Belgen, zijt gij ten strijde gereed? Militarisering in een neutrale natie, 1890−1914

Date: 26 February 2016

Venue: Universiteit Antwerpen - Stadscampus - Promotiezaal Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM - 6:00 PM

Organization / co-organization: Faculteit Letteren en Wijsbegeerte

PhD candidate: Nel de Mûelenaere

Principal investigator: Prof. dr. Maarten Van Ginderachter

Short description: Doctoraatsverdediging Nel de Mûelenaere - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis



Abstract

De Belgen stonden tijdens de belle époque niet bekend om hun strijdlust. Het land had amper deelgenomen aan de Europese wapenwedloop, beschikte nauwelijks over een militaire traditie en de politieke klasse had een stevige grip op het verwaarloosde leger. Terwijl overal in Europa algemene dienstplicht werd ingevoerd, weigerde de Belgische regering tot 1913 om haar mannelijke bevolking te kazerneren. De jurist Ludovic Thiriaux vertolkte in 1912 de heersende visie: ‘Une armée! - Pourquoi faire?... on ne l’aura jamais. « LA BELGIQUE N’EST PAS MILITARISTE ». Ce n’est pas une fois, mais cent fois que chacun a entendu ce refrain’.[1]

In dit doctoraat ga ik op zoek naar een ander refrein. Ik stap af van de premisse dat België een ‘antimilitaristische’ natie was, en onderzoek vergeten militariseringsprocessen in de Belgische samenleving. Mijn stelling is dat in België tussen 1890 en 1914 een aantal processen werden ingezet die -ondanks de neutraliteit, ondanks het antimilitaristische en burgerlijke zelfbeeld- ervoor zorgden dat de elite en de bevolking militaire oplossingen aanvaardden voor maatschappelijke problemen en veiligheidsproblemen, en dat de bevolking in toenemende mate gecontroleerd werd door het militaire instituut en/of militaire cultuur. Specifiek kijk ik daarvoor naar de debatten en praktijken rond de inzet en steun van de Belgische bevolking aan het militaire apparaat, en dit op drie cruciale domeinen.

Ten eerste analyseer ik het politieke discours en beleid rond de militarisering van de bevolking. Ik volg de opbouw en uitbouw van die ‘militaristische’ lobby. Dit informele en expanderende netwerk van oud-officieren en liberalen ontwikkelde in die periode een duidelijke visie op veiligheid, neutraliteit en defensie, en gaf ook een militaire betekenis aan patriottisme, viriliteit, nationale eer en burgerschap. Het lange termijnsucces van de militariserende beweging werd bereikt door een langzame popularisering van militaire en patriottische waarden en gedragsnormen aan de hand van rituelen, symbolen en praktijken. Daarom heb ik niet alleen oog voor de politieke, maar ook voor de culturele manifestaties van militarisering, die een tweede spoor van analyse vormen. Ik bestudeer de manier waarop de houding van de nationale elite tegenover het leger werd weerspiegeld en gepromoot in publieke rituelen tijdens de nationale feesten. Deze studie toont aan dat ook de Belgische strijdmacht sinds de jaren 1890 in toenemende mate werd voorgesteld als centraal symbool van de natie. Naast de politieke en culturele manifestaties heb ik in dit doctoraat ook aandacht voor de sociale invulling van militarisering. Ik analyseer hoe het leger het lichaam, de geest en het hart van de mannelijke jeugd voor en tijdens de dienst militariseerde. Daarnaast besteed ik aandacht voor het dagelijkse leven in en rond de kazerne. Ook hier wordt het dominante beeld van het leger als een afgesloten eiland resoluut opzijgeschoven, burgers en soldaten kwamen voortdurend met elkaar in aanraking. De mythe van de kazerne als een monolithisch mannelijk bolwerk wordt evengoed doorprikt: vrouwen waren een integraal onderdeel van het Belgische militaire leven.

Deze verkenning toont dat er tussen 1890 en 1914 complexe processen van politieke, culturele en sociale militarisering werden ingezet in de Belgische natie. Die militarisering werd vanaf 1896 voortgestuwd door een eenzame, relatief kleine groep van liberalen en oud-officieren, die het idee promootten dat militaire cultuur heilzaam en noodzakelijk was voor de natie. Ik demonstreer hoe tussen 1896 en 1914 hun visie op de maatschappelijke rol van de strijdmacht langzaam toegeëigend en aanvaard werd door een deel van het Belgische civiele samenleving, en vanaf 1908 gemeengoed in de politieke cultuur. Doorheen de onderzoeksperiode veranderde de plaats van defensie in de nationale identiteit: van een neutrale, anti-militaire natie ging België naar een neutrale, defensieve natie die -indien bedreigd- ‘ten strijde gereed’ was. Of de natie daarmee voorbereid was op de oorlog die voor de deur stond, blijft een open vraag.

[1] L. Thiriaux, Le Militarisme (?) en Belgique  (Imprimerie Industrielle et Financière, 1912), 4



Contact email: nel.demuelenaere@uantwerpen.be