Meest recente nieuws bovenaan, scroll naar onder voor andere nieuwsitems.

Zomers met langere natte en droge periodes kunnen biodiversiteitverlies versnellen

Terwijl de hitterecords elkaar opvolgen (met 2020 als warmste jaar ooit sinds 1833), wordt het alsmaar duidelijker dat klimaatopwarming ook zorgt voor een verandering in neerslagpatronen. Wat zijn de gevolgen van zulke veranderingen voor natuurlijke en beheerde ecosystemen? En kunnen we daar iets aan doen? Simon Reynaert (Global Change Ecology Centre, onderzoeksgroep Planten en Ecosystemen) zoekt mee naar duurzame oplossingen.

Modelecosystemen

Simon bestudeert de effecten van veranderende neerslagpatronen op graslanden in gematigde streken. Hij maakt hierbij gebruik van ‘modelecosystemen’.

Simon Reynaert: “Natuurlijke ecosystemen zijn bijzonder complex. Door gebruik te maken van een modelecosysteem, waarbij we mini-graslanden met dezelfde soortensamenstelling onderwerpen aan verschillende neerslagregimes, kunnen we in detail veranderingen in ecosysteemprocessen bestuderen. Bij een zuivere veldstudie zouden op korte termijn veel van die details verloren gaan in de ruis van natuurlijke variatie.”

Een model grasland ecosysteem met de belangrijkste soortengroepen zoals grassen, klavers en andere kruidachtigen

Droogte als de belangrijkste boosdoener

Reynaert: ”Een nieuwe studie in zo’n modelecosysteem wijst uit dat tijdens zomers met langere natte en droge periodes het risico op biodiversiteitsverlies verhoogt. Vooral klavers en verschillende kruiden, belangrijk voor tal van bestuivende insecten, lijken extra gevoelig voor meer extreme fluctuaties in waterbeschikbaarheid.”

Het belangrijkste mechanisme achter dit soortenverlies bleek droogte te zijn, met momenten van gedeeltelijk herstel tijdens de natte periodes. Hoe langer en intens de droogte(s), hoe kleiner de kans op overleving tegen het einde van het groeiseizoen.

Duurzame oplossingen

Het is duidelijk dat de vermindering van droogtestress de sleutel is tot het vinden van oplossingen voor dit biodiversiteitsverlies. Simon: “Ons onderzoek toont ook nog eens het belang van het nieuwe burgerwetenschapsproject CurieuzeNeuzen In de Tuin. Dit zal nieuwe informatie leveren over hoe iedereen kan bijdragen aan een meer biodiverse toekomst.”

De resultaten zijn ook bijzonder relevant voor landbouwgraslanden. Eerdere studies hebben aangetoond dat een verlies van klavers (die stikstof kunnen fixeren) in graslanden, kan leiden tot verminderde productiviteit en hooikwaliteit. Simon: “Maar we werken ondertussen verder aan de oplossingen. We kijken welke rol toevoegen van organisch materiaal kan spelen in de vochthuishouding. En we bestuderen of nieuw ontwikkelde grassoorten beter bestand zijn tegen deze droogte. Op het einde van mijn doctoraat hoop ik oplossingen te kunnen aanreiken die ook landbouwgraslanden kunnen versterken.”


Simon werkte de afgelopen jaren mee aan het interfacultair project REGIME SHIFT (gecoördineerd door Ivan Nijs en Hans De Boeck), waarin de gevolgen van meer persistente weerspatronen (langere natte en droge periodes) op graslandecosystemen worden onderzocht. Door plant- en bodem ecologie te combineren met plant-fysiologie en bio-informatica, zorgt REGIME SHIFT voor groeiend inzicht in complexe ecosysteemprocessen en hoe ze reageren op klimaatverandering.

“Meeste teken zitten dieper in het bos”

De laatste decennia zijn ziektes die worden overgedragen door teken in opmars in West-Europa, net als de teken zelf. De ziekte van Lyme is het meest opvallende en meest voorkomende voorbeeld. Maar hoe zit het met de hoeveelheid teken in Vlaamse bossen? En komen teken evenveel voor in de buurt van wandelpaden als dieper in het bos? Onderzoek van Mats Van Gestel (UAntwerpen – UGent - FWO) brengt de tekendensiteit in detail in kaart.

