Hoeders van de dorpsgemeenschap? Dorpselites en sociale structuren in de vijftiende- en zestiende-eeuwse Kempen

Date: 19 May 2014

Venue: UAntwerpen - Stadscampus - Tassiszaal - Prinsstraat 13 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

PhD candidate: Eline Van Onacker

Principal investigator: Prof. dr. Tim Soens, Erik Thoen

Short description: Doctoraatsverdediging Eline Van Onacker - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis



Abstract

De dorpsgemeenschappen in de vijftiende- en zestiende-eeuwse Kempen werden gedomineerd door klein boerenbezit en gekenmerkt door sterk uitgebouwde communale verbanden, die nauw samengingen met de alomtegenwoordige gemene gronden, die tot het einde van het Ancien Regime het Kempische landschap bleven domineren. De vraag die centraal stond in deze thesis was dan ook: hoe zag een elite eruit in een echte ‘peasant’-samenleving, waar veel minder ruimte was voor distinctie en de creatie van afhankelijkheidsverbanden dan in meer gepolariseerde samenlevingen. Wat waren de kenmerken van een dorpselite in een regio als de Kempen? En wat was de link tussen het specifieke karakter van Kempische dorpselites en de stabiliteit en continuïteit die de Kempen als regio kenmerkt, van de late middeleeuwen tot de negentiende eeuw?

Een eerste stap in het beantwoorden van deze vragen was de reconstructie van de precieze manoeuvreerruimte die deze dorpsgemeenschappen precies ter beschikking hadden. De feodale / heerlijke druk op deze samenlevingen was bijvoorbeeld eerder beperkt. De feodale structuur was sterk verbrokkeld, wat de greep van heren op deze dorpen sterk inperkte. Heerlijke lasten waren ook eerder beperkt; de enige significante last was het maalgeld dat moest betaald worden bij gebruik van de banmolens. Hetzelfde kan gezegd worden over de druk (i.c. belastingsdruk) van de ‘prille’ Bourgondische en Habsburgse staat. De som die dorpsgemeenschappen als geheel moesten ophoesten was veeleer bescheiden te noemen en vormde slechts een zeer beperkt deel van het gemiddelde boereninkomen. Enkel in crisisjaren was de betaling van heerlijke en statelijke lasten vermoedelijk een hele uitdaging en een echt probleem.

We weten dus dat de dorpsgemeenschappen als geheel heel wat manoeuvreerruimte hadden, maar dat betekent natuurlijk niet dat ieder lid van de gemeenschap daar op dezelfde manier van kon profiteren. Sociale ongelijkheid was een factor van belang – ook in peasant samenlevingen. Het reconstrueren van de sociale structuur en het identificeren van verschillende sociale groepen (waaronder ook de dorpselite) bleek dus absoluut essentieel. De reconstructie van bezitsverhoudingen is de beste manier om hier licht op te werken. Drie verschillende groepen konden onderscheiden worden. Allereerst een groep van ‘micro-smallholders’, die minder dan 1 hectare bewerkten, ver onder het subsistentieniveau zaten, wat vermoedelijk betekende dat ze nood hadden aan een substantieel additioneel inkomen en sterk afhankelijk waren van de gemene gronden. Vervolgens een groep die ik labelde als ‘cottagers’, die tussen 1 en 3 hectare bewerkten, wat nog steeds een additioneel inkomen noodzakelijk maakte, zeker in tijden van crisis. Beide groepen maakten ongeveer 30 procent uit van de dorpsgemeenschap, al verschilde het exacte aantal enigszins van dorp tot dorp. Dan waren er de peasants die meer dan 3 hectare bewerkten, waarvan een groot deel zelfs meer dan 5 of 10 hectare. Het grootste deel van dit land was cijnsgrond, wat betekent dat deze boeren een zeer sterke greep hadden op alvast dit productiemiddel. Deze independent peasants bewerkten voldoende land om zichzelf van voedsel te voorzien en waren ook de ultieme ‘mixed farmers’, aangezien hun bedrijven deels uit akkerland en deels uit weiland samengesteld waren. Deze groep was de echte elite van de Kempische dorpssamenlevingen. Deze reële ongelijkheid vertaalde zich ook in fiscale ongelijkheid, maar niet letterlijk. De Gini-coëfficiënten op basis van belastingslijsten schommelden rond 0.6, terwijl die op basis van grondgebruik ongeveer 0.5 bedroegen. Ik schoof de hypothese naar voor dat de rijkste 30 procent van het dorp  - wat ruwweg overeenstemt met de groep van independent peasants – meer bijdroeg aan de dorpsbelastingen dan hun eigenlijke bezit vereiste. Op die manier speelden de pre-moderne belastingen een rol als embryonaal herverdelingsmechanisme, wat ook in het belang was van de elite zelf, aangezien die zo orde en stabiliteit binnen hun gemeenschap konden garanderen.

