To cure is to kill? Cattle plague, state intervention and veterinary knowledge in the Austrian Netherlands, 1769–1785

Date: 25 April 2016

Venue: Grauwzusters - Promotiezaal - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM - 6:00 PM

Organization / co-organization: Faculteit Letteren en Wijsbegeerte

PhD candidate: Filip Van Roosbroeck

Principal investigator: prof. dr. Tim Soens & prof. dr. Bert De Munck

Short description: Doctoraatsverdediging Filip Van Roosbroeck - Departement Geschiedenis, Faculteit Letteren en Wijsbegeerte



To cure is to kill? Cattle plague, state intervention and veterinary knowledge in the Austrian Netherlands, 1769–1785

Deze doctoraatsverhandeling handelt over de totstandkoming van een zogeheten 'slachtpolitiek' in de Oostenrijkse Nederlanden tijdens een uitbraak van veepest in de periode 1769-1785. In de historiografie wordt deze politiek vaak beschouwd als een teken van moderniteit of voortkomend uit ervaring met eerdere uitbraken. Ook de toenertijdse elite beschreef haar (en haar success) als het resultaat van de eigen rationaliteit en verlichting.

Deze thesis betoogt echter dat er een kloof gaapte tussen discours en praktijk: noch het functioneren van de slachtpolitiek, noch de perceptie van haar succes, kan louter verklaard worden door de intenties of het ideeëngoed van een kleine elite. Deze slachtpolitiek moet integendeel beschouwd worden als een technologie, een netwerk van interagerende actoren, die maar als succesvol kon worden gezien dankzij de omgeving waarin, en de manier waarop, zij werd uitgevoerd.

 In het eerste en tweede hoofstuk komt het gedrag van de ziekte zelf aan bod. Hieruit blijkt dat de veepest vooral een zware impact had in de polders van kust-Vlaanderen en veel milder was in binnen-Vlaanderen. Dit wordt verklaard door de structurele verschillen tussen beide regio's. In het derde hoofdstuk worden de eerste uibraken van veepest in Marche-en-Famenne en in de buurt van Gent onderzocht. Het relatief rustige gedrag van de ziekte in deze streken leidde er mee toe dat de slachtpolitiek werd aanzien als een succesvol middel om de ziekte te bestrijden. In het vierde hoofdstuk wordt de uitbraak in kust-Vlaanderen behandeld: de omvang hiervan leidde tot conflicten tussen het kasselrijbestuur van het Brugse Vrije, de Staten van Vlaanderen en de centrale overheid, die slechts wegdeemsterden na het verdwijnen van de ziekte. Dit verdwijnen werd toegeschreven aan de slachtpolitiek, maar was waarschijnlijk het resultaat van de grote immuniteitsgraad die het gevolg was van de eerdere uitbraak.

In het vijfde en zesde hoofdstuk komen de zogeheten koeimeesters aan bod, lokale veterinaire genezers waarop werd gesteund om de diagnose te stellen en de omvang van de schadevergoeding te bepalen. Het vertrouwen dat door alle lagen van de bevolking in deze genezers werd gesteld, was van fundamenteel belang voor het blijvend functioneren van de slachtpolitiek. Tot slot komen in het zevende hoofdstuk de wijzes aan bod waarop de verschillende belangen van deze actoren met elkaar verzoend werden.

 De conclusie van dit doctoraat is dat het succes van de slachtpolitiek voor een groot deel perceptie was: ze veranderde immers in wezen niets aan het gedrag van de ziekte en kostte veel meer dan ze opbracht. In de mate dat ze wel een succes was en niet leidde tot opstand of excessieve uitgaven, kon ze dit maar zijn omdat ze de belangen van alle relevante actoren met elkaar wist te verzoenen. 



Contact email: filip.vanroosbroeck@uantwerpen.be