Meest recente nieuws bovenaan, scroll naar onder voor andere nieuwsitems.

Landbouw en biodiversiteit hoeven geen tegenpolen te zijn

De alsmaar toenemende vraag naar land voor voedselproductie zorgt voor een wereldwijde achteruitgang van de biodiversiteit. Biodiversiteit en voedselproductie in evenwicht brengen is dan ook één van de grootste uitdagingen van onze tijd. Uit een nieuwe studie blijkt dat deze integratie niet onrealistisch hoeft te zijn. Maar dan moeten biodiversiteit, veeteelt en gewasteelt wel van bij de start te samen worden bekeken in toekomstige ruimtelijke plannen.

Lees verder op: https://globalchangeecology.blog/2021/11/23/landbouw-en-biodiversiteit-hoeven-geen-tegenpolen-te-zijn/

TURQUOISE - Blauwgroene strategieën voor aanpassing aan klimaatverandering

Droogte en waterschaarste worden 'het nieuwe normaal' in Vlaanderen. De afgelopen jaren is er veel energie gestoken in verschillende maatregelen, maar de doeltreffendheid ervan is vaak moeilijk hard te maken. Het TURQUOISE-project gaat zich toespitsen op maatregelen met een groot potentieel voor schaalvergroting.

De afgelopen zomers waren de droogste van de voorbije decennia. Er zijn voldoende aanwijzingen dat soortgelijke of intense droogte en waterschaarste in de toekomst 'het nieuwe normaal' zullen worden in Vlaanderen. Bovendien is er door de klimaatverandering steeds meer extreme neerslag, wat tot meer overstromingen leidt. Voor een toekomstbestendig waterlandschap is een gecombineerd beheer van perioden van te weinig water én van te veel water van cruciaal belang. We moeten zoveel mogelijk water duurzaam en veilig bewaren wanneer we kunnen, om er vervolgens perioden van waterschaarste mee te overbruggen.

Met de Blue Deal evolueert het Vlaamse overheidsbeleid nu snel naar zo'n geïntegreerde aanpak van waterbeheer. Toch slagen de huidige praktijken er niet in om de risico's aanzienlijk in te dijken. En dat brengt ons bij een nieuw project: TURQUOISE. Dit onderzoeksproject met FWO/SBO-financiering wil de belangrijkste uitdagingen op het vlak van waterbeheer aanpakken via een doeltreffende blauwgroene aanpassing.


Kaarten voor een optimale aanleg

Jan Staes (UAntwerpen, coördinator van het project): “Typische blauwgroene oplossingen zoals infiltratievijvers, herstel van draslanden, greppel-bermen, bufferstroken, mulching of hermeandering helpen tegen droogte en overstromingen, maar de concrete doeltreffendheid van deze maatregelen is vaak moeilijk hard te maken. Het lijkt erop dat de doeltreffendheid in hoge mate afhangt van de plaats waar een maatregel wordt toegepast. Daarom gaan wij richtsnoeren en kaarten ontwikkelen voor een optimale aanleg. De tweede grote vraag is of dergelijke maatregelen kunnen voorkomen dat meteorologische droogte (gebrek aan regen) zich verder ontwikkelt tot hydrologische droogte (laag grondwaterpeil en rivierdebiet).”

De voorbije jaren is er veel moeite gedaan om een 'beoordelingskader voor prioritair watergebruik' te ontwikkelen. Dat kader moet het mogelijk maken om objectievere beslissingen te nemen tijdens periodes van hydrologische droogte om de watervoorraden beter toe te wijzen en zo de ecologische, sociale en economische schade zoveel mogelijk te beperken. Dit project richt zich op oplossingen om dergelijke harde beslissingen te voorkomen. We kunnen het weer niet naar onze hand zetten, maar we kunnen wel beter gebruikmaken van het neerslagoverschot door het op te slaan in de bodem, in waterhoudende grondlagen en in draslanden.


Versnipperde visies

Jan Staes: “Er is weinig kennis over hoe al deze maatregelen op grotere schaal optimaal gecombineerd kunnen worden. Binnen TURQUOISE zullen we ons toeleggen op maatregelen die een groot potentieel hebben voor opschaling.”

Bovendien worden de meeste initiatieven momenteel aangestuurd vanuit één enkel sectoraal oogpunt, waardoor synergiën en kansen verloren gaan. Dat leidt tot versnipperde visies en realisaties, en uiteindelijk tot een allesbehalve veerkrachtig waterlandschap.

