The return of the European beaver (Castor fiber) in Flanders, Belgium: ecology and risk assessment

Datum: 14 december 2015

Locatie: UAntwerpen, Campus Middelheim, A.143 - Middelheimlaan 1 - 2020 Antwerpen

Tijdstip: 16 uur

Promovendus: Kristijn Swinnen

Promotor: Herwig Leirs & Erik Matthysen

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Kristijn Swinnen - Faculteit Wetenschappen, Departement Biologie



Abstract

Bevers zijn grote semi-aquatische knaagdieren die vooral bekend zijn omdat ze bomen omknagen en dammen kunnen bouwen. Deze acties veranderen de omgeving en daarom worden bevers ecosysteemingenieurs genoemd. De twee nog levende soorten: de Euraziatische bever (Castor fiber) en de Noord-Amerikaanse bever (Castor canadensis) werden beide sterk vervolgd door de mens, vooral omwille van hun pels. De Euraziatische bever (hierna bever) populatie werd in het begin van de 20e eeuw teruggebracht tot slechts 1200 dieren in 8 kleine populaties. Sinds toen hebben beschermingsmaatregelen, herintroducties en natuurlijke rekolonisatie gezorgd voor een groei in aantal en een uitbreiding van hun verspreidingsgebied. Momenteel leven er minstens 1 miljoen bevers in Eurazië.

Ook in België leefden bevers in beboste riviervalleien, maar rond 1900 waren alle bevers uitgeroeid. Herintroducties in buurlanden lagen aan de basis van de eerste terugkerende bevers in 1990 in België. Tussen 1998 en 2001 (Wallonië) en in 2003 (Vlaanderen) werden er bevers uitgezet zonder toestemming van de overheid. Hierdoor werden bevers niet wetenschappelijk opgevolgd ondanks het feit dat het bekend was dat bevers effecten konden hebben op het landschap die niet noodzakelijk wenselijk waren in een van de dichtstbevolkte gebieden van Europa.

Het doel van deze studie is het vergroten van de ecologische kennis met betrekking tot bevers in een door mensen gedomineerd landschap zonder roofdieren. Vervolgens kan deze kennis gebruikt worden om te anticiperen op potentiële mens-beverconflicten en deze conflicten zo goed mogelijk op te lossen.

We verzamelden gegevens om na te gaan of er een toekomst mogelijk is voor bevers in Vlaanderen gebaseerd op de ecologie van de soort. We onderzochten activiteitenpatronen van bevers met behulp van cameravallen en bevers bleken ook hier voornamelijk schemer- en nachtactief te zijn. Verder bleken bevers hun activiteit te verhogen tijdens nachten met veel maanlicht. Mogelijk zijn bevers nog steeds schemer- en nachtactief, als gevolg van de historische vervolging van bevers door mensen, ondanks het feit dat ze momenteel strikt beschermd zijn en er hier geen roofdieren aanwezig zijn. Ook ontwikkelden we een methode om automatisch een onderscheid te maken tussen cameravalopnames die mogelijk wel en mogelijk geen bever registreerden.

Verder onderzochten we de genetische achtergrond van de beverpopulaties in Vlaanderen. Dit deden we op basis van mitochondriaal DNA uit haarwortels die niet invasief verzameld werden. Hieruit bleek dat er bevers afkomstig uit 4 verschillende relictpopulaties aanwezig waren binnen Vlaanderen, en we hebben geen aanwijzingen in verband met mogelijke aanwezigheid van C. canadensis. Verder toonden onze resultaten dat genetische uitwisseling tussen de 2 grote rivierbekkens (Schelde en Maas) waarschijnlijk zeer beperkt is.

We onderzochten de potentiële habitatgeschiktheid van de momenteel nog niet gekoloniseerde delen van Vlaanderen. Hiervoor analyseerden we welke habitateigenschappen aanwezig waren in de territoria die momenteel ingenomen werden, en vervolgens werd er met behulp van species distribution models (“soortverspreidingsmodellen”) nagegaan welke andere gebieden in Vlaanderen ook nog aan deze eisen voldeden. Afstand tot water, wilgen, moerasvegetatie en populieren bleken de belangrijkste verklarende parameters te zijn. Vanuit deze modellen kan er geschat worden dat er voldoende habitat aanwezig is voor 924 beverterritoria.

Maar, een locatie die voldoet aan de minimale ecologische vereisten, die het mogelijk maken voor bevers om zich hier te vestigen, kan vanuit menselijk standpunt ongeschikt zijn omdat het omknagen van bomen of het bouwen van dammen op deze locatie niet getolereerd kan worden. De bouw van beverdammen (en de potentiële vernatting) is de grootste bezorgdheid met betrekking tot de terugkeer van de bever, al is het bouwen van een dam niet essentieel voor bevers om zich ergens te vestigen. We onderzochten welke omgevingsvariabelen een invloed hadden op het bouwen van dammen.

Waterdiepte en -breedte, oeverhoogte, stroomsnelheid en afstand tot houtige vegetatie verschilden significant tussen controle en dam territoria. Het beste onderscheid tussen dam- en controleterritoria kon gemaakt worden op basis van waterdiepte. Als de diepte minder was dan 68 cm was het zeer waarschijnlijk dat een dam gebouwd werd, was het water dieper werd er geen dam gebouwd. In territoria met een beverdam werd deze bij voorkeur stroomafwaarts van een samenvloeiing van verschillende waterlopen gebouwd. In ons studiegebied verhoogden beverdammen het waterniveau met 15-87 cm (47 cm gemiddeld). Overstroming gebeurde op 2 locaties (21 en 29 cm water boven het laagste punt van de oever stroomopwaarts van de dam) en in de resterende damterritoria kon het waterniveau nog 1 tot 71 cm stijgen alvorens de oever overstroomde.

Onze resultaten kunnen gebruikt worden als een management tool om mogelijke risico’s met betrekking tot de terugkeer van de bever te analyseren. Management acties kunnen gebruikt worden om problemen met bevers te voorkomen of zo goed mogelijk op te lossen. Zo kunnen de kritieke locaties (populierenplantages, zwakke oevers, locaties gevoelig aan overstroming), in gebieden die geschikt zijn voor bevers, extra opgevolgd worden. Ook structurele preventieve maatregelen zoals oeververstevigingen, of maatregelen die het dichtstoppen van smalle passages van het water tegengaan, kunnen uitgevoerd worden. Door problemen te voorkomen of snel op te lossen kan het draagvlak voor samenleven van mensen en bevers gestimuleerd worden.

Conclusie: we verwachten dat de beverpopulatie verder groeit en dat het streefdoel van 167 territoria, gesteld binnen het soortbeschermingsprogramma, gehaald zal worden. We bespreken hoe onze onderzoeksresultaten het soortbeschermingsplan kunnen verbeteren en concluderen dat duurzaam samenleven tussen mens en bever mogelijk is indien er voldoende maatschappelijk draagvlak blijft bestaan. Dit wil echter niet zeggen dat er nooit problemen zullen zijn met bevervestigingen. Conflicten zullen plaatsvinden maar een verbeterd ecologisch inzicht gecombineerd met een goed bevermanagement kan toekomstige problemen minimaliseren.