'Tot synder goeden fame ende name'. De 'self-fashioning' van Mechelse en Brugse stedelingen in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne genadebrieven.

Date: 17 September 2014

Venue: F. de Tassiszaal, Hof van Liere - Prinsstraat 13 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

Organization / co-organization: Departement Geschiedenis

PhD candidate: Anke De Meyer

Principal investigator: Peter Stabel, Guido Marnef

Short description: Doctoraatsverdediging Anke De Meyer - Departement Geschiedenis

Abstract: Het is de opzet van dit doctoraat om op basis van een meer tastbare en concrete benadering van eer bij te dragen tot het schetsen van een meer levendig, gediversifieerd en genuanceerd beeld van waarden en normen in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne maatschappij

In verschillende toneelstukken van Shakespeare zoals in Romeo en Julia, de koningsdrama’s en Hamlet vormt de verdediging of het aantasten van de persoonlijke of collectieve eer de rode draad. Meermaals reflecteren de personages over zowel de inhoud als de draagwijdte van dit concept:  ‘What is honour? A word. What is in that word honour? …Air.’ Yet, ‘if I lose my honour, I lose myself”, so ‘it is greatly to find quarrel in a straw when honour’s at stake’. In 1459,was een dergelijke ‘straw’, een ‘kleinigheid’, de keuze van Margaretha vander Molen om haar man te beledigen in het bijzijn van een collega. Woedend verdedigde haar echtgenoot zijn eer door haar ter plekke dood te slaan. In 2007 was zo een ‘straw’ de beslissing van de 22 jaar oude Sadia Sheikh om een huwelijk met een Belgische man te verkiezen boven een gearrangeerd huwelijk met een Pakistaanse neef. Deze keuze leidde tot een hevige twist die eindigde toen haar broer haar doodde om de eer van de familie te herstellen. Deze voorbeelden van eremoorden illustreren het essentiële belang van eer als een structurerend element in soms wel heel verschillende maatschappijen. Algemeen kan eer beschouwd worden als een universeel concept dat de sociale orde in een maatschappij bewerkstelligt en reproduceert. Ondanks het universele karakter wordt het eerconcept echter wel steeds gekleurd door de cultuur en periode waarin het wordt vorm gegeven, alsook door de socio-economische groepen of gendergroepen waarin het opereert.

Het is de opzet van dit doctoraat om op basis van een meer tastbare en concrete benadering van eer bij te dragen tot het schetsen van een meer levendig, gediversifieerd en genuanceerd beeld van waarden en normen in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne maatschappij. Om dit te bereiken is het noodzakelijk dat we de eer en specifiek de ‘self-fashioning’ van verschillende sociale groepen in een bepaalde plaats, in dit geval in Mechelen en Brugge, en in een specifieke sociale setting, meer bepaald in een laatmiddeleeuwse en vroegmoderne gerechtelijke context, analyseren. De eenheid van plaats zorgt voor het stabieler houden van variabelen die het gedrag van bepaalde sociale groepen in een stedelijke omgeving kunnen hebben beïnvloed (zoals leeftijd en huwelijkse en sociale status), terwijl de chronologische reikwijdte ervoor moet zorgen dat ook ontwikkelingen op de middellange termijn in beeld komen. Op basis van de genadebrieven, brieven waarin de vorst een misdadiger zijn misdaad kwijtscheldt, hebben we vastgesteld hoe de ‘self-fashioning’ van mannelijke stedelingen voornamelijk werd bepaald door hun levensfase en hun beroep. Zo beriep een deel van de ongehuwde jeugd zich in de genadebrieven op karakteristieke ondeugden verbonden aan een laatmiddeleeuwse en vroegmoderne jeugdcultuur zoals braspartijen, dronkenschap, nachtelijke twisten en geweldpleging om de vorst van hun onschuld en beperkte aansprakelijkheid te overtuigen. Deze eigenschappen werden echter niet exclusief door de jeugd in hun genadebrieven geïntegreerd. Ook volwassen mannen deden dit af en toe. Aangezien niet alle mannen erin slaagden te huwen of economisch onafhankelijk te worden, dienden zij op zoek te gaan naar alternatieve mannelijkheidsvormen om zichzelf een gevoel van eigenwaarde te geven. Het grootste deel van de gehuwde mannen beriep zich in hun brieven echter wel op wat we het patriarchale mannelijkheidsmodel kunnen noemen, waarvan de belangrijkste pijlers hun vrouw en kinderen, een goede reputatie en het beroep waren. Verschillende beroepsgroepen gingen zich naast op een mannelijkheidsmodel ook beroepen op een professionele identiteit. Dat dit voornamelijk werd gedaan door ambachtslieden lijkt vanzelfsprekend. De ambachtsidentiteit moet veel hebben betekend voor mensen die voor hun levensonderhoud en hun sociale en religieuze leven op het ambacht aangewezen waren.

 Al aarzelend vanaf de vroege zestiende eeuw, maar volop in de tweede helft van deze eeuw, is er een evolutie in de ‘self-fashioning’ van de Mechelse en Brugse stedelingen op te merken. Het gebruik van het alternatieve mannelijkheidsmodel in de genadebrieven verminderde. Er dook een veranderend vrouwbeeld in de brieven op waarvan de belangrijkste indicator voor de fatsoeneringstendens in de genadebrieven het stilaan verdwijnen van vermeldingen van bordelen en prostitutie was. Daarnaast won het traditionele, door vele middeleeuwse moralisten gepropageerde, patriarchale mannelijkheidsmodel gestaag aan belang. De Mechelse en Brugse mannen uit de verschillende bestudeerde stedelijke groepen hanteerden steeds frequenter identificaties als ‘van goede naam en faam’ in combinatie met , ‘belast met wyf ende kinderen’. Eigenschappen zoals bedrijvigheid, kracht, rede en verantwoordelijkheid die ze in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw expliciet hadden aangewend om zich op een eigen specifieke manier te presenteren en om zich op deze manier van andere groepen te distantiëren kwamen steeds minder in de brieven voor. Om de vorst van hun eerbare karakter te overtuigen gebruikten de stedelingen dus meer en meer een uniforme en gestandaardiseerde notie van eer. Deze intensifiëring van het eergevoel en de standaardisering van het eerconcept kwam voort uit een grotere aandacht voor normen en waarden in deze periode. 



Contact email: anke.demeyer@uantwerpen.be