Opleidingsinfo

Opleidingsinfo

Het programma omvat vier deeltijdse opleidingsjaren en start om de twee jaar. De volgende opleidingscyclus start in oktober 2020.

De contactmomenten vinden plaats van oktober tot juni op donderdagen (van 13.30 uur tot 19.30 uur), met af en toe een tweedaagse op donderdag en vrijdag of vrijdag en zaterdag.

De eerste twee opleidingsjaren zijn het minst intensief met 23 tot 25 contactdagen. In het derde en vierde opleidingsjaar zijn er 30 tot 35 contactdagen.

Erkenning

De opleiding is erkend door de Vlaamse Vereniging voor Cliëntgericht-Experiëntiële Psychotherapie en Counseling (VVCEPC) en de Vlaamse Vereniging voor Gedragstherapie (VVGT).

De opleiding wordt erkend volgens het stelsel van het Vlaams Opleidingsverlof (VOV).

Doelstellingen

Voor het postgraduaat in de integratieve psychotherapie voor volwassenen sluiten we ons aan bij de definitie van Prochaska en Norcross, waarin zij stellen dat psychotherapie is:

 ‘[…]het op deskundige wijze doelbewust toepassen van klinische methoden en attitudes die gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde psychologische principes, met als doel mensen bij te staan in het veranderen van hun gedrag, cognities, emoties en/of persoonskenmerken in de richting die door de betrokkenen wenselijk wordt geacht.’ (Prochaska & Norcross, 1994, p.6)

Dit houdt in dat de doelstellingen van de opleiding en de competenties van de integratieve psychotherapeut als volgt kunnen omschreven worden:

  1. In staat zijn tot de zelfstandige uitoefening van de psychotherapeutische hulp aan volwassenen en hun context. Concreet is de doelstelling deskundigen te vormen die in staat zijn stoornissen, conflicten of moeilijkheden in emotioneel, cognitief of psychosociaal functioneren te verminderen of op te heffen.
  2. Grondige kennis en vaardigheden inzake de psychotherapeutische attitudes.
  3. Grondige kennis van de vaardigheden en technieken om gedrag, cognities en affecten te beïnvloeden, die binnen de vier grote referentiekaders — vooral binnen de cliëntgericht-experiëntiële psychotherapie en de cognitieve gedragstherapie, in mindere mate binnen de psychoanalytische therapie en de systeemtherapie — zijn ontwikkeld.
  4. Grondige kennis van het hanteren van de therapeutische relatie en de eigen persoon als therapeut  (universele therapiefactoren).
  5. Grondige kennis en beheersen van vaardigheden om op systematische wijze stoornissen of problemen te onderkennen, te analyseren, te begrijpen en om adequate methodes, technieken en interventies te kiezen en uit te voeren.
  6. Volgende subdoelstellingen komen aan bod:
    • ontwikkeling van een psychotherapeutische attitude

    • verwerven van een brede waaier van therapeutische vaardigheden en technieken

      • op niveau van de beleving

      • op cognitief niveau

      • op gedragsmatig niveau

    • verwerven van basiskennis van en leren aandacht hebben voor het werken met systemen en met de context.

    • verwerven van kennis van ontwikkelingspsychologie, van gezonde en psychopathologische ontwikkeling, en van theorieën van persoonlijkheidsverandering.

    • grondige kennis en toepassen van differentiële psychotherapeutische behandeling van diverse psychiatrische en psychologische problematieken.

    • grondige kennis van en ervaring in evidence-based (be)handelen, zowel van evidence-based behandelwijzen als evidence-based relationele variabelen(Norcross, 2002 en Bergin & Garfield, 2004); kennis van bevindingen van outcome en procesonderzoek;  consensus-based waar evidence-based ontbreekt.

    • kennismaking met de praktijk van single-case design.

  7. Gecombineerde aandacht aan de interpersoonlijke en de intrapersoonlijke dimensie, waarbij interpersoonlijk verwijst naar:
    • eigen persoon als therapeut leren hanteren (leertherapie-intervisie/supervisie).

    • hanteren van tegenoverdracht, eigen blinde vlekken…

    • relatie therapeutisch leren hanteren: basale gespreksvaardigheden (steunend – faciliterend – coachend – sturend - structurerend – (process)directief – confronterend – interpersoonlijke FB - inzichtgevend), therapeutische attitude, therapeutische ruimte installeren, relatiebreuken…

    • leren werken met relaties binnen systemen/groepen.
      En intrapersoonlijk verwijst naar:

    • leren faciliteren en beïnvloeden van verwerkingsprocessen op belevingsniveau, op cognitief niveau en op gedragsniveau.

