Rechterlijk overgangsrecht in het publiek en privaat procesrecht: nieuwe ontwikkelingen aangaande de werking in de tijd van vonnissen en arresten

Date: 12 May 2014

Venue: UAntwerpen - Promotiezaal van de Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Time: 5:00 PM

Organization / co-organization: Faculteit Rechten

PhD candidate: Sarah Verstraelen

Principal investigator: Prof. dr. Patricia Popelier

Short description: Doctoraatsverdediging Sarah Verstraelen - Faculteit Rechten



Abstract

Het valt niet te onderschatten hoe sterk de rechtspraak de maatschappij meestuurt. De rechter vormt mee het recht. Is er onduidelijkheid over het toepassingsgebied van een rechtsregel, dan zal de rechter bij de beslechting van een concreet geschil dit toepassingsgebied definiëren. Doorgaans is de interpretatie voorspelbaar, zodat de burger zijn gedrag hierop kan afstemmen. De gevolgde interpretatie kan echter ook verrassend zijn, hetzij omdat de problematiek nog niet vaak werd behandeld en de rechter als het ware nieuw terrein betreedt, hetzij omdat gewijzigde maatschappelijke omstandigheden de rechter tot een nieuwe interpretatie brengen. Hoe problematisch zo een plotse ommekeer is, blijkt uit het volgende voorbeeld. In Frankrijk werd in 2001 een dokter veroordeeld omdat hij een patiënte in 1974 niet geïnformeerd had over de mogelijk uitzonderlijke risico’s van een ingreep. Opmerkelijk genoeg had het Franse Hof van Cassatie deze uitgebreide informatieplicht pas in 1998 geformuleerd. De Franse dokter kon m.a.w. in 1974 eenvoudigweg nog niet weten dat hij verplicht was om de patiënte ook over de uitzonderlijke risico’s te informeren. Wijzigingen in de rechtspraak kunnen de burgers bijgevolg confronteren met regels en normen waarvan zij het bestaan eenvoudigweg niet kunnen kennen; de rechter beslecht het geschil op grond van een interpretatie die ontwikkeld werd nadat de feiten zich afspeelden.

Binnen de Belgische rechtsorde speelt eenzelfde problematiek zich af voor het Grondwettelijk Hof en de Raad van State. Wanneer zij een norm vernietigen omdat deze on(grond)wettig is, dan verdwijnt de norm uit de rechtsorde; zij wordt geacht nooit te hebben bestaan. Hier speelt de zogenaamde terugwerkende kracht van het arrest. Het is echter duidelijk dat dit een fictie is. Mooi voorbeeld hier is de vernietiging van de bouwvergunning voor de tramlijn Wijnegem-Deurne omdat een bepaald rapport niet werd voorgelegd. Dat de vergunning wel degelijk had bestaan, bleek uit het feit dat de werken al voor twee derde waren uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor het Grondwettelijk Hof. Stel dat het Hof een federale wet die subsidies toekent aan kinderdagverblijven vernietigt omdat dit tot de bevoegdheid van de Vlaamse regering hoort. De vernietiging doet de norm, en bijgevolg ook de subsidie, met terugwerkende kracht verdwijnen. Toch werd de subsidie al toegekend aan de kinderdagverblijven en werden de gelden al gespendeerd. Moeten deze verblijven dan verplicht worden deze gelden terug te betalen omdat de federale wetgever zich vergist had?

In hoeverre kan en moet de rechter rekening houden met de mogelijke gevolgen van zijn uitspraak? Dat is de centrale vraag. In het onderzoek werd specifiek nagegaan of het afstappen van de regel dat een rechterlijke beslissing steeds terugwerkt in de tijd, een mogelijke oplossing kan bieden. In het voorbeeld van de Franse dokter kan men dan beargumenteren dat de versterkte informatieplicht enkel zou gelden voor feiten die ontstaan zijn vanaf 1998. Men spreekt dan van een onmiddellijke werking; de nieuwe regel heeft alleen gevolgen voor feiten die ontstaan vanaf het ogenblik van de uitspraak. Een ander alternatief is de uitgestelde werking. Bij deze techniek kent de rechter een bepaalde termijn toe zodat de burgers en overheidsdiensten hun gedrag kunnen afstemmen op de uitspraak. Dergelijke temporele werking legde het Grondwettelijk Hof op toen het het rookverbod vernietigde; de cafés kregen enkele maanden tijd om zich aan het algemene rookverbod te conformeren. Gedurende die maanden kon in de cafés bijgevolg nog gerookt worden, hoewel het Grondwettelijk Hof de regeling discriminerend vond.

Wanneer de rechter nadenkt over de mogelijke gevolgen van zijn uitspraak, moet hij vele belangen afwegen. Zo moet hij onder meer oog hebben voor de legitieme verwachtingen van de burger, de maatschappelijke impact van zijn uitspraak, de mogelijke administratieve en financiële gevolgen, de continuïteit van het beleid en het vermijden van leemtes in de regelgeving. In het licht van deze belangenafweging kan de rechter opteren voor de ene of andere temporele werking. De afweging is evenwel zelden zwart/wit en leidt bijgevolg niet tot een vaststaande conclusie. Het onderzoek biedt een wegwijzer door deze problematiek waarmee elke rechtzoekende bewust of onbewust geconfronteerd wordt.