1950 - 1960

1950

In januari 1950 ontvangt hij een aanmoedigingspremie van de provincie Brabant. Dezelfde maand wordt hem de Leo J. Krijnprijs toegekend voor de onuitgegeven roman De eendenjacht, die thans De Metsiers heet. Juryleden zijn onder anderen Raymond Herreman en Willem Elsschot, die aanvankelijk zeer terughoudend reageerde.
Hij neemt deel aan de tentoonstelling Apport met onder anderen Pierre Alechinsky en Corneille in Galerie Apollo te Brussel van 17 februari tot 2 maart 1950.
Hij wordt op 29 maart 1950 gedemobiliseerd.
Hij neemt deel aan de CoBrA-tentoonstelling met onder anderen Asger Jorn en Corneille in Galerie Apollo te Brussel van 8 tot 15 april 1950.
Publiceert in mei 1950 een reeks beschouwingen over het plastisch werk van zijn vriend Pierre Vlerick. Houdt een lezing over de stand van de literatuur op de 'Dagen van De Vlaamse Gids' te Oostduinkerke. Gispt de 'welomschreven en gewilde leemtes' in de voorgewende 'algemeen-groot-diep-menselijkheid' en lanceert de anti-leuze: 'Ik verkies, dat de eeuwig-menselijke thema's en dito-woorden een deukje krijgen.'
Elly Overzier vertrekt eind augustus-begin september 1950 naar Parijs, waar zij onder de naam Elly Norden wil proberen aan de bak te komen als actrice, fotomodel en/of mannequin. Nauwelijks een maand later, tegen eind september 1950, wordt zij gevolgd door Hugo Claus. In  september 1950 laat hij Zonder vorm van proces uitgeven door Draak te Brussel met 3 litho's van Pierre Alechinsky, hij publiceert in het tijdschrift Cobra gedichten, proza, tekeningen en een korte beschouwing, en schrijft gedichten bij tekeningen van Karel Appel, die onder de titel De blijde en onvoorziene week in december 1950 te Parijs gedrukt worden om te verschijnen in de zogenaamde CoBrA-bibliotheek.
Neemt tussen 9 en 22 december 1950 deel aan een Tijd en Mens-tentoonstelling in de Galerie Saint Laurent te Brussel met onder anderen Jan Cox.

1951

Schrijft de gedichten die in november 1955 zullen worden gepubliceerd onder de titel Paal en perk. Gedichten van Hugo Claus bij tekeningen van Corneille.
Neemt in februari 1951 met Alechinsky, Appel, Corneille, Jorn, Tajiri e.a. deel aan de tentoonstelling in de Librairie 73 boulevard Saint Michel te Parijs.
In maart 1951 verschijnt eindelijk de roman De Metsiers. In Nederland is het boek pas in september 1951 beschikbaar in de boekhandel.
Gaat in deze periode koortsachtig op zoek naar uitgevers voor een nieuwe roman (De hondsdagen), enkele dichtbundels (Een huis dat tussen nacht en morgen staat, Tancredo infrasonic...) en een reeks verhalen (De zwarte keizer). Onderhandelt ongeveer tezelfdertijd en vaak over dezelfde uitgaven met Elsevier, De Nederlandsche Boekhandel, Stols, Van Oorschot, De Sikkel, De Windroos, Manteau en De Bezige Bij.
Komt via Vinkenoog in contact met Bezige Bij-auteurs Bert Schierbeek en Ferdinand Langen.
In november 1951 verschijnt een boekje met een reeks beschouwingen Over het werk van Corneille gevolgd door een gedicht.

1952

Op Hemelvaartdag 1952 wordt hem de (tweede) Arkprijs van het Vrije Woord voor de roman De Metsiers uitgereikt.
In de zomer van 1952 keert hij terug naar België, weldra gevolgd door Elly. Hij verblijft in Villa Berkenhof, Veeweg 21 te Oostakker, waar ook zijn ouders dan verblijven.
In november 1952 verschijnen de dichtbundel Tancredo infrasonic en de roman De hondsdagen.