  8. Grondige kennis van en inzicht in de therapeut gebonden factoren die het effect van behandeling en psychotherapie bepalen.
  9. Grondige kennis van en vaardigheden in het opbouwen, onderhouden en therapeutisch hanteren van een psychotherapeutische werkrelatie met volwassenen.
  10. Grondige kennis van de diverse systemen van zorg voor volwassenen en de wet- en regelgeving terzake, alsook de psychotherapeutische deontologie.
  11. Grondige kennis van de diverse psychosociale interventiemethodes die beschikbaar zijn in de zorg voor en behandeling van volwassenen met psychiatrische aandoeningen, vastgelopen levenscrisissen en psychosociale problemen.
  12. Vaardigheden in observatie van gedrag en interactie, en in proces- en belevingsdiagnostiek.
  13. Vaardigheden in communicatie met volwassenen en derden.
  14. Vaardigheden in het integreren en vertalen voor betrokken volwassene van de diverse diagnostische informatie over en evaluatie van ontwikkeling en functioneren in functie van een doelmatig en ontwikkelingsgericht zorg- en behandelplan.
  15. Grondige kennis en vaardigheden in crisisinterventie.
  16. Basisnoties van psychofarmacologie en combinatie psychofarmacologie – psychotherapie.
  17. Kennis van en vaardigheden in single-case methodologie, zowel kwantitatieve als kwalitatieve methoden, en monitoring.

Lesgevers

Opleidingsstaf

Greet Vanaerschot (coördinator), Els Brunfaut, Jan Callens, Ayse Dogan, Ellen Gunst, Marc Hebbrecht, Anne Neyskens, Nils Verbeeck, Linda Van Nuffel.

Algemene coördinatie: Prof. dr. G. Vanaerschot

Docenten

Gerenomeerde psychotherapeuten uit België, Nederland en Verenigd Koninkrijk.

Evaluatie en getuigschrift

Aangezien de psychotherapie opleidingen een beroepsgericht karakter hebben, werd er gekozen om geen loutere kennistoetsing uit te voeren, maar wel te verifiëren of de opleideling de theorie kan integreren in het eigen psychotherapeutisch handelen. Dit houdt allereerst in dat de opleideling de aangeboden kennis moet begrijpen en kunnen toepassen.  Maar naast inzicht en het kunnen toepassen van de aangeleerde kennis en vaardigheden, moet de opleideling in staat zijn de problematiek van de patiënt en zijn eigen therapeutisch handelen te analyseren, om te komen tot nieuw en op de concrete patiënt-therapeut relatie toegepast handelen (synthese niveau), en om continu zijn eigen therapeutisch handelen te evalueren

De psychotherapeut moet in staat zijn om de kennis en vaardigheden te integreren met zijn eigen persoon die hij als zijn voornaamste werkinstrument moet kunnen inzetten.  Dit houdt in: observeren,  interpreteren, voelen, en zijn eigen gedachten,  emoties en lichamelijke gewaarwordingen leren aanwenden als diagnostisch en therapeutisch instrument door deze object van aandacht te maken en door deze te verbinden met, te toetsen aan en te evalueren op basis van persoonlijk verwerkte en doorleefde theoretische inzichten.

Om het getuigschrift van Postgraduaat in de Psychotherapie Jeugd en Context. Optie volwassenen te behalen, wordt verwacht dat je: 

  • op een actieve wijze, met een grondige voorbereiding en regelmatige aanwezigheid participeert aan de verschillende opleidingsactiviteiten;
  • actief deelneemt, met een grondige voorbereiding en actieve aanwezigheid, aan de evaluatie-reflectie momenten.  Deze gebeuren jaarlijks (of twee keer per jaar in de twee intensieve jaren) onder de vorm van een zelfevaluatie, die getoetst wordt aan en aangevuld wordt met een peer- en staf-evaluatie;
  • In dit evaluatieproces beoordeelt de opleidingsstaf of een student de kennis, competenties en vaardigheden die tijdens dat opleidingsjaar in de focus stonden, ook effectief voldoende verworven heeft om over te gaan naar het volgende opleidingsjaar. De beoordeling gebeurt met PASS/FAIL voor elk van de opleidingsonderdelen/vakken.
  • Eventuele lacunes of tekorten kunnen leiden tot extra inhaalopdrachten.  Deze bijkomende opdrachten moeten voor de start van het nieuwe opleidingsjaar vervuld/gestart zijn. Bij (te) grote lacunes kan het verderzetten van de opleiding in vraag worden gesteld.
  • op het einde van het vierde jaar een specialisatieverslag indient.

De examencommissie bestaat uit prof. dr. G. Vanaerschot, prof. dr. G. Dom, prof. dr. Manuel Morrens en prof. dr. Didier Schrijvers.

Het getuigschrift wordt verleend na 4 jaar studie met afwerking van het geëigende programma, positieve evaluaties en gunstige beoordeling van supervisies en specialisatieverslag.