Als we willen komen tot een optimale uitvoering van de Blue Deal moeten we het ontwerp van blauwgroene aanpassingsstrategieën verbeteren, maar ook het plannings- en uitvoeringstraject vergemakkelijken. Jeroen De Waegemaker (ILVO, projectpartner): “Daarom besteden wij ook bijzondere aandacht aan een sociaaleconomische component om de investeringsbehoeften, kosten en baten te kwantificeren. TURQUOISE zal ons helpen na te gaan hoe we kunnen komen tot een geïntegreerde aanpak op verschillende bestuursniveaus waar alle belanghebbenden zich achter kunnen scharen.”



Diverse proefprojecten

Patrick Willems (KU Leuven, projectpartner): “Er zijn twee cruciale vragen die beantwoord moeten worden: hoe lang blijft het vastgehouden en geïnfiltreerde water beschikbaar in het watersysteem? En de volgende vraag is natuurlijk hoeveel van dergelijke maatregelen we echt nodig hebben om hydrologische droogte te voorkomen. Hoe kunnen we een verschil maken in een volledig stroomgebied? Daarvoor hebben we hydrologische modellen nodig waarin deze maatregelen verwerkt kunnen worden. Dat klinkt misschien simpel, maar dat is het niet. Het is een enorme uitdaging om zulke kleinschalige maatregelen in rekening te brengen in stroomgebiedmodellen.'

Jan Cools, onderzoeksmanager bij IMDO (UAntwerpen): “Tijdens de voorbereiding van het voorstel werden verschillende proefprojecten geïdentificeerd, die verschillende subsystemen van het waterlandschap bestrijken en verschillende sectoren betrekken. Daarnaast werden diverse belanghebbenden geraadpleegd, om een hoge bereidheid tot samenwerking te garanderen. Die bereidheid zal van cruciaal belang zijn om te komen tot wetenschappelijk verantwoorde én maatschappelijk haalbare werkwijzen.”

Een goed praktijkvoorbeeld is het project {beek.boer.bodem} in het afstroomgebied van de Aa (Herentals, Kasterlee, Lille en Vorselaar). Binnen het project wordt nu al, in samenwerking met de Provincie Antwerpen, BoerenNatuur en de Vlaamse Land Maatschappij, ingezet op maatregelen die het gebied minder gevoelig moeten maken voor droogte, het overstromingsrisico reduceren en de landbouwbedrijfsvoering klimaatrobuust maken. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een ‘menukaart’ met mogelijke maatregelen, bv. verhogen van het organisch koolstofgehalte, de aanleg van specifieke waterbergingszones en dynamisch peilbeheer in de grachten.

Staes: “Binnen TURQUOISE zullen meerdere praktijkvoorbeelden ook wetenschappelijk opgevolgd worden. Adviseren, opvolgen en evalueren. Er gebeurt véél, maar er wordt weinig gemeten. We weten dus ook niet hoe groot de effecten van dergelijke maatregelen werkelijk zullen zijn. De lokale effecten van zo’n maatregel zijn één zaak, maar wat betekenen die maatregelen op grotere schaal?”  

Diverse organisaties hebben al hun steun en betrokkenheid getoond. Zij kregen de vraag om proefprojecten voor te stellen tijdens de voorbereidingsfase. De volgende stap is de selectie van de meest veelbelovende proefprojecten.



TURQUOISE wordt gefinancierd via de FWO/SBO-projectregeling, en zal lopen van 2021 tot 2024. Het partnerschap bestaat uit:

-Jan Staes en Patrick Meire (onderzoeksgroep ECOBE, GCE-excellentiecentrum, UAntwerpen)

Steven Van Passel (onderzoeksteam Milieueconomie)

-Jan Cools (Instituut voor Milieu en Duurzame Ontwikkeling, UAntwerpen)

-Patrick Willems & Vincent Wolfs (Afdeling Hydraulica en Geotechniek, KU Leuven)

Jan Vanderborght is hoogleraar bodemfysica en bodemsanering aan de afdeling Bodem- en Waterbeheer van het Departement Aard- en Omgevingswetenschappen van de KU Leuven.

-Sarah Garré, Els Belmans en Jeroen De Waegemaker (Eenheid Landbouw en Maatschappij, ILVO)

Opluchting in ZOO Antwerpen en ZOO Planckendael: zoogdieren testen negatief op COVID-19

In de hele wereld zijn er dieren besmet geraakt met het coronavirus, maar ZOO Antwerpen en ZOO Planckendael mogen opgelucht ademhalen. Wetenschappers van Universiteit Antwerpen onderzochten 1.116 stalen van alle zoogdieren uit deze twee Vlaamse dierentuinen en die bleken allemaal negatief. “De resultaten zijn een bijzonder goede zaak voor onze dierentuinen, die zich streng aan de coronamaatregelen houden”, reageert Herwig Leirs, professor Biologie en voorzitter van de raad van bestuur van ZOO Antwerpen en ZOO Planckendael.

