouwing, de relatie noord-zuid of de relaties tussen mens, natuur en maatschappij, en kan daarin een eigen beredeneerd standpunt innemen.

28. De bachelor is in staat om vervolgstudies aan te vatten, met name een Master in de taal- en/of letterkunde in de brede zin (dus ook in de taalkunde, de theater- en filmwetenschap, de literatuur van de moderniteit, de historische taal- en letterkunde, enz.), maar ook Masters in de bedrijfscommunicatie of opleidingen met didactische finaliteit.

29. De bachelor beschikt over de nodige flexibiliteit en de nodige vaardigheden i.v.m. het opzoeken, verwerken en voorstellen van informatie, om ook andere vervolmakingsprogramma’s aan te vatten die hun positie op de arbeidsmarkt verstevigen.

30. De bachelor beschikt dan ook over een openheid voor andere talen en culturen, o.a. verkregen via internationale uitwisselingsprogramma’s (Erasmus, gastdocentschappen, enz.).