1953

Samen met Elly komt hij eind januari 1953 in Rome aan. Elly maakt er kennis met de Romeinse beau monde.
Legt op 2 april 1953 de laatste hand aan zijn Nota's voor een Oostakkerse cantate en stuurt de prozaboeken De zwarte keizer en Natuurgetrouw naar De Bezige Bij.
Hij werkt ondertussen dapper door aan het toneelstuk Een bruid in de morgen.
In mei 1953 wordt de dichtbundel Een huis dat tussen nacht en morgen staat gepubliceerd.
Correspondeert in juni van dat jaar met een Belgische drukker om zijn Nota's voor een Oostakkerse cantate - 'verweg het beste dat ik ooit schreef' - in eigen beheer te publiceren.
Vertrekt in oktober uit Rome en trekt via Parijs naar Brussel, waar hij op 4 november 1953 zijn eenakter De getuigen regisseert, om vervolgens, na een bezoek aan Nederland in het gezelschap van Simon Vinkenoog, via Parijs terug naar Rome te trekken.


1954

Reist begin 1954 met Elly door Italië: Genua, Turijn, Milaan, Florence.
Schrijft aan zijn vriend Jan Walravens dat hij de studie The Golden Bough van de Schotse antropoloog James G. Frazer, die hij naar eigen getuigenis via Hans Andreus leerde kennen, 'al drie-vier jaar' overal met zich meesleurt.
In mei 1954 verschijnt de surrealistische verhalenbundel Natuurgetrouw.
In de loop van de maanden juli en augustus 1954 distantieert hij zich steeds nadrukkelijker en openlijker van het zogenaamde experimentalisme.

1955

Nadat het toneelstuk Een bruid in de morgen gepubliceerd werd in de jaargang 1953-1954 van het Nieuw Vlaams Tijdschrift verschijnt het in mei 1955 als afzonderlijke boekuitgave in de Nieuw Vlaams Tijdschrift Reeks met een voorwoord van Herman Teirlinck. Op 1 oktober 1955 heeft de première plaats door het Rotterdams Toneel in een regie van Ton Lutz. Op 20 november 1955 gaat de Belgische première in de Antwerpse KNS in een regie van Fred Engelen.
Hij keert terug uit Italië, wordt op 25 april 1955 officieel bijgeschreven in het bevolkingsregister van Gent en trouwt er op 26 mei officieel met Elly Overzier. Op 31 mei wordt een vriendenfeest georganiseerd in La Fleur en Papier Doré van Geert van Bruaene te Brussel.
In juni 1955 houdt het tijdschrift Tijd en Mens op te bestaan. In dezelfde maand worden De Oostakkerse gedichten gepubliceerd.

1956

Krijgt in april 1956 het bezoek van de Franse componist François de la Rochefoucauld, die de eerste maten komt voorspelen van de opera De witte zee (La Mer blanche), waarvoor Claus het libretto schreef, maar die nooit zal worden opgevoerd.
Neemt van 19 tot 21 mei 1956 deel aan de 'Dagen van De Vlaamse Gids' te Oostduinkerke in aanwezigheid van onder anderen F. Bordewijk.
Van 16 juni tot 3 juli 1956 houdt Claus zijn eerste eenmanstentoonstelling in Galerie Taptoe te Brussel.
In november 1956 verschijnt de succesrijke roman De koele minnaar, die in een jaar tijd vier gebonden drukken kent.

