A horizontal attitude. Gibsonian psychology and an ontology of doing

Date: 9 May 2016

Venue: Universiteit Antwerpen - Hof van Liere - Willem Elsschotzaal - Prinsstraat 13 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

Organization / co-organization: Faculteit Letteren en Wijsbegeerte

PhD candidate: Ludger van Dijk

Principal investigator: prof. dr. Erik Myin & dr. Rob Withagen

Short description: Doctoraatsverdediging Ludger van Dijk - Departement Wijsbegeerte - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte



A horizontal attitude. Gibsonian psychology and an ontology of doing

In dit proefschrift wordt een “horizontale” richting van denken over menselijk gedrag geïntroduceerd. Deze denkrichting is bedoeld om radicale—niet-representationele—theorieën over cognitie richting te geven. De horizontale houding wordt aan de hand van een vergelijking met de traditionele benadering in de wetenschappelijke psychologie uitgelegd. Kenmerkend voor de traditionele “verticale” benadering is dat deze gericht is op het opbouwen van een gelaagde, hiërarchische ontologische structuur waarin hogere orde eigenschappen ontstaan uit, of reduceren tot, lagere orde eigenschappen. In de horizontale benadering daarentegen, is de gelaagde structuur overbodig. Sterker nog, in deze benadering, ontleend aan het (latere) werk van Wittgenstein, is iedere a priori structuur overbodig.

Zo verkiest de benadering het afzonderlijke en individuele, het dynamische en het concrete boven het algemene, het statische en het abstracte. De benadering kenmerkt zich door het verbreden van “verticaal” gerichte analyses. Dat wil zeggen, de benadering bestaat uit het actief “zijwaarts” ombuigen van de traditionele denkrichting. Het maakt vernauwende, verticaal gerichte, analyses overbodig door telkens te wijzen op de concrete aspecten van afzonderlijke situaties en omstandigheden die door de traditionele benadering genegeerd en uitgesloten worden. De horizontale richting is zichtbaar in verschillende domeinen van de psychologie en filosofie, in het bijzonder in Hubert Dreyfus’ Heideggeriaanse interpretatie van het leren van vaardigheden en de ecologische psychologie van James Gibson.

Tegen de achtergrond van de horizontale denkrichting richt het proefschrift zich op Gibson’s ecologische psychologie. Ten eerste wordt het concept van ‘informatie’ onderzocht. Door dit concept te definiëren in termen van “gebruik” in plaats van in termen van een abstracte “gelijkenis” wordt ‘informatie’ in lijn gebracht met de horizontale aanpak. Bovendien wordt met de analyse een belangrijk ontologische teneur van radicaal enactivisme verenigd met Gibsoniaanse psychologie. Hierdoor komt een gedeelde horizontale achtergrond in beide stromingen naar voren. Ten tweede wordt het concept ‘tijd,’ zoals het een onderdeel vormt van Gibson’s notie van “affordances” onderzocht. De analyse laat zien dat het onderscheid tussen herinneren, waarnemen en anticiperen in Gibson’s theorie overbodig is. Het concept van ‘affordances’ wordt vervolgens verbonden met Heidegger’s concept van “oorspronkelijke tijdelijkheid”. Hierdoor ontstaat een notie van de tijdelijkheid van affordances die zodanig wordt ontwikkeld dat abstracte tijd niet langer als voorwaarde voor, maar als gevolg van menselijke activiteit kan worden gezien. Gesuggereerd wordt dat Heidegger het menselijke handelen prioriteit gaf over analytische abstracties en op die manier kan ook zijn werk horizontaal worden begrepen.

Door de relatie tussen tijd en handelingen om te draaien, wordt het mogelijk om het concept van ‘agentschap’ en de fenomenen van “hogere orde” en “offline” cognitie horizontaal te begrijpen. Zo worden zij, in ieder geval in principe, binnen het bereik van radicale theorieën van cognitie gebracht. Als laatste wordt deze benadering van “hogere orde” cognitie verder uitgewerkt door een alternatieve, horizontale, kijk op taal te schetsen. Via de introductie van het concept van ‘reificatie’ en dit te verbinden aan Wittgensteins werk wordt ons denken over talige betekenis horizontaal gericht. De rol van taal wordt, door het menselijk handelen op te nemen in onze ontologie, drastisch veranderd. In plaats van de traditionele interpretatie van taal waarin woorden verwijzen naar dingen, wordt taal een onlosmakelijk deel van een continue stromende beweging die een situatie vormt. Deze continu vormende situatie kan dan ook, onder specifieke omstandigheden, reificatie uitnodigen.

Eenmaal horizontaal begrepen kan talige betekenis zo op gelijke voet komen te staan met de rest van de ecologisch omgeving—dit opent mogelijkheden om een veelvoud aan menselijke handelingen binnen het bereik van radicale cognitieve wetenschappen te krijgen. Door via Wittgenstein’s werk de formatieve stroom van activiteiten centraal te stellen, kan deze laatste analyse als een verfijning van de horizontale benadering worden gezien: het richt de kijker op het afzonderlijke en concrete in situaties van abstractie.



Contact email: ludger.vandijk@uantwerpen.be