Het onderzoek begon eind 2020 bij de dieren in ZOO Antwerpen en ZOO Planckendael. De verzorgers verzamelden meststalen van alle zoogdieren in de maanden september, oktober en december. “In het totaal verzamelden we drie keer 372 stalen. 150 stalen kwamen uit ZOO Antwerpen, waarvan het grootste deel van de primaten, bijvoorbeeld de chimpansees en de gorilla’s. 222 stalen haalden we op in ZOO Planckendael. Daar kwam de grootste hoeveelheid van de hoefdieren zoals de giraffen en de neushoorns”, legt Tine Cooreman uit, masterstudent Biodiversity and Conservation aan Universiteit Antwerpen.

Voor haar masterthesis onderzocht zij elke staal nauwgezet in het laboratorium van Universiteit Antwerpen. “Ik reduceerde alle individuele stalen van dezelfde diersoort tot één staal. Daar haalde ik het RNA uit om het te kunnen verdubbelen tot DNA. Dit DNA kunnen we dan testen op de aanwezigheid van het genetisch materiaal van coronavirussen. Daarvoor gebruikten we een PCR-test, maar niet het type dat je veel in de media ziet. Onze test kijkt immers niet alleen naar SARS-CoV-2, maar kan tegelijkertijd ook andere coronavirussen ontdekken. 322 stalen onderzoeken stond gelijk aan ongeveer 25 à 30 dagen onderzoekswerk. Dit zijn dus duidelijk geen sneltesten, maar we krijgen er wel een heel zeker resultaat mee”, lacht de masterstudente.

Corona in meststalen

Geen simpele neusswab of een zelftest dus. “Bij zoogdieren is dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Een wisser diep in de neus steken is té invasief voor de meeste soorten. Die methode is bij wilde dieren zoals leeuwen of chimpansees bovendien zeer gevaarlijk voor de onderzoekers. We gaan individuen ook zeker niet verdoven voor dergelijk wetenschappelijk onderzoek”, legt dierenarts Francis Vercammen van ZOO Antwerpen en ZOO Planckendael uit.

Daarom kozen de wetenschappers om meststalen te verzamelen en de dieren op die manier te onderzoeken. Ook in uitwerpselen van besmette mensen en dieren zijn er immers sporen van COVID-19 te vinden. Om deze resultaten te dubbelchecken onderzocht Universiteit Antwerpen nog 50 serumstalen op de aanwezigheid van antistoffen. Ook deze waren negatief. Bovendien zijn er geen andere coronavirussen gevonden.

Kennis voor in de natuur

Goed nieuws dus voor ZOO Antwerpen en ZOO Planckendael, die strikte maatregelen neemt om coronavirussen ver weg van de dieren te houden werken. Sinds de coronapandemie werden mondmaskers en handschoenen nog meer ingeburgerd en de ogen van verzorgers stonden op scherp voor het detecteren van hoesten, niezen en symptomen van vermoeidheid bij de dieren.

Volgens expert Herwig Leirs is het belangrijk om dit onderzoek te herhalen en goed op te volgen. “Door meer informatie te verzamelen over het overdragen van de corona-infectie van mensen naar dieren kunnen we ook soorten in de natuur verder helpen. Als we weten hoe groot de kans is om sommige wildpopulaties te besmetten, weten we ook hoe voorzichtig we als onderzoekers of bewoners in hun leefgebied moeten zijn. Zo kunnen we ook bij ons internationaal onderzoek de gepaste maatregelen nemen”, besluit Leirs. 

Bijhorende video

https://vimeo.com/arendsoog/review/540648324/34c55e2e99

Populatie oostelijke chimpansees ontdekt in afgelegen Congolese bergwouden

Een Belgisch-Congolees onderzoeksteam heeft een populatie van oostelijke chimpansees ontdekt in Democratische Republiek Congo. De chimpansees overleven er in kleine stukken bergwoud in het oosten van het land, dicht bij het Albertmeer. De onderzoekers telden 283 nesten in drie van die stukjes woud, samen 18 km2. Ze schatten dat daar 4,6 chimpansees per km2 leven. De oostelijke chimpansee is bedreigd. Steeds meer van hun habitat moet wijken voor landbouwgrond. Het onderzoeksteam stelt autoriteiten voor de resterende bergwouden in het gebied te beschermen, in samenwerking met de lokale gemeenschappen.

