Het gevecht met de boeken. De uitgeversstrategieën van de familie Verdussen (Antwerpen, 1589–1689).

Date: 27 June 2014

Venue: UAntwerpen - Stadscampus - Hof van Liere - Prinsstraat 13 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

Organization / co-organization: Departement Geschiedenis

PhD candidate: Stijn Van Rossem

Principal investigator: Prof. dr. Pierre Delsaerdt

Short description: Doctoraatsverdediging Stijn Van Rossem - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis



Abstract

Eerder dan de ideeën van grote wetenschappers, filosofen of schrijvers in de verf te zetten, en eerder dan de uitvinding die de machinale reproductie van die ideeën mogelijk maakte op zich te bewieroken, wil deze studie aandacht vragen voor de mannen en vrouwen die deze ideeën in de periode van het handgedrukte boek daadwerkelijk gematerialiseerd en verspreid hebben. 

Dit onderzoek naar een zeventiende-eeuwse drukkersfamilie toont aan dat het mogelijk was om gedurende generaties overeind te blijven in een moeilijke en kapitaalintensieve sector. Ondanks oorlogen en economische crisissen wisten de Verdussens door een mengeling van voorzichtigheid, flexibiliteit, durf, volharding, imitatie en natuurlijk ook geluk, hun bedrijf uit te bouwen tot een belangrijke speler in de katholieke wereld. 

Ronde jaren nodigen uit tot een terugblik. Met de recente millenniumwende was dit niet anders. Op het internet en in druk verschenen de bekende lijstjes op zoek naar de belangrijkste of meest invloedrijke personen van de afgelopen 1000 jaar. De resultaten waren niet altijd eenduidig, maar een vaak genoemde laureaat was de eerste moderne drukker, Johannes Gutenberg. Zo riep het boek 1000 Years, 1000 People: Ranking the Men and Women Who Shaped the Millennium Gutenberg uit tot ‘Man of the Millennium’ en in 1997 plaatste Time Live de uitvinding van Gutenberg, het drukken met losse loden letters, op de eerste plaats in hun overzicht van de belangrijkste uitvindingen van het millennium. De grote belangstelling voor de Westerse uitvinder van de boekdrukkunst in populaire media bewijst onze fascinatie voor de materiële kant van communicatie. De boekdrukkunst en zijn voornaamste product, het boek, zijn belangrijke attributen van de moderne mens en verwijzen haast symbolisch naar begrippen als vooruitgang, wetenschap, verlichting en moderniteit.

Eerder dus dan de ideeën van grote wetenschappers, filosofen of schrijvers in de verf te zetten, en eerder dan de uitvinding die de machinale reproductie van die ideeën mogelijk maakte op zich te bewieroken, wil deze studie aandacht vragen voor de mannen en vrouwen die deze ideeën in de periode van het handgedrukte boek daadwerkelijk gematerialiseerd en verspreid hebben. We weten namelijk nog niet genoeg over de drijfveren en werkwijzes van deze ‘informatiehandelaars’. Welke strategische keuzes maakten drukkers, hoe organiseerden ze hun bedrijf, welke boeken gaven ze uit, hoe probeerden ze hun bedrijf in leven te houden generatie na generatie, welke was de relatie tussen de drukker en de verschillende overheden en tot slot, hoe probeerden boekhandelaars hun waren tot bij de potentiële lezers te krijgen?

