Korte biografie van Hugo Claus

Hugo Claus (Brugge, 5 april 1929 - Antwerpen, 19 maart 2008) is de bekendste hedendaagse Belgische auteur en één van de belangrijkste en productiefste na-oorlogse kunstenaars. Hij debuteerde kort na Wereldoorlog II als dichter. In ruim een halve eeuw bouwde hij een oeuvre op van meer dan 150 afzonderlijke boekpublicaties , dat in hoofdzaak bestaat uit gedichten, verhalen, romans en toneelstukken. Er bestaan van zijn werk meer dan 100 vertalingen  in een twintigtal talen.

Van grote betekenis voor Claus was de kennismaking met het modernisme en vooral met het surrealisme (1948). Behalve een esthetische aangelegenheid is het surrealisme voor hem een levenswijze met verstrekkende ethische implicaties. Vandaar dat literatuur en leven bij hem zozeer verwisselbare grootheden lijken. Zoals zijn leven - Claus heeft jarenlang in Frankrijk, Italië en Nederland gewoond - staat ook zijn werk geheel in het teken van de drang naar vrijheid, avontuur en onafhankelijkheid. Met de surrealisten deelt Claus de ambitie om de traditionele voorwaarden van het leven te veranderen door de oorlog te verklaren aan alles wat de vrije ontplooiing van de mens hindert. Hij heeft nooit het soort geëngageerde schrijverschap van een Jean-Paul Sartre of een Günter Grass nagestreefd. Dat neemt niet weg dat zijn werk soms onomwonden lucht geeft aan politieke standpunten. Claus' maatschappijkritiek is sterk anarchistisch gekleurd: centraal staat het individu dat zich in zijn ontwikkeling geremd weet door allerlei instituties: de school, de familie, de kerk, de staat... In zijn werk rekent Claus af met deze fnuikende factoren.

Claus is een solitair, die steeds zijn eigen weg is gegaan en altijd afstand gehouden heeft. Afstandelijkheid gaat bij hem gepaard met openheid en ontvankelijkheid. Aan zijn belangstelling voor het surrealisme heeft hij een voorkeur overgehouden voor dissidente figuren als Antonin Artaud - die hij in 1948 tot anti-vader proclameert - en Raymond Queneau. Vanaf 1949 is hij betrokken bij de Belgische tak van de internationale schildersbeweging CoBrA (Christian Dotremont, Pierre Alechinsky). In Parijs in het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw komt hij bijna dagelijks in contact met de experimentele schilders (Karel Appel, Corneille, Asger Jorn...) en hun dichtende soortgenoten (Simon Vinkenoog, Hans Andreus, Remco Campert, Lucebert...). In de dichtbundel Zwart (1978), geschreven bij werk van Appel en Alechinsky, en de roman Een zachte vernieling (1988), die de Parijse tijd (1950-1952) evoceert, hekelt hij de experimentele cultus van de directe expressiviteit, van het primitivisme en van het anti-rationalisme.

Het werk van Claus heeft vaak een solide realistische grondslag. Maar evenmin als Gustave Flaubert of James Joyce is hij een realist. Hij is ervan overtuigd dat de werkelijkheid iets anders, iets meer is dan wat we dagelijks kunnen waarnemen. Maar wat aan de waarneming ontsnapt - het subjectieve, het imaginaire, het onbewuste -, is in het werk ook niet altijd meteen terug te vinden. Hierbij maakt Claus in sterke, zij het wisselende mate gebruik van de zogenaamde allusie- en citatentechniek. Wat tot de wereld van de droom en de mythe behoort, komt in de tekst hooguit in de vorm van vage verwijzingen, cryptische allusies en vervormde citaten aan de oppervlakte.