De kans dat men bij een bezoek aan een bos in contact komt met een teek en mogelijk een aandoening als de ziekte van Lyme oploopt, hangt in grote mate af van de kans op contact met de schapenteek (Ixodes ricinus), de meest voorkomende teek in onze regio. Onderzoek van de voorbije jaren bracht aan het licht dat loofbossen die grote, gezonde populaties reeën en muizen in stand kunnen houden, hogere dichtheden aan teken hebben.

Waar we echter nog veel minder over weten, is de variatie in tekendensiteit binnen bosgebieden. Is de tekendensiteit in de buurt van wegen even groot als dieper het bos in? En komen teken even vaak in speelbossen voor als in natuurlijke bossen?

Tekenvlaggen

Om deze vragen te beantwoorden zette Mats Van Gestel (onderzoeksgroepen Evolutionaire Ecologie (Global Change Ecology Centre UAntwerpen) en ForNaLab (UGent) met de steun van FWO) een studie op om tekendensiteit in detail in kaart te brengen op plaatsen waar bezoekers veel tijd doorbrengen, zoals paden en zitbanken. In deze studie werden er teken gevangen op meetpunten waar drie soorten locaties met een verschillende graad van recreatief gebruik aanwezig waren: zitbanken, de berm naast het pad dat langs deze banken loopt en nabijgelegen plekken dieper in het bos.

Teken werden gevangen door een stoffen vlag over de grondvegetatie te slepen (‘tekenvlaggen’). Het vangen van teken gebeurde op 36 van deze drievoudige meetpunten, verdeeld over 10 gebieden onder beheer van de Provincie Antwerpen en het Agentschap Natuur & Bos (zoals bv. het Prinsenpark, de Averegten,  het Peerdsbos en de Inslag).


                                         Gewapend met zijn tekenvlag trok Mats Van Gestel het bos in


Altijd waakzaam blijven

Mats Van Gestel: “Onze studie toonde een duidelijk verband aan tussen de vegetatie in bossen en de tekendensiteit bij recreatieve infrastructuur. De laagste densiteit aan teken werd gemeten in de directe nabijheid van de banken, en was al hoger in de berm langs de paden. De hoogste dichtheden werden gemeten dieper in het bos. Zoals verwacht werden meer teken gevangen in bosbestanden die gedomineerd worden door loofbomen en in bosbestanden met een meer ontwikkelde struiklaag. Dit vertaalde zich ook in een hogere densiteit van teken aan de paden en banken bij dergelijke bosbestanden.”

Door deze nieuwe kennis wordt het mogelijk om binnen een bos in te schatten waar er een relatief hoge kans op tekenbeten is en kan het beheer hieraan aangepast worden. Zo kunnen bezoekers op risicoplekken duidelijk geïnformeerd worden, waardoor zij preventieve maatregelen kunnen nemen.

Van Gestel: “Onze studie is een belangrijke stap naar een efficiënter “tekenbeheer”. Op zich is het goed nieuws dat teken het meest voorkomen op plekken met de minste contactkans, namelijk dieper in het bos. Toch blijft het sowieso belangrijk dat bosbezoekers ook op plekken met een lager risico waakzaam blijven: op alle onderzochte locaties bleek er een reëel risico op een tekenbeet.”

Contact:

Mats Van Gestel Mats.vangestel@uantwerpen.be T +32 4 79 38 18 56


Meettorens krijgen certificaat en leveren bijdrage aan klimaatonderzoek in Europa en wereldwijd

In november dit jaar werd de onderzoeksgroep PLECO (die deel uitmaakt van het Global Change Ecology Centre) beloond voor vijf jaar hard werken. PLECO opereert drie “fluxtorens”: meettorens die de broeikasgasuitwisseling tussen de atmosfeer en ecosystemen continu in kaart brengen. In november 2020 werden de drie fluxtorens door ICOS, het Integrated Carbon Observation System, officieel gecertificeerd.

In 2015 trad België toe tot ICOS, een Europees meetnetwerk voor het monitoren van broeikasgasconcentraties en -uitwisseling in Europa. De data die door het netwerk verzameld worden, worden o.a. gebruikt om te kijken hoe klimaatverandering ecosystemen beïnvloed. Ze kunnen ook worden gebruikt om te kijken hoe die klimaatverandering zelf wordt beïnvloed door de natuur: ecosystemen nemen immers heel wat door de mens uitgestoten CO2 op, en helpen ons zo een handje bij het halen van de klimaatdoelstellingen.

