Modeontwerp in dialoog met architectuur: Auto-etnografische reflecties

Datum: 28 september 2015

Locatie: UAntwerpen - Stadscampus - Promotiezaal - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 13 uur

Promovendus: Alexandra Verschueren

Promotor: Prof. dr. Kurt Vanhoutte

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Alexandra Verschueren - Antwerp Research Institute for the Arts



Abstract

Deze tekst is een denkoefening die enkele jaren van zoekende ontwerppraktijk begeleidt. De zoektocht startte bij de observatie dat mode en architectuur vaak behandeld worden als verwante kunstvormen, en het vermoeden dat deze verwantschap wellicht verder gaat dan vormelijke gelijkenissen. Om dit doelgericht te onderzoeken was het de bedoeling een reeks ontwerpexperimenten te ontwikkelen waarin de raakpunten tussen mode en architectuur systematisch zouden worden geëxploreerd.

Om hiervan een academisch project te maken zonder het creatieve aspect, noch de inbedding van mode in een commerciële omgeving, te verloochenen, koos ik voor een auto-etnografische benadering: een systematische reflectie op een ontwerppraktijk zoals die zich gaandeweg ontwikkelde. Deze tekst is daarom een verhaal dat vertrekt vanuit een projectvoorstel om de lezer daarna te begeleiden langs het ontstaan van vijf seizoensgebonden collecties tot een apotheose – een experimenteel stuk dat door de drager ervan wordt beschreven als ‘the anatomy of a failure’—die alleen kan worden beschouwd als de start voor nieuwe projecten.

De vijf collecties vertegenwoordigen vijf stappen – dansend op de drie benen van creatief ontwerp, ingebedheid in de realiteit van de modewereld, en academische reflectie – in een poging om een vertaling te vinden tussen principes van architectuur en mode.

In een eerste stap, die de overgang bepaalt van de mastercollectie “Medium” naar de eerste collectie die deel uitmaakt van dit doctoraal project, “Shift”,  zocht ik bewust naar een op het eerste gezicht gemakkelijk vertaalbaar structureel gegeven. Daarbij koos ik voor ‘gelaagdheid’, vanuit de idee dat mijn eerder gebruikte vouwtechnieken daarvoor zouden kunnen worden aangepast. De technische vereisten voor de creatie van duurzame en draagbare gelaagde vormen in textiel (waarvoor gezocht moest worden naar gespecialiseerde producenten) leidde snel tot het inzicht dat in plaats van naar een rechtstreekse vertaling eerder moest worden gezocht naar een dialoog tussen twee autonome en complementaire disciplines met hun eigen specificiteit, grotendeel bepaald door hun functionaliteit. De gelaagdheid van “Shift” wordt daarom gekenmerkt door een sterke dynamiek en veranderlijkheid. Bijna als vanzelfsprekend werd dit dan ook een lente/zomercollectie, een keuze die de voortgang van de volgende experimenten mee zou bepalen.

Al in deze eerste fase was het duidelijk geworden dat het project geen lineair verloop zou kennen, zodat volgende stappen moeilijk voorspelbaar waren en dat het emergente ontwerpproces een eigen richting zou bepalen. Voor een groot deel werd de richting bepaald door mijn interactie als ontwerper met mensen en instellingen waarvan het creatieve proces o.a. materieel afhankelijk is.

De volgende stap in de dialoog met architectuur start bij de observatie dat een appreciatie van gebouwen meestal begint met de impressie van buitenaf. Een van de kenmerken die daarbij een rol speelt is de textuur, een verzamelnaam voor tactiele en visuele kwaliteiten. Textuur varieert afhankelijk van de omgeving. Het eerder toevallige uitgangspunt voor de tweede collectie, “Howl”, werd de ruwe plattelandsomgeving, met een jagersvest als inspiratiebron, die moest worden omgezet naar moderne elegantie en vrouwelijkheid.  Stoffenkeuze was daarvoor van groot belang. Er werd voornamelijk geopteerd voor natuurlijke wollen en katoenen produkten, met geborstelde oppervlakken voor relief en kleurenmengeling die doen denken aan verweerde daken en muren. Mijn favoriet was een traag gewoven sweaterstof met alle kenmerken die ik nodig had: pure ingrediënten, langzame en vakkundige produktie, een ‘textured look’, duurzaamheid, en extreme zachtheid. 