De bundel De Oostakkerse gedichten (1955), het eerste poëtische hoogtepunt, zet de toon voor het hele werk. Telkens weer duiken de tegenstellingen op tussen natuur en cultuur, vitalisme en eruditie, bekentenis en verhulling, traditiebewustzijn en onafhankelijkheid. Later verduidelijkt Claus zijn positie in toenemende mate aan de hand van verwijzingen naar de westerse filosofische traditie. Typisch is wel dat deze ernstige en ambitieuze onderneming meteen gecounterd wordt door een luchtiger en lichtvoetiger benadering: hij wisselt doorwrochte, hermetische leespoëzie af met luchtige, toegankelijke hoorpoëzie, tegenover langere beschouwende gedichten plaatst hij flitsende knittelverzen, triviale anekdotes, berijmde dagboekbladen en kunstig gelegenheidswerk. Ook technisch legt Claus zich geen belemmeringen op. Nu eens werkt hij associatief en dan weer strikt logisch, hij schuwt sonnet noch vrij vers, retoriek noch parlando, en vermengt het tragische, verhevene en klassieke met het burleske, banale en obscene. In bundels als Almanak (1982) en Alibi (1985) brengt hij volop de ambivalentie in de praktijk, die zich onder meer uit in een gespannen verhouding tot de vrouw en de eigen gemeenschap. Zoals ook spreekt uit de titel van een bundel als Wreed geluk (1999), is verdeeldheid bij Claus een constante. Zij garandeert de beweeglijkheid van een schrijver die niet op een stelling, maar hooguit op een tegenstelling is vast te prikken.

Ook in zijn prozawerk viert de verscheidenheid hoogtij. Maniëristische en esoterische stukken wisselen af met taferelen in de volkstaal, epische passages met dialogen en lyrische fragmenten, onversneden naturalistische voorstellingen met groteske of surrealistische verbeeldingen. Als geen ander Nederlandstalig auteur heeft Claus de technische verworvenheden van de internationale avant-garde dienstbaar weten te maken aan het eigen werk. Hij hanteert procédés ontleend aan de film (montage, flash-back, close-up) en aan de psychoanalyse (projectie, verdichting). Hij viert zijn varieerlust bot door wisselende vertellers in te voeren, door ik-vormen af te wisselen met hij-vormen of door beide te combineren met wij-vormen, wat aan het klassieke koor herinnert. Vlaamse boerenromans, zoals De Metsiers (1950) en Omtrent Deedee (1963), worden gevolgd door exotische artiestenromans, die nu eens lichtvoetig en toegankelijk zijn, zoals De koele minnaar (1956), en dan weer topzwaar en hermetisch, zoals Schaamte (1972). Twee hoogtepunten in zijn prozawerk houden zich bezig met de nawerking van Wereldoorlog II, nl. De verwondering (1962) en De geruchten (1996). Over dat onvoltooide verleden, bekeken door een opgroeiende knaap in het Vlaanderen van de jaren 1939-1947, handelt ook zijn lijvige magnum opus, Het verdriet van België (1983), de som van zijn thematiek en een staalkaart van zijn technisch kunnen, tegelijk inwijdingsverhaal en documentaire roman, Bildungsroman en familiekroniek, kunstenaarsroman en historische evocatie.

Claus, die ook actief is als theaterregisseur, is een zeer productief toneelschrijver. Hoogtepunten in zijn toneelwerk zijn Een bruid in de morgen (1955), Suiker (1958) en Vrijdag (1969). Zijn succesrijkste stukken hebben een zeker realisme gemeen en putten hun sterkste effecten uit een mengeling van komiek en tragiek. Ook in zijn theater is verscheidenheid troef. Nu eens brengt hij Artauds theater van de wreedheid in de praktijk, zoals in Thyestes (1966), dan weer grijpt hij terug naar het epische theater in de trant van Bertolt Brecht, zoals in Het lied van de moordenaar (1957). Hij schreef zowel tragedies als komedies, zowel romances als satiren, en bij voorkeur een mengvorm van beide. Zoals in zijn proza kampen de hoofdpersonen van zijn toneelwerk met psychische, seksuele en sociale problemen. Vaak summier en suggestief wordt een verband gelegd tussen deze problemen en de moeilijkheden waarmee zij tijdens hun jeugd in het ouderlijk huis hadden af te rekenen. De storing in hun ontwikkeling heeft geleid tot een gestoorde relatie met de werkelijkheid. In heel Claus' werk staat de figuur van Oedipus, zij het vaak op verdoken wijze, centraal. Hij is het symbool van de fundamentele afhankelijkheid en onvrijheid (psychologisch, existentieel, maatschappelijk...) van de mens. Als gevolg van hun oedipale bindingen blijven Claus' hoofdpersonen onvolwassen, kunnen zij de rol van vader, minnaar of held niet aan en hebben zij een problematische relatie met de familie, de vrouw en de maatschappij.