Het is moeilijk om in België te spreken over vroegmoderne drukkers zonder het te hebben over het befaamde drukkersgeslacht Plantin-Moretus. Dit onderzoek wil de bestaande kennis echter uitbreiden en waar nodig in vraag stellen door te focussen op een middelgrote drukkerij in een periode van economische uitdagingen. De familie Verdussen uit Antwerpen begon in 1589 met een drukkerij en boekhandel op een steenworp van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal en bleef bestaan tot het begin van de negentiende eeuw. Verschillende nazaten openden eveneens een eigen drukkerij of boekhandel, wat van de Verdussens een van de meest prominente Antwerpse typografische ondernemingen uit het ancien régime maakte. Omdat de familie zo lang in het boekenvak actief is gebleven, is een belangrijk deel van het archiefmateriaal bewaard gebleven. Ondanks de rijkdom aan bronnenmateriaal, waarover hieronder meer, is de familie Verdussen nooit echt grondig bestudeerd. Om onderzoekseconomische redenen komen alleen het bedrijf van stamvader Hieronymus I Verdussen (1552–1635) en de latere meesters van datzelfde huis aan bod, en dus niet alle familieleden die zich hebben afgesplitst en een eigen drukkerij of boekhandel zijn begonnen. In de praktijk komt dit neer op een eeuw typografische activiteit, van 1589 tot 1689, in achtereenvolgens de drukkerij-boekhandels De Tien Geboden en De Rode Leeuw (later herdoopt tot De Gulden Leeuw). In de tweede generatie zet Hieronymus II (1583–1653) het bedrijf verder tot het midden van de zeventiende eeuw. Daarna wordt het bedrijf overgenomen door zijn twee zonen Hieronymus III (1620–1687) en Joannes Baptista I (1625–1689). Zij leiden het bedrijf samen tot 1675 en gaan dan elk hun eigen weg: Hieronymus III blijft aan het hoofd van De Gulden Leeuw en Joannes Baptista I vestigt zich in De Twee Ooievaars. Politiek gezien valt deze periode ongeveer samen met het Spaanse bestuur van de Zuidelijke Nederlanden vanaf de Val van Antwerpen (1585) tot het uitbreken van de Spaanse Successieoorlog (1702).

De wijze waarop de Verdussens de drukkerij organiseerden verschilt sterk van die van de Officina Plantiniana. Hoewel er bij de Officina eveneens een groot personeelsverloop was, werkte ze toch met een groep vaste werknemers. Op basis van het rekeningenboek met de lonen van de werknemers van Hieronymus i Verdussen, lijkt het erop dat hij zonder vast personeel heeft gewerkt. Hier is enige voorzichtigheid geboden omdat alleen het jaar 1620 helemaal is onderzocht. In dat jaar werkten de meest frequente drukkers en zetters minder dan één week op twee voor Verdussen. Op deze manier kon hij maximaal inspelen op de immer fluctuerende workload. Als nadere studie van het personeelsbestand van de Verdussens deze trend bevestigt, betekent dit waarschijnlijk dat de meeste meester-drukkers zonder vast personeel werkten en dat ze per week (of een andere afgesproken periode) uit een pool van geschoold personeel alleen die werknemers kozen die ze nodig hadden. Dit zou betekenen dat drukkers en zetters op regelmatige basis bij verschillende meesters werkzaam waren en dat de grenzen tussen de verschillende Antwerpse drukkerijen een stuk minder strak waren dan eerst gedacht.

Deze flexibiliteit als antwoord op de vele onzekerheden in het boekenvak, een kernwaarde in het mentale businessplan van de Verdussens, is eveneens te vinden in de vele samenwerkingen en de diversiteit aan samenwerkingsvormen die ze aangingen. Opnieuw staan zij hierin tegenover de Moretussen, die zelden samenwerkten en hieraan ook geen nood hadden. Voor middelgrote drukkers met ambitie waren compagnieën echter een uitstekende manier om aan schaalvergroting te doen. Deze samenwerking kon beperkt zijn tot een enkel project, maar kon ook voor een bepaald genre teksten gelden en over verschillende jaren lopen. Verder was de compagnie geschikt om de financiële gezondheid van de drukkerij te vrijwaren bij de intergenerationele transfer van het bedrijf. Zo drukten Hieronymus iii en Joannes Baptista i 21 jaar in compagnie na het overlijden van hun vader. Voor de vele en veelvormige compagnieën als ondernemingsvormen haalden de drukkers de mosterd bij het handelsmilieu, wat aangeeft dat ze zich voor een deel spiegelden aan deze beroepsgroep. In overeenstemming met de gebruiken van de koophandel werd de werking van de compagnie dan ook uitermate gedetailleerd beschreven en contractueel vastgelegd. Dit gebeurde louter tussen de deelnemende partijen en dus niet binnen de traditionele corporatie: de gilde. Drukkers vlogen elkaar regelmatig in het haar, maar voor de onderzochte periode is er geen bewijs gevonden dat een contract tussen drukkers werd geschonden. Drukkers en boekverkopers waren concurrenten maar waren tegelijk ook op elkaar aangewezen. Ze verkochten elkaars boeken, wisselden personeel uit en financierden samen projecten. Vertrouwen en wederzijds respect waren daarom essentieel in de uitbouw van een succesvol bedrijf.