Toch rustte de positie van deze elite niet enkel op hun grondbezit, de 3 C’s waren minstens even belangrijk: controle over de commons, commerciële activiteiten en controle over de dorpsgemeenschap. Deze aspecten kwamen dan ook ruimschoots aan bod. Wat de gemene gronden betrof, daar was het duidelijk dat deze ‘independent peasants’ heel wat voordeel haalden uit het gebruik van deze gemene gronden, meer dan hun buren. Zij konden er maaien, turf halen en schapen laten grazen. En ze gebruikten de gemene gronden niet alleen, ze hadden ook de formele controle over het beheer in handen – samen met de vertegenwoordiger van de heer, de baljuw. Het formuleren van de regels en het controleren op de naleving ervan gebeurde voornamelijk door of onder het toezicht van deze groep. Deze formele dominantie vertelt echter niet het volledige verhaal. Op een informeel niveau was er wel wat onderhandelings- en manoeuvreerruimte  en konden ook dorpelingen uit lagere ‘klassen’ hun visie kenbaar maken, onder meer door symbolische acties.

De ‘independent peasants’ waren ook in staat om te profiteren van een zekere mate van marktintegratie. Vooral hun schapenbezit speelde een belangrijke rol op dit vlak. De independent peasants waren de belangrijkste schapenkwekers van de Kempische dorpen, vaak met kuddes van een 50 tot 100 dieren. Hun vlees en wol konden deze groep van een belangrijke vorm van extra inkomsten voorzien. Deze groep was ook meer dan gemiddeld actief op de Kempische land- en kredietmarkten. Deze activiteiten waren echter niet gericht op accumulatie van land of kapitaal, en speelden dus geen rol in een polarisatieproces. Ze waren daarentegen vooral van belang in een peasant life-cycle model, bij het af- of opbouwen van een bedrijf en om in datzelfde bedrijf te investeren.

In een volgende hoofdstuk werd aandacht besteed aan de groep die in de traditionele historiografie vaak naar voor wordt geschoven als de ultieme economische plattelandselite: de pachtboeren. Pacht was een zeer beperkt fenomeen in de Kempen, waar nooit meer dan 25 percent van alle percelen werd verpacht. Grote pachthoeves waren ook niet ontzettend veelvoorkomend; vooral beperkt door de dorpen die toebehoorden aan de Abdij van Tongerlo en enkele andere kernen (Wuustwezel bijvoorbeeld, waar het Antwerpse  Sint-Elisabethgasthuis een aantal hoeves verpachtte). Deze pachtboeren verschilden qua landbouwstrategie eigenlijk niet eens zo ontzettend van gewone Kempische peasants. Hun bedrijven waren natuurlijk veel groter, maar ook zij combineerden akkerbouw en veeteelt, en subsistentielandbouw (evenwel vooral gericht op het voorzien van landheer) met commerciële activiteiten, vooral gelinkt aan het kweken van vee en schapen. De landheer (i.c. de abdij van Tongerlo) speelde een zeer sturende rol in het voorschrijven van specifieke landbouwstrategieën, waardoor deze pachtboeren misschien wel minder onafhankelijk waren dan de echte peasant-elite. Deze pachtboeren waren zeker geen outsiders in de dorpsgemeenschap, ze waren vaak generaties lang aanwezig in bepaalde dorpen en speelden vaak een rol in het dorpsleven, bijvoorbeeld als schepen. Toch slaagden ze er nooit in het dorpsleven compleet te domineren, dat bleef het ‘voorrecht’ van de independent peasants.