Claus is een bijzonder actief en veelzijdig vertaler en bewerker, vooral van theaterteksten. Hij vertaalde uit de Griekse en Latijnse literatuur onder meer Aristophanes, Euripides, Seneca en Sophocles. Uit het Engels vertaalde hij Samuel Beckett, Noel Coward, Ben Jonson, Fay & Michael Kanin, Christopher Logue, Christopher Marlowe, Dylan Thomas, William Shakespeare en Cyril Tourneur; uit het Frans Jean Anouilh, Jacques Audiberti, Charles de Coster, Fernand Crommelynck, Michel de Ghelderode en Jean-Clarence Lambert; uit het Italiaans Giorgio Gaber en Natalia Ginzburg; uit het Duits Georg Büchner, Christian Dietrich Grabbe en Franz Grillparzer, en uit het Spaans Fernando de Rojas, Federico Garcia Lorca en Ramón María del Valle-Inclán.

Daarnaast is Claus ook actief als schilder , filmmaker en librettist. Een indruk van de diversiteit die zijn plastisch werk biedt, levert het boek Hugo Claus. Beelden (1988). Tot de belangrijkste individuele tentoonstellingen behoren exposities in Brussel (1956, 1959, 1961, 1987), Rotterdam (1959), Amsterdam (1963, 1986, 1988), Antwerpen (1978, 1989), Berlijn (1988) en Luik (1991). Hij schreef een twintigtal scenario's en regisseerde verscheidene films, waaronder De vijanden (1967), Vrijdag (1980) en De verlossing (2001). Tot Claus' belangrijkste muziekprojecten behoren de libretto's die hij schreef voor François de la Rochefoucauld, La Mer blanche (1956), voor Bruno Maderna, Morituri (1968) - over de oorlog in Vietnam - en voor Konrad Boehmer, Georg Faust (1985).

Uit zijn werk spreekt geen bijzondere voorkeur voor bepaalde stijlen, genres of kunstvormen. Voorop staat de optimale realisatie van het beoogde effect. De grensverkenningen en -overschrijdingen die hij onderneemt, getuigen van een doorgewinterd vakmanschap. Over schilders en hun werk schrijft hij essays (Karel Appel. Schilder, 1964), filmcommentaar (Brueghel, 1969), scenario's (Rubens, 1977) en nog het vaakst - van Jeroen Bosch en Hugo van der Goes tot Paul Joostens en Roger Raveel - gedichten. Vooral in zijn bewerkingen schakelt hij schijnbaar moeiteloos om van genre of kunstvorm. Hij herschrijft eigen en andermans proza voor het theater, maar werkt ook eigen toneelwerk om tot roman (Jessica!, 1977). Filmscenario's schrijft hij nu eens naar eigen werk, zoals naar het verhaal Het mes (1961), dan weer naar romans van anderen, zoals Dagboek van een oude dwaas (1986) naar Junichiro Tanizaki. Maar ook het omgekeerde gebeurt en van Jean-Luc Godards film Pierrot le fou maakt hij het toneelstuk Gekke Gerrit (1972). Een mooi voorbeeld van deze anti-specialistische werkwijze is Omtrent Deedee. Deze roman (1963), die oorspronkelijk een script was, werd naderhand herschreven tot het toneelstuk Interieur (1971) en nog later omgewerkt tot een scenario, dat hij zelf regisseerde onder de titel Het sacrament (1989).

Claus is de meest gelauwerde auteur in het Nederlands taalgebied. Hij ontving een vijftigtal prijzen,  waaronder zeven Belgische of Vlaamse staatsprijzen, diverse Nederlandse bekroningen en de Belgisch-Nederlandse Prijs der Nederlandse Letteren (1986), de hoogste onderscheiding voor een Nederlandstalig auteur. Tot de internationale bekroningen behoren de Prix Lugné-Poë (1955), de Ford Foundation Grant (1959), de Prix International Pier Paolo Pasolini (1997), de Aristeion Literatuurprijs (1998), de Premio Nonino (2000) en de Preis für Europäische Poesie (2001).

© Georges Wildemeersch