In oostelijk Congo, in de provincie Ituri, bij het Albertmeer, vind je een mozaïek van twintig kleine stukken bergwoud, 70 km2 in totaal. Dit lappendeken wordt het RAFALE-landschap genoemd (Relict Altitude Forests Fragments of the Albert Lake Escarpment). In drie van die woudfragmenten, 18 km2 in totaal, ontdekte en documenteerde een Belgisch-Congolees onderzoeksteam een gemeenschap van oostelijke chimpansees (met medewerking van Erik Verheyen, onderzoeker bij de onderzoeksgroep Evolutionaire Ecologie, Global Change Ecology Centre). Deze ondersoort (Pan troglodytes schweinfurthii) is bedreigd.

Bewogen ontdekking

In 2015 was biologe Ann Laudisoit (UAntwerpen, nu EcoHealth Alliance) in het gebied onderzoek aan het doen naar infectieziekten. Zij en lokale gids Otis Kpanyogo hoorden geroep van chimpansee in een klein stukje bergwoud. In de twee volgende jaren leidde ze expedities met een internationaal team van biologen om de chimpanseepopulatie te observeren. Met cameravallen documenteerden de wetenschappers 42 (gespeende) chimpansees en 10 baby’s. Ze liepen ‘transecten’ – routes waarlangs waarnemingen worden gedaan – en telden de chimpanseenesten: 283 in 18 km2. Zo konden ze de dichtheid van de populatie in die drie geïsoleerde wouden schatten: 4,6 chimpansees per km2. Dat is meer dan in andere wouden in de regio. ‘Oog in oog staan met deze nog onbekende populatie chimpansees, en ze op camerabeelden zien, was voor het hele team een pakkende ervaring’, zegt Anne Laudisoit, die – samen met fotojournaliste Caroline Thirion – een documentaire maakte over de chimpanseegemeenschap: Mbudha, in the chimpanzees footsteps.



Chimpansees beschermen

De chimpansees van RAFALE, inclusief de Mbudha-gemeenschap in de drie onderzochte wouden, zijn bedreigd. Steeds meer woud wordt gekapt en platgebrand om er landbouwgrond van te maken. De maniok, pinda’s, bonen, maïs en sorgo moeten de dichtbevolkte gemeenschappen van de regio voeden. De auteurs van de studie stellen autoriteiten voor het RAFALE-landschap te erkennen als een nieuw beschermingsgebied voor chimpansees (Chimpanzee Conservation Unit). Ze raden aan lokale gemeenschappen in te schakelen in het ontwerp van een beschermingsplan dat zowel de bevolking als de natuur ten goede komt. ‘Deze kleine wouden zitten vol leven’, zegt Erik Verheyen (Universiteit Antwerpen en Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen). ‘De bescherming van dit gebied zou ook de kwetsbare Oustalets rode franjeaap en het bedreigde schubdier ten goede komen, maar ook 26 andere zoogdiersoorten die we observeerden in het gebied.’ De studie van de Mbudha-chimpansees en hun habitat is nog maar net begonnen. Deze lente ondernemen Laudisoit (gefinancierd door een National Geographic Grant) en een team van biologen een nieuwe expeditie in het gebied. Ze observeerden nog eens 15 chimpansees. Een van de doelstellingen is begrijpen in hoeverre de populatie genetisch verwant is aan andere populaties in de ruimere regio. De Congolese en Belgische onderzoekers publiceerden hun bevindingen in het vaktijdschrift Conservation Science and Practice. Het team bestond uit biologen van de Universiteit van Kisangani (UNIKIS), Centre de Surveillance de la Biodiversité (CSB), Centre for International Forestry Research (CIFOR), Universiteit Antwerpen (UAntwerpen), het Antwerp Zoo Centre for Research and Conservation (CRC), het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en EcoHealth Alliance.


Vuurvliegjes-toerisme neemt hoge vlucht, maar moet oppassen dat het zichzelf niet uitdooft

Vuurvliegjes en glimwormen, eigenlijk kevers uit éénzelfde soortengroep, behoren tot de meest charismatische wezens ter wereld, door het lichtgevende schouwspel waardoor ze nu zelfs verworden zijn tot een populaire toeristische attractie voor natuurliefhebbers. In hun nieuwste publicatie onthullen bioloog Sara Lewis van Tufts University en haar collega's dat naar schatting 1 miljoen mensen elk jaar reizen om getuige te zijn van bioluminescente spektakels, met zo'n twintig verschillende soorten vuurvliegjes over de hele wereld in de hoofdrol.