Met de Vrede van Munster in 1648 kwam niet alleen een einde aan de Tachtigjarige Oorlog, ook de prioriteit van de pamflettenstrijd daalde en kerkelijke autoriteiten, auteurs en drukkers gingen op zoek naar andere missies. Uiteindelijk slaagde de derde generatie Verdussens erin om een stevige voet aan de grond te krijgen in de Iberische handel. Ze maakten handig gebruik van de centrale positie van Antwerpen in katholiek Europa om als een hub te figureren binnen de landen van het Huis Habsburg, tussen Oost- en Zuid-Europa. Door de aankoop van de libri nigri van de Officina Plantiniana en de voorraden van Vivien en Mommaert beschikten ze reeds over een interessant assortiment. Dankzij een grondige marktkennis wisten ze welke werken het goed gingen doen op de Iberische markt en via hun contacten in Frankrijk en Duitsland probeerden ze deze werken in hun bezit te krijgen, het liefst zonder ze zelf te hoeven drukken. Deze verschuiving van de productie naar de distributie van boeken beperkte het risico op foute investeringen aanzienlijk en dat was nodig, want de Verdussens drukten en verkochten nu voornamelijk dure folianten. Via een ingenieus netwerk van intermediairs, met de hulp van Zuid- en Noord-Nederlandse kooplieden, verscheepten de Verdussens met grote regelmaat balen boeken naar Lissabon en Cadiz/Sevilla, de vertrekplaatsen voor het handelsverkeer naar de Portugese en Spaanse overzeese gebieden. In het kader van dit onderzoek werd alleen het Spaanse netwerk nader onderzocht. De Verdussens maakten hier deel uit van een door de jezuïeten georganiseerde handelstrafiek naar Amerika. Deze bestond onder meer – maar niet uitsluitend – uit boeken, en diende officieel voor de bevoorrading en uitrusting van de Amerikaanse missies. Op het einde van de zeventiende eeuw was de naam van de firma Verdussen commercieel interessant genoeg om ook in Spanje valselijk gebruikt te worden. Onder meer de Sevillaanse drukker Tomas Lopez de Haro gaf verschillende werken bestemd voor de Amerikaanse markt uit onder het schijnadres Verdussen. De Verdussens zelf voelden zich op dat moment reeds sterk genoeg om van de Moretussen overgekochte werken te voorzien van een nieuw titelblad met hun eigen naam in het impressum, wat bewijst dat het ‘merk’ Verdussen commercieel even interessant was als dat van de Officina Plantiniana. Hieronymus iii Verdussen kreeg in 1679 rechtstreeks bestellingen uit Lima, omdat hij gezien werd als een van de weinige boekverkopers wiens leveringen nog tot Lima geraakten. Ook in de tweede helft van de zeventiende eeuw droegen de activiteiten van de Verdussens bij tot de verspreiding van het katholicisme. Hun boeken dienden nu niet langer om hun vroegere landgenoten te bekeren, maar om de Kerk en de Westerse wereldvisie te uit te dragen naar de uithoeken van de wereld.

