Therapietrouw aan medicatie: een verpleegkundige, meervoudige aanpak

Datum: 23 mei 2014

Locatie: UZA - Auditorium Kinsbergen - Route 12 - Wilrijkstraat 10 - 2650 Edegem

Tijdstip: 17 uur

Organisatie / co-organisatie: Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen

Promovendus: Yoleen Van Camp

Promotor: Prof. dr. M. Elseviers, prof. dr. B. Van Rompaey

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Yoleen Van Camp - Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen



Abstract

Chronische aandoeningen maken 60% van alle overlijdens uit. De meeste zijn goed te behandelen, vaak met orale medicatie, maar de gewenste resultaten worden vaak gemist door therapieontrouw. Therapieontrouw is het niet opvolgen van gezondheidsadviezen door patiënten (zoals het niet stipt innemen van de medicatie) en heeft een hoge prevalentie. Gemiddeld is de helft van de patiënten therapieontrouw hetgeen leidt tot verhoogde morbiditeit, mortaliteit, ziekenhuisopnames, werkverlet, kosten en tot een verlaagde levenskwaliteit. De WHO stelt dat het verbeteren van de therapietrouw een grotere positieve impact zou hebben op de gezondheid en uitgaven dan eender welke verbetering in medische behandeling. Om de therapietrouw te verbeteren zijn inzichten nodig in de omvang van het probleem, de determinanten en in manieren om een goede inname te ondersteunen. Deze dissertatie onderzocht dit bij dialyse, diabetes en hartfalen patiënten.

Uit de voorbereidende literatuurstudies en analyses van geclusterde databases bleek dat therapietrouw een complex gedrag is dat kan verhinderd worden door verschillende barrières die ook over een langere periode kunnen veranderen. Zo kan de ene patiënt bewust medicatie niet innemen door bijwerkingen en de andere patiënt door vergeetachtigheid dosissen overslaan. Daarom hebben enkelvoudige interventies (één interventie voor alle patiënten) doorgaans weinig effect en zijn meervoudige en geïndividualiseerde (interventie aangepast aan de bestaande barrière) interventies nodig. Wij ontwikkelden een tweeledige aanpak die er aan de ene kant op gericht was om patiënten vereisten mee te geven om therapietrouw te zijn (kennis, sociale steun en vaardigheden) en aan de andere kant gericht was op de specifieke noden van de patiënt (geïndividualiseerde begeleiding). Voor die geïndividualiseerde begeleiding ontwikkelden we een coaching schema om patiënten op te delen al naargelang hun mate van therapietrouw en parameter, zodat de interventie aangepast kon worden aan de bestaande situatie, problemen en zorgnoden van de patiënt.

Welke patiënten nemen het slechtste hun medicatie in?
De resultaten van de onze elektronische meting (zie figuur 1) toonden dat therapietrouw verschilde in de onderzochte populaties. Diabetes en hartfalenpatiënten hadden de hoogste therapietrouw en dialysepatiënten de laagste. Eén op de drie dialysepatiënten nam de medicatie niet als voorgeschreven in, meestal (in 70% van de gevallen) door vergeetachtigheid. In de dialysepopulatie onderzochten we fosfaatbinders – medicatie gekend voor ongemakken en bijwerkingen. In de diabetes en hartfalenpopulatie onderzochten we daarentegen ACE-inhibitoren en bèta-blokkers die over het algemeen beter verdragen worden. Hoe dan ook tonen onze resultaten aan dat therapieontrouw een belangrijk probleem is maar dat het niet mag veralgemeend worden. Verdere studie is nodig om te bepalen welke patiënten en welke medicatie vooral problematisch. Daarbij is er nood aan instrumenten die in de dagelijkse, klinische praktijk inzetbaar zijn om therapietrouw te meten, want elektronische monitoring is niet betaalbaar in de praktijk.

Welke factoren beïnvloeden een goede inname van medicatie?
Tot op heden heeft studie weinig factoren gevonden. Ook in onze studies werden slechts een beperkt aantal determinanten weerhouden. Meer sociale steun had een positieve invloed op therapietrouw in alle settings en een hogere ziekte-ernst een negatieve invloed in de dialyse en diabetessetting. Studies hebben voornamelijk demografische factoren in verband willen brengen met therapietrouw en het is pas de laatste decennia dat er meer aandacht gaat psycho-sociale factoren. Zulke factoren worden nu meer en meer onderzocht en blijken ook bepalend voor de therapietrouw, hetgeen ook in onze studies naar voor kwam. Het samenbrengen van de geïdentificieerde factoren is nodig om een screeningsinstrument op te stellen dat erin slaagt om patiënten aan te duiden die risico hebben op therapieontrouw. Op die manier kunnen therapietrouw ondersteunende maatregelen op zulke risicopatiënten gefocust worden.

Was onze interventie succesvol om de inname van medicatie te verbeteren?
Aangezien de therapietrouw in de diabetessetting dermate hoog was, waren we genoodzaakt de studie voortijdig stop te zetten en konden we dus de interventie die we ontwikkeld hadden niet in deze populatie bestuderen. In de hartfalensetting werd onze studie pas vorig jaar opgestart en ze loopt nog. In deze dissertatie kunnen we dus de resultaten van de interventie voorlopig enkel in de dialysepopulatie weergeven. Die resultaten zijn hoopgevend. De interventie verbeterde de therapietrouw en bloedwaarden. Toch was er een kern van patiënten – de zogenaamde “die hards” – die elke maand therapieontrouw bleef, ondanks onze interventies. Toekomstig onderzoek naar de redenen van het succes of het falen van de interventies is gepland.

Verder onderzoek aangewezen?
Onze studies werden gevoerd bij patiënten in een (vaak vergevorderd) stadium van hun aandoening. We zijn ervan overtuigd dat therapietrouw net gevestigd moet worden bij het allereerste voorschrift. Tijdens dat eerste voorschrift (doorgaans in de eerste lijn) worden vaak overtuigingen, kennis en vaardigheden (of net het gebrek eraan) geschept. Onderzoek naar therapietrouw in de eerste lijn is nodig, niet alleen om een totaalbeeld van de omvang van therapieontrouw te krijgen (van bij het begin van de behandeling) maar ook om de evolutie over de jaren in kaart te brengen. Onderzoek naar factoren die therapietrouw beïnvloeden zou rekening moeten houden met psycho-sociale factoren, zoals zelf-effectiviteit, sociale steun of de zorgverlener-patiënt relatie. Enkel door duidelijke factoren te vinden kan een screeningsinstrument ontwikkeld worden dat patiënten identificeert die waarschijnlijk therapieontrouw zullen zijn, zodat zij van bij het begin ondersteund kunnen worden.