In Conservation Science and Practice, wijzen de auteurs erop dat dit unieke, op insecten gebaseerde toerisme economische, sociale en psychologische voordelen kan opleveren voor zowel lokale gemeenschappen als voor de toeristen. Maar zonder adequate bescherming dreigt deze ontluikende recreatieve activiteit sommige lokale vuurvliegpopulaties letterlijk te doen uitdoven. In de afgelopen jaren is het aantal toeristen omhooggeschoten op verschillende locaties in Mexico, India, Taiwan, Maleisië, Thailand en de Verenigde Staten. "In Mexico bijvoorbeeld is de snelle groei van het vuurvliegentoerisme de afgelopen tien jaar spannend maar ook alarmerend", zegt co-auteur Raphael De Cock (Global Change Ecology Centre, UAntwerpen, Onderzoeksgroep Evolutionaire Ecologie). "We zijn blij dat mensen een van de grootste natuurwonderen ter wereld kunnen ervaren. Maar we willen er ook voor zorgen dat de vuurvliegjes er nog zijn, zodat toekomstige generaties ervan kunnen genieten. "

De auteurs werken als onderdeel van de Firefly Specialist Group van de International Union for the Conservation of Nature en deden de eerste uitgebreide studie om dit groeiende wereldwijde fenomeen te belichten. Vooral populair zijn de “shows” van verschillende soorten synchrone vuurvliegjes die worden aangetroffen in Zuidoost-Azië en Noord-Amerika, waar honderden of duizenden vuurvliegmannetjes zowel de vrouwtjes - en ook toeristen - fascineren door allemaal hun lichten tegelijkertijd in de maat te laten knipperen. Volgens de Thaise onderzoeker dr. Anchana Thancharoen: "Met zulke betoverende lichten maken de vuurvliegjes in de bomen de toeristen helemaal verliefd op het eerste zicht."

Schouwspel van de vuurvlieg, Diaphanes lampyroides, op een toeristische site te Chiayi County, Taiwan. Foto credit: Hua-Te Fang

Het rapport is gericht op site-managers, gidsen en toeristen en benadrukt de noodzaak om de ecologische vereisten voor alle levensfasen van vuurvliegjes te erkennen. Om het voortplantingssucces van volwassen vuurvliegjes te bevorderen, moeten locaties lichtvervuiling tot een minimum beperken: felle lichten van gebouwen, voertuigen, zaklampen en zelfs mobiele telefoons kunnen de flitsende paringsrituelen van vuurvliegjes zwaar verstoren.

Ook de bescherming van nabijgelegen leefgebieden speelt een essentiële rol. Vuurvliegjes brengen het grootste deel van hun levenscyclus door in een juveniel, larvaal stadium. Deze juvenielen hebben enkele maanden of zelfs jaren nodig om zich tot hun volwassen vorm te ontwikkelen. Afhankelijk van de soort, brengen ze dit stadium ondergronds, tussen bladstrooisel of in het water door. De auteurs beschrijven bijvoorbeeld hoe commerciële ontwikkeling en overmatig motorbootverkeer langs de rivieroever, het habitat in voormalige vuurvlieglocaties dusdanig hebben aangetast, dat er nu nog amper populaties voorkomen. Op andere locaties worden vuurvliegpopulaties bedreigd door grote aantallen toeristen die per ongeluk vrouwtjes vertrappelen en larvale habitats vernielen.

Goed beheerd toerisme zou de bezoekers moeten verleiden om bondgenoot te worden in de bescherming van vuurvliegjespopulaties, of het nu beheerd wordt door regeringen of gerund door commerciële ondernemingen. "Sommige bezoekers raken zo geboeid tijdens het kijken naar de show, dat ze zich soms helemaal niet meer realiseren dat ze de volgende generatie vuurvliegjes helemaal aan het platwalsen zijn", legt co-auteur Lynn Faust uit.

De auteurs blijven optimistisch en geven zelfs praktische richtlijnen mee ter bevordering van een duurzaam ecotoerisme en een hieruit volgend gunstig economisch en sociaal welzijn binnen lokale gemeenschappen. Zoals co-auteur Dr. Wan F.A. Jusoh opmerkt: "Lokale gemeenschappen zijn de hoeders van vuurvliegjes, en hun verhalen en lokale kennis dragen bij aan de bescherming ervan."