Zo voerde in 2018 ICOS een grootschalige studie uit naar de gevolgen van de extreem hete en droge zomer. De resultaten van de studie waren verontrustend. Bossen die onder normale omstandigheden CO2 opnemen en dus een buffer tegen de klimaatopwarming vormen, stootten plots meer CO2 uit en werden hiermee bronnen van uitstoot. Tevens werd met de ICOS data dit voorjaar een studie uitgevoerd naar de effecten van de eerste Covid-19 lockdown op de uitstoot van broeikasgassen in Europese steden. De uitstoot bleek significant gedaald, wat bewijst dat veranderingen in mobiliteit en gedrag wel degelijk een impact hebben op onze uitstoot en op termijn dus ook op de klimaatverandering (zie Figuur 1). De kennis die dit soort studies voortbrengen zijn de sleutel bij het uitstippelen van een effectief beleid, gericht op het inperken van de gevolgen van de klimaatopwarming bij ons en wereldwijd.

Gemiddelde dagelijkse CO2-emissie van 5 februari tot 6 mei 2020 (rood gebied), met gemiddelde van de voorbije jaren over dezelfde periode (grijs gebied). De donker oranje horizontale balken duiden periodes van een officiële lockdown aan terwijl de licht oranje balken gedeeltelijke lockdowns of algemene maatregelen aanduiden (bv. scholen gesloten, persoonlijke contacten beperkt, mobiliteitsbeperkingen).


De data die door het ICOS meetnetwerk verzameld worden zijn “open source”: dit wil zeggen dat ze door wie dan ook ter wereld gratis kunnen gebruikt worden. Op die manier is ICOS een katalysator voor het wetenschappelijk onderzoek naar de klimaatopwarming. De data zijn allemaal gestandaardiseerd en gecertificeerd. Hier gaat uiteraard een lang proces aan vooraf. De onderzoekers die de meettorens bouwen en opereren doorlopen hiervoor een strenge procedure van selectie, standaardisering en kwaliteitscontrole.

Zo vernieuwde PLECO twee van zijn bestaande fluxtorens, gelegen respectievelijk in een populierenplantage in Lochristi en een stadsbos in Brasschaat, en bouwde ze een gloednieuwe meetsite in het Nationaal Park De Hoge Kempen in Maasmechelen. De torens moeten in alle weersomstandigheden continue en betrouwbare data geven en dit op de meest uitdagende locaties.

Na vele technische en logistieke uitdagingen keurde de General Assembly van ICOS in november de certificering en toetreding tot ICOS van de meettoren van Brasschaat goed. In het voorjaar van 2020 werden de torens van Lochristi en Maasmechelen ook al op dezelfde wijze gecertificeerd. De drie fluxtorens van PLECO behoren nu officieel tot het ICOS meetnetwerk en zullen vanaf nu actief bijdragen aan het wereldwijde onderzoek naar de klimaatproblematiek.

Een echte mijlpaal voor het ICOS team van PLECO: deze verwezenlijking plaatst UAntwerpen opnieuw op de kaart als een leidende partner binnen ICOS.


Nieuw dataplatform voor vogelpopulatie-onderzoek

Lange tijdreeksen van data zijn van onschatbare waarde in ecologisch onderzoek, maar ze worden pas echt waardevol als ze ook makkelijk te vinden, te raadplegen en te vergelijken zijn. Het Nederlandse NIOO lanceerde een uniek nieuw dataplatform voor vogelonderzoek dat wordt voorgesteld in een publicatie in The Journal of Animal Ecology.

Het platform telt nu al data van 19 vogelsoorten en meer dan 1.5 miljoen individuele vogels. De Universiteit Antwerpen was van bij aanvang betrokken bij het initiatief. Erik Matthysen (Global Change Ecology Centre, Research Group Evolutionary Ecology), co-auteur van de publicatie: “Populatie-onderzoek door het ringen van vogels en opvolgen van nesten wordt in zeer veel instituten gedaan en leidt in principe tot zeer vergelijkbare data, maar als het erop aankomt heeft elke onderzoeker zijn eigen datasysteem en gebruikt zij of hij net iets andere codes of definities van belangrijke gegevens. Het bijzondere aan dit project is het toelaat om op eender welk moment alle beschikbare data in een kant en klaar format te gieten”.

Dit maakt het nog makkelijker om geografische patronen te bestuderen, populatietrends te linken aan klimaatverandering of verstedelijking, en soorten onderling te vergelijken. Zo kon in een eerdere studie, op basis van een deel van de data, aangetoond worden dat veel vogelsoorten zich onvoldoende snel kunnen aanpassen aan de veranderende seizoenen. Met de nieuwere, grote database kan nog diepgaander onderzoek worden uitgevoerd.