Voorbij grenzen. Vrouwelijk lidmaatschap van religieuze broederschappen in een vroegmoderne kleine stad in de Zuidelijke Nederlanden

Date: 25 September 2014

Venue: Kapel Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

Organization / co-organization: Departement Geschiedenis

PhD candidate: Ellen Decraene

Principal investigator: Prof. dr. Bert De Munck, Prof. dr. Bruno Blondé

Short description: Doctoraatsverdediging Ellen Decraene - Departement Geschiedenis - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte



Voorbij grenzen. Vrouwelijk lidmaatschap van religieuze broederschappen in een vroegmoderne kleine stad in de Zuidelijke Nederlanden

Centraal in dit proefschrift staat de vraag naar de betekenis van vrouwelijk lidmaatschap van religieuze broederschappen in een kleine vroegmoderne stad (Aalst). Onderzoek naar de historische componenten van sociaal kapitaal en civil society heeft vele historici ertoe aangezet op zoek te gaan naar de sociale effecten van het middeleeuwse en vroegmoderne verenigingsleven. Katherine Lynch, bijvoorbeeld, stelt dat middeleeuwse en vroegmoderne verenigingen als belangrijke (extra)familiale netwerken binnen stedelijke contexten functioneerden en als bron van sociaal kapitaal werden aangewend. Andere historici stellen de positieve effecten van het vroegmoderne verenigingsleven echter in vraag en geven aan dat niet elk formeel netwerk sociaal kapitaal genereerde. Verder onderzoek is dus nodig om de veronderstelde impact van de vroegmoderne civil society op het bredere sociale weefsel te vatten.

Dit laatste gaat vooral op als we focus leggen op religieuze broederschappen,een van de meest populaire verenigingsvormen in het vroegmoderne Katholieke Europa. Gezien de sterke klemtoon op devotie en de geringe omvang van het sociale programma van deze organisaties is het zeer de vraag of ze wel vanuit de concepten sociaal kapitaal en civil society begrepen kunnen worden. Onderzoek naar het vroegmoderne broederschapsleven blijkt nog problematischer als we merken dat vrouwelijke actoren sterk vertegenwoordigd zijn als broederschapslid maar hun rol binnen deze formele netwerken nauwelijks wordt belicht. Zo goed als de helft van de vroegmoderne sociale netwerken bleef tot dusver eigenlijk bijna volledig uit beeld. Mijn vertrekpunt is daarentegen dat de aard, interactie en de werking van de vroegmoderne civil society niet afdoende kan worden begrepen als de vrouwelijke actoren in al hun verschijningsvormen verder verwaarloosd worden. Zowel wat hun rol in de publieke ruimte als hun houding ten opzichte van devotie en religiositeit betreft, worden er in de historiografie immers significante genderverschillen opgetekend. Bovendien kan de ‘agency’ van vroegmoderne vrouwen niet echt worden begrepen zonder hun rol in extrafamiliale netwerken te onderzoeken. De ambitie van dit proefschrift is daarom zowel de agency van vrouwen (buiten het huishouden in strikte zin) als de vroegmoderne broederschappen (en bij uitbreiding: civil society) beter te begrijpen.

De tijd dat zeventiende- en achttiende-eeuwse vrouwen enkel in de private en intieme ruimte van het kerngezin werden gesitueerd, is voorbij. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de bewegingsruimte van vrouwen groter was dan vaak werd aangenomen én dat ze bovendien de grens tussen de publieke en private ruimte wel degelijk overschreed (Lynch, van Aert). Jammer genoeg sorteerden deze inzichten – hoewel algemeen aanvaard – nog steeds weinig impact op recent onderzoek naar sociale relaties van vrouwen. Via de integratie van gendergeschiedenis en studies naar civil society tracht ik meer inzicht te verwerven in de sociale effecten van religieuze broederschappen op micro- en macroniveau van de samenleving enerzijds en in vrouwelijke agency binnen het vroegmoderne gemeenschapsleven anderzijds. Centraal stond de vraag naar de manier waarop gender, sociale aspecten en devotie met elkaar in relaties stonden binnen en buiten de muren van het huishouden. Hoe moeten we de vrouwelijke aanwezigheid in religieuze broederschappen begrijpen? Kunnen we de aantrekkingskracht van religieuze broederschappen begrijpen vanuit een sociale logica en of vanuit religieuze drijfveren en zien we een evolutie in de betekenis van vrouwelijk lidmaatschap doorheen de zeventiende- en achttiende eeuw?