Kerncompetenties

Algemene kerncompetenties

1. De master heeft zich verdiept in een deelgebied van de wiskunde dat kadert binnen de onderzoekspecialisaties in het departement: algebra, meetkunde, analyse en topologie, financiële wiskunde, statistiek of numerieke wiskunde. Hij/zij heeft deze studie op minstens één deelgebied grondiger verdergezet of heeft zich gespecialiseerd in de didactiek van de wiskunde en heeft hierover een masterthesis geschreven.

2. De master kan zelfstandig complexe wiskundige problemen analyseren en oplossen.
Hij/zij kan voor een concreet wiskundig probleem een geschikte oplossingsmethode bedenken, uitvoeren en interpreteren.
Hij/zij kan daar waar nodig zelf zijn/haar kennis uitbreiden en bestaande oplossingsmethoden aanpassen.

3. De master kan correct mondeling en schriftelijk wetenschappelijk rapporteren.
Hij/zij kan een correct wiskundig rapport schrijven.
Hij/zij kan de resultaten van zijn/haar werk presenteren zowel aan een gespecialiseerd als aan een breder publiek.

4. De master heeft een attitude verworven van levenslang leren.
Hij/zij is in staat tot het lezen van de algemene vakliteratuur en heeft zich de attitude eigen gemaakt ontwikkelingen in zijn/haar specialisatiegebied te volgen.
Hij/zij kent belangrijke tijdschriften in het door hem/haar gekozen specialisatiegebied.
Hij/zij heeft voldoende kennis van courante wetenschappelijke talen om lessen en voordrachten te volgen en internationale vakliteratuur te kunnen lezen.

5. De master kan met een grote mate van zelfstandigheid een fundamenteel of toegepast wiskundig onderzoek of een onderzoek in de didactiek van de wiskunde plannen en uitvoeren en kan hierover rapporteren.

Specifieke kerncompetenties

6. De master heeft kennis van belangrijke deelgebieden van de fundamentele of toegepaste wiskunde.

7. De master beheerst de specifieke aspecten van de wiskundige didactiek.

8. De master heeft, na het volgen van de volledige Specifieke Lerarenopleiding van 60 studiepunten, de basiscompetenties verworven die door de Vlaamse Overheid vereist worden. De basiscompetenties omschrijven de kennis, vaardigheden en attitudes waarover een beginnend leraar moet beschikken. Ze zijn geordend volgens tien rollen die de leraar vervult:
- Begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen
- Opvoeder
- Inhoudelijk expert
- Organisator
- Innovator/onderzoeker
- Partner van de ouders/verzorgers
- Lid van een schoolteam
- Partner van externen
- Lid van de onderwijsgemeenschap
- Cultuurparticipant

De acht attitudes die van beginnende leraren verwacht worden, zijn: beslissingsvermogen, relationele gerichtheid, kritische ingesteldheid, leergierigheid, organisatievermogen, zin voor samenwerking, verantwoordelijkheidszin en flexibiliteit.