Deze independent peasants onderscheidden zich niet alleen op het economische vlak, door hun grote greep op hun eigen productiemiddelen, op de commons en door hun commerciële strategieën, ook hun (politieke en sociale) greep op het dorpsleven was bijzonder groot. Zeker op het formele-institutionele niveau controleerden zij de dorpsgemeenschap. Het melior pars van de Kempische samenleving – de 30 procent independent peasants – had een quasi-monopolie op schepenambten en op de functie van belastingsambtenaar. Dorpsbestuur en – administratie werden dus duidelijk sterk gedomineerd door deze groep. Maar, net zoals bij het bestuur van de Kempische gemene gronden was er een sterke informele participatiecomponent aanwezig. Er was verder ook duidelijk ruimte voor het uiten van afwijkende meningen, aangezien dus soms zelfs formeel werden genoteerd. Er waren dus duidelijk verschillende mechanismen aanwezig die ‘lagere’ sociale groepen toelieten om hun visie en bekommernissen duidelijk te maken, wat vermoedelijk ook essentieel was om orde en stabiliteit te vrijwaren.

Ook de sociale component van het dorpsleven werd in belangrijke mate door hen vormgegeven. Ze stuurden niet enkel de armenzorg, maar beheerden ook de kerkfabriek. Opnieuw werden de formele ambten gedomineerd door dezelfde groep independent peasants. Toch waren armenzorg en kerkelijke activiteiten behoorlijk inclusief. De Kempische armenzorg ondersteunde een relatief brede groep en was ook behoorlijk substantieel.  De uitgebreide Kempische armenzorg kon gedeeltelijk verklaard worden door de specifieke economische structuur van de Kempen, met een grote groep dorpelingen met mini-bedrijfjes, vermoedelijk afhankelijk van de seizoensarbeid van het mannelijke huishoudhoofd. Ouderdom of weduwschap kon mensen in deze omstandigheden dan ook heel kwetsbaar maken. Dat laatste gold trouwens even goed voor de groep independent peasants. Hun eigen kwetsbaarheid en hun hang naar stabiliteit binnen de dorpsgemeenschap zijn, naar alle waarschijnlijkheid, de belangrijkste verklaringen.

Deze scriptie kon dus effectief een groep identificeren die de stempel elite verdient. Deze groep onderscheidde zich voornamelijk door haar onafhankelijkheid, wat zich uitte in een grote controle over de eigen – en bij uitbreiding de  dorps – productiemiddelen.  De combinatie van subsistentie-akkerbouw en veeteelt die grotendeels op de markt gericht was, droeg hier ook toe bij, net als hun uitgebreide greep op de formele dorpsinstituties die het leven op het Kempische platteland vormgaven. Een verschil met de klassieke coqs de village elites in meer gecommercialiseerd en gepolariseerde regio’s is de afwezigheid van sterk uitgebouwde economische afhankelijkheidsrelaties, vooral op het vlak van arbeid. Het kernkenmerk van de Kempische samenleving is de aanwezigheid van een sociale balans, een convivium tussen de dorpselite en andere sociale groepen. De ‘independent peasants’ hadden er alle belang bij dit convivium in stand te houden en dus ook ruimte te laten voor participatie, inbreng en zelfs protest van andere groepen, aangezien zij er de voornaamste begunstigde van waren. Stabiliteit en continuïteit zijn dus de kernwoorden, maar deze konden enkel gevrijwaard worden door de aanwezigheid van bepaalde herverdelingsmechanismen (de gemene gronden, belastingen, armenzorg) en door ruimte te laten voor (informele) participatie en onderhandeling.