Toerisme bedreigt vele levensstadia in de levenscyclus van vuurvliegjes.

Zomers met langere natte en droge periodes kunnen biodiversiteitverlies versnellen

Terwijl de hitterecords elkaar opvolgen (met 2020 als warmste jaar ooit sinds 1833), wordt het alsmaar duidelijker dat klimaatopwarming ook zorgt voor een verandering in neerslagpatronen. Wat zijn de gevolgen van zulke veranderingen voor natuurlijke en beheerde ecosystemen? En kunnen we daar iets aan doen? Simon Reynaert (Global Change Ecology Centre, onderzoeksgroep Planten en Ecosystemen) zoekt mee naar duurzame oplossingen.

Modelecosystemen

Simon bestudeert de effecten van veranderende neerslagpatronen op graslanden in gematigde streken. Hij maakt hierbij gebruik van ‘modelecosystemen’.

Simon Reynaert: “Natuurlijke ecosystemen zijn bijzonder complex. Door gebruik te maken van een modelecosysteem, waarbij we mini-graslanden met dezelfde soortensamenstelling onderwerpen aan verschillende neerslagregimes, kunnen we in detail veranderingen in ecosysteemprocessen bestuderen. Bij een zuivere veldstudie zouden op korte termijn veel van die details verloren gaan in de ruis van natuurlijke variatie.”

Een model grasland ecosysteem met de belangrijkste soortengroepen zoals grassen, klavers en andere kruidachtigen

Droogte als de belangrijkste boosdoener

Reynaert: ”Een nieuwe studie in zo’n modelecosysteem wijst uit dat tijdens zomers met langere natte en droge periodes het risico op biodiversiteitsverlies verhoogt. Vooral klavers en verschillende kruiden, belangrijk voor tal van bestuivende insecten, lijken extra gevoelig voor meer extreme fluctuaties in waterbeschikbaarheid.”

Het belangrijkste mechanisme achter dit soortenverlies bleek droogte te zijn, met momenten van gedeeltelijk herstel tijdens de natte periodes. Hoe langer en intens de droogte(s), hoe kleiner de kans op overleving tegen het einde van het groeiseizoen.

Duurzame oplossingen

Het is duidelijk dat de vermindering van droogtestress de sleutel is tot het vinden van oplossingen voor dit biodiversiteitsverlies. Simon: “Ons onderzoek toont ook nog eens het belang van het nieuwe burgerwetenschapsproject CurieuzeNeuzen In de Tuin. Dit zal nieuwe informatie leveren over hoe iedereen kan bijdragen aan een meer biodiverse toekomst.”

De resultaten zijn ook bijzonder relevant voor landbouwgraslanden. Eerdere studies hebben aangetoond dat een verlies van klavers (die stikstof kunnen fixeren) in graslanden, kan leiden tot verminderde productiviteit en hooikwaliteit. Simon: “Maar we werken ondertussen verder aan de oplossingen. We kijken welke rol toevoegen van organisch materiaal kan spelen in de vochthuishouding. En we bestuderen of nieuw ontwikkelde grassoorten beter bestand zijn tegen deze droogte. Op het einde van mijn doctoraat hoop ik oplossingen te kunnen aanreiken die ook landbouwgraslanden kunnen versterken.”


Simon werkte de afgelopen jaren mee aan het interfacultair project REGIME SHIFT (gecoördineerd door Ivan Nijs en Hans De Boeck), waarin de gevolgen van meer persistente weerspatronen (langere natte en droge periodes) op graslandecosystemen worden onderzocht. Door plant- en bodem ecologie te combineren met plant-fysiologie en bio-informatica, zorgt REGIME SHIFT voor groeiend inzicht in complexe ecosysteemprocessen en hoe ze reageren op klimaatverandering.

“Meeste teken zitten dieper in het bos”

De laatste decennia zijn ziektes die worden overgedragen door teken in opmars in West-Europa, net als de teken zelf. De ziekte van Lyme is het meest opvallende en meest voorkomende voorbeeld. Maar hoe zit het met de hoeveelheid teken in Vlaamse bossen? En komen teken evenveel voor in de buurt van wandelpaden als dieper in het bos? Onderzoek van Mats Van Gestel (UAntwerpen – UGent - FWO) brengt de tekendensiteit in detail in kaart.