1957

Begin januari 1957 wordt de tekst gepubliceerd die Claus aan het werk van Roger Raveel wijdt naar aanleiding van zijn tentoonstelling in de Gentse Kunst- en Letterkring.
Hij werkt aan het scenario van een speelfilm naar de roman van Anton Coolen, Dorp aan de rivier (1934) in een regie van Fons Rademakers.
Op 22 maart 1957 overlijdt grootmoeder Julienne Santens (16 februari 1871), 'Meerke', de weduwe van Achiel Vanderlinden.
Op 23 maart 1957 heeft de première plaats van Het lied van de moordenaar door Het Rotterdams Toneel in een regie van Ton Lutz. Op 11 mei heeft de Vlaamse première plaats door de Antwerpse KNS in een regie van Fred Engelen met Julien Schoenaerts in de rol van Hoeck.
Op 3 april 1957 wordt hij op voordracht van Minister van Onderwijs Leo Collard ridder in de Orde van Leopold II. Na herrie in de pers en in de Gentse gemeenteraad omtrent de tekst van het klank- en lichtspel beleeft Van de Vikings tot Keizer Karel (met muziek gecomponeerd door Daniël Sternefeld) zijn officiële première in de St.-Baafsabdij op 28 juni 1957.
Op 16 november 1957 heeft in de Amsterdamse Stadsschouwburg de première plaats van het door Claus vertaalde 'stemmenspel' van Dylan Thomas Onder het melkwoud door De Nederlandse Comedie in een regie van Han Bentz van den Berg. Het succes is overweldigend. Van de pocketuitgave gaan in een jaar tijd vijf drukken over de toonbank.

1958

Op 18 september 1958 gaat de film Dorp aan de rivier in de regie van Fons Rademakers naar het scenario van Hugo Claus in première.
Op 22 november van hetzelfde jaar heeft in de Rotterdamse Schouwburg de première plaats van het toneelstuk Suiker door Het Rotterdams Toneel in een regie van Ton Lutz. Het stuk verschijnt in dezelfde maand als pocket. Van deze uitgave gaan er tussen november 1958 en februari 1960 exact 15.684 exemplaren over de toonbank. 
In november 1958 verschijnt de vertaling van Dylan Thomas' verhalenbundel Als een jonge hond en Claus' eigen verhalenbundel De zwarte keizer.
Op 13 december 1958 heeft de première plaats van het vertaalde toneelstuk van Georg Büchner Dantons dood (1835) door De Nederlandse Comedie te Amsterdam in een regie van Fons Rademakers. De pocketuitgave verschijnt in dezelfde maand.

1959

Van 7 tot 21 maart 1959 heeft in de Galerie Aujourd'hui van het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel de tentoonstelling plaats Peintures sur papier. De catalogus bevat teksten van Gaëtan Picon en Jan Walravens.
Op 10 april 1959 brengt het Rotterdams Toneel de eerste opvoering van Georg Büchners drama Woyzeck in een regie van Ton Lutz en met decors van Nicolaas Wijnberg.
Op 11 april 1959 organiseren Elly en uitgeverij De Bezige Bij een feestje om 'de melancholie van Hugo's (reeds) dertigste verjaardag te verdrijven'.
Claus verblijft in de zomer van 1959 maandenlang op Ibiza, waar dan ook Harry Mulisch, Cees Nooteboom en Jan Gerard Toonder verblijven, en waar hij onder andere kennis maakt met de Amerikaanse schrijvers Dennis Murphy en John West.
Begin augustus 1959 wordt Claus meegedeeld dat hem 'a grant' werd toegekend 'to participate in the Young Artistst Project 1959-60 (Creative Writers)'. Het is een programma voor jonge kunstenaars dat gefinancierd wordt door een schenking van de Ford Foundation. Andere uitverkorenen waren Fernando Arrabal, Günter Grass, Claude Ollier, Alfred Tomlinson en Matitayahu Meged. Uiteindelijk ging Grass niet mee; wel werden Italo Calvino, Robert Pinget en Vassilos Vassilikos aan het gezelschap toegevoegd.
Op 31 oktober 1959 vertrekt Claus uit Le Havre met de SS United States. Hij reist van New York, Boston, Chicago en Denver naar San Francisco, vandaar over Las Vegas naar Mexico en Cuba. Via New Orleans keert hij terug naar New York en is tegen mei terug in het land.
In afwezigheid van de kunstenaar heeft van 21 november tot en met 13 december 1959 in de Rotterdamse Kunstkring een tentoonstelling van gouaches en tekeningen plaats onder de titel Kikkers en koningen in 't gebergte.
In december 1959 wordt de komedie Mama, kijk, zonder handen! gepubliceerd.

© Georges Wildemeersch