De Verdussens hadden een neus voor de juiste boeken en de marktkennis om te weten waar die het best aan de man gebracht konden worden. De kernvoorwaarde om dit te kunnen realiseren was een uitgebreid netwerk van drukkers en boekverkopers die de juiste teksten konden leveren, aangevuld met schippers, kooplieden, boekhandelaars en andere intermediairs die de boeken tot bij de klant konden krijgen. Voor de uitbouw van zo’n netwerk waren agenten nodig die de vraag en het aanbod kenden en de Verdussens hiervan op de hoogte brachten. Het moeizame balanceren van al deze factoren had inderdaad veel weg van een gevecht met de boeken. De titel van dit proefschrift verwijst echter ook naar een gevecht met de boeken in de financiële zin. Drukkers waren in de eerste plaats commercanten die geld wilden verdienen. Een van de grootste verdiensten van de Verdussens was dus dat zij ook dit gevecht met de boeken hebben kunnen winnen. Dit succes is in belangrijke mate te danken aan een zeer voorzichtige financiële politiek. Deze behoedzaamheid komt tot uiting in kleine details, zoals bijvoorbeeld de maandenlange strijd tussen Hieronymus iii en Joannes Baptista i over of deze laatste nu wel of niet kleren had mogen kopen in Parijs. Belangrijker is echter bijvoorbeeld de manier waarop de Verdussens meticuleus de overgang van het familiebedrijf van vader op zoon voorbereidden. Ook de overschakeling rond 1650 van zelf drukken naar het verhandelen van gewilde internationale bestsellers kan in dit licht gezien worden. In de eerste helft van de zeventiende eeuw ligt de nadruk van de Verdussens nog wél sterk op de distributie van het eigen fonds. Dit hield in principe meer financiële risco’s in, maar door een gezonde uitgavepolitiek speelden ze ook hier op veilig. De Verdussens bouwden hun fonds namelijk op volgens het Pareto principe of het 80/20 principe. Dit gaat ervan uit dat met een minderheid aan input een meerderheid aan resultaat bereikt kan worden. Deze denkwijze wordt ook vandaag nog gebruikt in het boekenvak en vertaalt zich in een kleine kern van titels waarmee het grootste deel van de winst gemaakt wordt. Het komt er voor een uitgeverij dus op aan om deze spreekwoordelijke ‘20 procent’ te kennen en daarmee de solide financiële basis te leggen voor het uitgeven van meer risicovolle werken, die een bedrijf dan weer de nodige status verlenen. De Verdussens spendeerden veel aandacht aan het verwerven van deze ‘vital few’. Ze waren bijvoorbeeld succesvol in het verwerven van het monopolie op de schoolboeken van de augustijnen. Dit soort drukwerk vervulde in het uitgeversfonds van de Verdussen de rol van de ‘20 procent’. Een schoolboek was goedkoop om te produceren, veranderde weinig of niet van inhoud en was ontegensprekelijk een ‘steady seller’.

Later probeerde Hieronymus ii nog de ‘steady seller’ bij uitstek, de almanak, naar zich toe te trekken. Dit bracht hem lijnrecht tegenover zijn collega-drukkers, de Sint-Lucasgilde en het Antwerpse stadsbestuur en uiteindelijk moest hij zijn plannen opbergen, ondanks de steun van de Geheime Raad. In dit proefschrift wordt duidelijk aangetoond dat de organisatie en wetgeving van het boekenvak een aanhoudende onderhandeling was tussen alle betrokken partijen: drukkers, gilde, stadsbestuur, centraal bestuur en kerkelijke overheden. Drukkers als de Verdussens hadden een moeilijke relatie met de gilde omdat zij zich slechts tot op bepaalde hoogte ambachtslieden voelden en zich ook wilden profileren als kooplieden met mercantiele drijfveren. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw gingen de Verdussens zich in bepaalde documenten ook als koopmannen presenteren en niet meer in de eerste plaats als drukker of boekverkoper. Alhoewel ze steeds lid bleven van de gilde, spreekt uit deze daad toch een gesofisticeerder zelfbeeld. Tijdens een conflict met de gilde over hoeveel winkels een boekverkoper mocht hebben, haalde Hieronymus i bijvoorbeeld aan dat hij vond dat hij op een eerlijke manier zijn brood mocht verdienen en dat de gilde hem hierin niet mocht belemmeren. In tegenstelling tot meer traditionele drukkers zoals Moretus was Verdussen een felle pleitbezorger van een aparte beroepsorganisatie voor drukkers- en boekverkopers, een project dat in Antwerpen nooit gerealiseerd zou worden. Hetzelfde streven naar maximale flexibiliteit legden de Verdyssens ook aan de dag in hun personeelsbeleid, zoals hierboven reeds is aangehaald.