De kans dat men bij een bezoek aan een bos in contact komt met een teek en mogelijk een aandoening als de ziekte van Lyme oploopt, hangt in grote mate af van de kans op contact met de schapenteek (Ixodes ricinus), de meest voorkomende teek in onze regio. Onderzoek van de voorbije jaren bracht aan het licht dat loofbossen die grote, gezonde populaties reeën en muizen in stand kunnen houden, hogere dichtheden aan teken hebben.

Waar we echter nog veel minder over weten, is de variatie in tekendensiteit binnen bosgebieden. Is de tekendensiteit in de buurt van wegen even groot als dieper het bos in? En komen teken even vaak in speelbossen voor als in natuurlijke bossen?

Tekenvlaggen

Om deze vragen te beantwoorden zette Mats Van Gestel (onderzoeksgroepen Evolutionaire Ecologie (Global Change Ecology Centre UAntwerpen) en ForNaLab (UGent) met de steun van FWO) een studie op om tekendensiteit in detail in kaart te brengen op plaatsen waar bezoekers veel tijd doorbrengen, zoals paden en zitbanken. In deze studie werden er teken gevangen op meetpunten waar drie soorten locaties met een verschillende graad van recreatief gebruik aanwezig waren: zitbanken, de berm naast het pad dat langs deze banken loopt en nabijgelegen plekken dieper in het bos.

Teken werden gevangen door een stoffen vlag over de grondvegetatie te slepen (‘tekenvlaggen’). Het vangen van teken gebeurde op 36 van deze drievoudige meetpunten, verdeeld over 10 gebieden onder beheer van de Provincie Antwerpen en het Agentschap Natuur & Bos (zoals bv. het Prinsenpark, de Averegten,  het Peerdsbos en de Inslag).


                                         Gewapend met zijn tekenvlag trok Mats Van Gestel het bos in


Altijd waakzaam blijven

Mats Van Gestel: “Onze studie toonde een duidelijk verband aan tussen de vegetatie in bossen en de tekendensiteit bij recreatieve infrastructuur. De laagste densiteit aan teken werd gemeten in de directe nabijheid van de banken, en was al hoger in de berm langs de paden. De hoogste dichtheden werden gemeten dieper in het bos. Zoals verwacht werden meer teken gevangen in bosbestanden die gedomineerd worden door loofbomen en in bosbestanden met een meer ontwikkelde struiklaag. Dit vertaalde zich ook in een hogere densiteit van teken aan de paden en banken bij dergelijke bosbestanden.”

Door deze nieuwe kennis wordt het mogelijk om binnen een bos in te schatten waar er een relatief hoge kans op tekenbeten is en kan het beheer hieraan aangepast worden. Zo kunnen bezoekers op risicoplekken duidelijk geïnformeerd worden, waardoor zij preventieve maatregelen kunnen nemen.

Van Gestel: “Onze studie is een belangrijke stap naar een efficiënter “tekenbeheer”. Op zich is het goed nieuws dat teken het meest voorkomen op plekken met de minste contactkans, namelijk dieper in het bos. Toch blijft het sowieso belangrijk dat bosbezoekers ook op plekken met een lager risico waakzaam blijven: op alle onderzochte locaties bleek er een reëel risico op een tekenbeet.”

Contact:

Mats Van Gestel Mats.vangestel@uantwerpen.be T +32 4 79 38 18 56


Meettorens krijgen certificaat en leveren bijdrage aan klimaatonderzoek in Europa en wereldwijd

In november dit jaar werd de onderzoeksgroep PLECO (die deel uitmaakt van het Global Change Ecology Centre) beloond voor vijf jaar hard werken. PLECO opereert drie “fluxtorens”: meettorens die de broeikasgasuitwisseling tussen de atmosfeer en ecosystemen continu in kaart brengen. In november 2020 werden de drie fluxtorens door ICOS, het Integrated Carbon Observation System, officieel gecertificeerd.

In 2015 trad België toe tot ICOS, een Europees meetnetwerk voor het monitoren van broeikasgasconcentraties en -uitwisseling in Europa. De data die door het netwerk verzameld worden, worden o.a. gebruikt om te kijken hoe klimaatverandering ecosystemen beïnvloed. Ze kunnen ook worden gebruikt om te kijken hoe die klimaatverandering zelf wordt beïnvloed door de natuur: ecosystemen nemen immers heel wat door de mens uitgestoten CO2 op, en helpen ons zo een handje bij het halen van de klimaatdoelstellingen.