De derde collectie bouwt voort op de blik van buitenaf. Een kijk op gebouwen is zelden statisch. We bewegen erlangs, soms heel snel, doorheen een landschap met structuren die zelf bewegingloos zijn. We zien dan vooral lijnen, met nog herkenbare structuren. Maar de gebouwen zijn leeg, want er is te weining context – zoals ook gezegd kan worden van de talloze beelden die de nieuwe media op ons afsturen. Deze impressies wilde ik vatten in een nieuwe collectie, die dan ook “Vacuum” ging heten. Om leegheid of afwezigheid van betekenis uit te drukken in ontwerp werd in de kledingstukken de nadruk gelegd op subtiele lijnen (die ontstaan bij de blik vanuit een snel rijdende trein), een dominantie van lichte tinten (die natuurlijkerwijs ontstaan bij een snelle vermenging van kleuren), en op structurele continuïteit (die eveneens een evocatie is van snelle beweging). De structurele continuïteit wordt bijvoorbeeld gerealiseerd door het ontwerpen van kleren die slechts uit twee of drie patroonstukken bestaan.

In de aanlop naar de vierde collectie ging een van mijn belangrijkste stoffenproducenten failliet, met name de fabrikant die de polyester plooisels maakte die ik steeds opnieuw gebruikte. Bij de zoektocht naar alternatieven kon ik me geen dure hoogtechnologische opties, zoals 3D-printing, veroorloven; ik onderzocht wel de mogelijkheden, maar vond geen bevredigende oplossingen voor mijn doeleinden. Voor de nieuwe collectie was ik dus aangewezen op stoffen van hoge kwaliteit die ik al eerder had gebruikt. Maar daaraan werd een echte ‘old-school high-tech’  optie toegevoegd: rokuyon, of Japanse moleskin. Voor deze collectie werd de dialoog met architectuur naar een abstracter niveau getild: de wijze waarop kleren, zoals gebouwen, passen in hun omgeving. Ik ging bewust op zoek naar het ordinaire, gebruik makend van fundamentele codes waarbij harmonie domineert als visuele impressie, maar in combinatie met elementen van contrast zoals spontaneiteit en de suggestie van activiteit en diepgang. Vandaar de titel “Lowride.” Het hoofdkenmerk van de stijl die daardoor ontstaat is wellicht te omschrijven als ‘blending out’: of, ‘standing out while blending in.’ De relatie van het ontwerp met de omgeving, zowel in de openbaarheid buiten als in de intimiteit van ruimtes binnen, werd een hoofdmotief

De abstrahering van de band met architectuur bracht de dialoog in een stroomversnelling, waarbij verschillen tussen beide kunstvormen steeds meer op de voorgrond traden. Net daardoor werd het mogelijk een eigen focus te definiëren voor de vijfde collectie, “Pulse,” die nauw aansloot bij wat ik gaandeweg was gaan beschouwen als een essentieel element van modeontwerp, namelijk de aandacht voor het gevoel bij aanraking, de ‘touch’, die aan de visuele kwaliteiten een sensorische poëtica moest toevoegen. Deze idee werd gerealiseerd door zonder nostalgie te putten uit vormen uit het verleden, die te actualiseren zonder te veel aandacht te vestigen op het puur visuele, maar ze mede door de stoffenkeuze een uitstraling te geven die uitnodigt tot aanraking.

Het momentum dat werd bereikt met “Pulse” maakte de snelle ontwikkeling van een zesde collectie mogelijk, “Waves”, die ik beschouw als een interludium op weg naar een afsluitende episode die niet was gepland maar die op mijn weg kwam en mij als het ware terugbracht bij het beginpunt van dit project: de ontwikkeling, in samenwerrking met mijn promotor Kurt Vanhoutte, Kaat Debo, Tobias Klein, Joris Debo, en Marie Schuller, van een 3D-geprint kleed dat gefilmd en getoond zou worden op de architectuurbiënnale van Venetië. Dit experiment, “Incunabula,” was ver verwijderd van het mode-ideaal dat mij intussen voor ogen stond. Het gevecht om met het gebruikte materiaal een wenselijke vorm te creëren was spannend. Maar het resultaat liet weinig heel van de zo belangrijke ‘touch.’ Een duidelijk startschot dus voor nieuwe denkoefeningen, en een voortgezette dialoog.