Weerstations onder de grond

Wetenschappers stoppen weerstations onder de grond

Jonas Lembrechts (UAntwerpen) coördineert project om impact klimaatverandering op natuur correcter in te schatten. 

Onze huidige weerstations zijn reeds prima aangepast aan de anderhalvemeterschappij: ze monitoren de temperatuur in artificiële omstandigheden op 1,5 tot 2 meter hoogte. “Onvoldoende”, zeggen Jonas Lembrechts (UAntwerpen) en collega’s. De wetenschappers zetten een nieuwe database op poten om de klimaatverandering te meten op het niveau van onze biodiversiteit.

Weerstations zijn erg handig om ons dagelijkse weer en de regionale en wereldwijde veranderingen in ons klimaat te monitoren. Vanuit het perspectief van de natuur zijn die data echter ontoereikend. Dat schrijft een internationaal team van wetenschappers onder leiding van onderzoeker Jonas Lembrechts (UAntwerpen). Wat nog erger is: de voorspelde opwarming die onze natuur zelf zal ervaren zou ook wel eens heel sterk kunnen afwijken van wat de klimaatmodellen voorspellen.

Het probleem is eenvoudig, legt Lembrechts uit. “Weerstations meten de temperatuur op 1,5 à 2 meter boven de grond, in goed geventileerde kamertjes, boven een netjes gemaaid gazonnetje. Voor de natuur zijn die temperaturen echter een ver-van-mijn-bedshow. De meeste dieren en planten (insecten, bodemorganismen, kruiden, kleine zoogdieren…) brengen namelijk een groot deel van hun leven dicht bij de grond door, waar de temperaturen enkele tot zelfs tientallen graden kunnen verschillen van die weerstationtemperatuur. Dit zogenaamde ‘microklimaat’ voel je zelf onmiddellijk als je op een zomerse dag je hand op het hete strandzand legt, of op een koel bedje van mos in het bos.”

Snellere opwarming
Die grote verschillen die we op het strand en in het bos voelen, leiden over de jaren heen tot een klimaat dat gemiddeld meerdere graden warmer of kouder is dan wat het weerstation aangeeft. Dat kan de effecten van de klimaatverandering bufferen of juist versterken. Die verschillen zijn vandaag reeds cruciaal om de natuur te begrijpen, zo argumenteren Lembrechts en collega Ivan Nijs in het vakblad Science, maar door de klimaatverandering worden ze al helemaal doorslaggevend. “Een voorspelde toename met 2 °C zou op de bosbodem wel eens heel anders kunnen aanvoelen, zeker als de mens zich er mee bemoeit,” aldus Lembrechts.

Weerstations onder de grond

Miniweerstationnetjes – zoals hier in een gazon – meten de temperatuur op plekken die er toe doen voor het ecosysteem.

Een andere studie in dezelfde editie van Science, uitgevoerd door onder anderen wetenschappers van het Forest & Nature Lab van de Universiteit Gent en geleid door de Zwitserse ecoloog Florian Zellweger, rapporteert bijvoorbeeld dat het klimaat op bosbodems in bossen met intensere houtkap in de laatste decennia veel sneller is opgewarmd dan gemiddeld, met grote gevolgen voor de toekomst van de biodiversiteit in het bos.

Dicht bij de natuur meten
Ecologen waren zich al een tijdje bewust van dit probleem, maar een goede oplossing bleef uit. Tot nu: onderzoekers van over de hele wereld – Lembrechts bracht ondertussen al wetenschappers uit meer dan 50 landen bij elkaar – slaan de handen in elkaar om eindelijk klimaatdata te verkrijgen waar ook de biodiversiteitscrisis mee kan worden aangepakt.

Zij richtten nu SoilTemp op, een database van klimaatdata die die extra factoren mee in rekening brengt. Door overal ter wereld de temperatuur te meten dicht bij de natuur, krijgen ze zicht op hoe sterk dat microklimaat kan afwijken van de metingen in het weerstation. Ze hebben zo al bijna tienduizend meetlocaties bij elkaar, waarmee ze die ultieme vraag hopen te beantwoorden: hoe groot is de impact van de klimaatverandering op onze biodiversiteit?