Zo voerde in 2018 ICOS een grootschalige studie uit naar de gevolgen van de extreem hete en droge zomer. De resultaten van de studie waren verontrustend. Bossen die onder normale omstandigheden CO2 opnemen en dus een buffer tegen de klimaatopwarming vormen, stootten plots meer CO2 uit en werden hiermee bronnen van uitstoot. Tevens werd met de ICOS data dit voorjaar een studie uitgevoerd naar de effecten van de eerste Covid-19 lockdown op de uitstoot van broeikasgassen in Europese steden. De uitstoot bleek significant gedaald, wat bewijst dat veranderingen in mobiliteit en gedrag wel degelijk een impact hebben op onze uitstoot en op termijn dus ook op de klimaatverandering (zie Figuur 1). De kennis die dit soort studies voortbrengen zijn de sleutel bij het uitstippelen van een effectief beleid, gericht op het inperken van de gevolgen van de klimaatopwarming bij ons en wereldwijd.

Gemiddelde dagelijkse CO2-emissie van 5 februari tot 6 mei 2020 (rood gebied), met gemiddelde van de voorbije jaren over dezelfde periode (grijs gebied). De donker oranje horizontale balken duiden periodes van een officiële lockdown aan terwijl de licht oranje balken gedeeltelijke lockdowns of algemene maatregelen aanduiden (bv. scholen gesloten, persoonlijke contacten beperkt, mobiliteitsbeperkingen).


De data die door het ICOS meetnetwerk verzameld worden zijn “open source”: dit wil zeggen dat ze door wie dan ook ter wereld gratis kunnen gebruikt worden. Op die manier is ICOS een katalysator voor het wetenschappelijk onderzoek naar de klimaatopwarming. De data zijn allemaal gestandaardiseerd en gecertificeerd. Hier gaat uiteraard een lang proces aan vooraf. De onderzoekers die de meettorens bouwen en opereren doorlopen hiervoor een strenge procedure van selectie, standaardisering en kwaliteitscontrole.

Zo vernieuwde PLECO twee van zijn bestaande fluxtorens, gelegen respectievelijk in een populierenplantage in Lochristi en een stadsbos in Brasschaat, en bouwde ze een gloednieuwe meetsite in het Nationaal Park De Hoge Kempen in Maasmechelen. De torens moeten in alle weersomstandigheden continue en betrouwbare data geven en dit op de meest uitdagende locaties.

Na vele technische en logistieke uitdagingen keurde de General Assembly van ICOS in november de certificering en toetreding tot ICOS van de meettoren van Brasschaat goed. In het voorjaar van 2020 werden de torens van Lochristi en Maasmechelen ook al op dezelfde wijze gecertificeerd. De drie fluxtorens van PLECO behoren nu officieel tot het ICOS meetnetwerk en zullen vanaf nu actief bijdragen aan het wereldwijde onderzoek naar de klimaatproblematiek.

Een echte mijlpaal voor het ICOS team van PLECO: deze verwezenlijking plaatst UAntwerpen opnieuw op de kaart als een leidende partner binnen ICOS.


Nieuw dataplatform voor vogelpopulatie-onderzoek

Lange tijdreeksen van data zijn van onschatbare waarde in ecologisch onderzoek, maar ze worden pas echt waardevol als ze ook makkelijk te vinden, te raadplegen en te vergelijken zijn. Het Nederlandse NIOO lanceerde een uniek nieuw dataplatform voor vogelonderzoek dat wordt voorgesteld in een publicatie in The Journal of Animal Ecology.

Het platform telt nu al data van 19 vogelsoorten en meer dan 1.5 miljoen individuele vogels. De Universiteit Antwerpen was van bij aanvang betrokken bij het initiatief. Erik Matthysen (Global Change Ecology Centre, Research Group Evolutionary Ecology), co-auteur van de publicatie: “Populatie-onderzoek door het ringen van vogels en opvolgen van nesten wordt in zeer veel instituten gedaan en leidt in principe tot zeer vergelijkbare data, maar als het erop aankomt heeft elke onderzoeker zijn eigen datasysteem en gebruikt zij of hij net iets andere codes of definities van belangrijke gegevens. Het bijzondere aan dit project is het toelaat om op eender welk moment alle beschikbare data in een kant en klaar format te gieten”.

Dit maakt het nog makkelijker om geografische patronen te bestuderen, populatietrends te linken aan klimaatverandering of verstedelijking, en soorten onderling te vergelijken. Zo kon in een eerdere studie, op basis van een deel van de data, aangetoond worden dat veel vogelsoorten zich onvoldoende snel kunnen aanpassen aan de veranderende seizoenen. Met de nieuwere, grote database kan nog diepgaander onderzoek worden uitgevoerd.