De dood van Euridyce

Datum: 22 juni 2017

Locatie: Stadscampus, aula R.007 - Rodestraat 14 - 2000 Antwerpen (route: UAntwerpen, Stadscampus)

Tijdstip: 15 uur

Promovendus: Matthias Bunneghem

Promotor: Prof. dr. Walter Weyns

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Matthias Bunneghem - Departement Sociologie



Abstract

ENKELE NOTITIES TER ORIËNTATIE VAN DE STUDIE
„Know ye not that there is here in this world a secret confraternity, which one might call the Company of Melancholiacs?”i Jacobsen, een Deense literator die Rilke inspireerde en Darwin vertaalde, kon zich tegen het einde van de negentiende eeuw nog enigszins schertsend uitlaten over de dichters en geleerden van zijn tijd, die hartstochtelijk bleken te lijden aan Weltschmerz en Sehnsucht, of aan la maladie anglaise (of aan French boredom zo men wil) en zich zo presenteerden als erfgenamen van Donne, die reeds in 1611 een magistrale, in zijn synthetisch vermogen ongeëvenaarde versregel optekende: „’Tis all in pieces, all coherence gone.”ii

Er mocht worden geschertst, want die melancholie was dan wel oprecht, tegelijk correspondeerde zij met een literaire en urbane mode, terwijl, zo tekent Huizinga op, „de grondtoon der algemene cultuurstemming die [bleef] van een stellig vertrouwen, dat de wereld, […] op de rechte en brede weg was naar eendracht en welvaart, in vrijheid en menselijkheid, beveiligd door een weten en kunnen, dat nagenoeg een toppunt scheen te hebben bereikt.”iii

Vanaf de vroegste jaren van de twintigste eeuw maakt dat enigszins bevallig geklaag over verval en degeneratie plaats voor een op diverse wijzen geproclameerde ervaring van een (nakende) eenmalige en definitieve breuk met vele eeuwen quasi onafgebroken vooruitgang in het humanistische beschavingsproces. Bij oplettende observatoren, zoals in het bijzonder Kraus, breekt de vertrouwde stemming van culturele décadence en slaat ze om in een behoorlijk geprononceerde nihilistische stemming die het huidige tijdsgewricht verstaat als een eindtijd, het eschaton nabij. Hiermee geconfronteerd, formuleert Huizinga een dringend appel: „Zal deze beschaving gered worden, zal zij niet verzinken in eeuwen van barbarij, maar met behoud van de hoogste waarden, die haar erfgoed zijn, overgaan tot nieuwer en vaster staat, dan is het wel nodig, dat de nu levenden zich terdege rekenschap geven, hoever het bederf, dat haar bedreigt, is voortgeschreden.”iv

Zelfs al zou men Huizinga niet meteen in zijn betoog willen volgen, volstaat een blik op het werk van aantal invloedrijke twintigsteeeuwse cultuursociologen en cultuurcritici om vast te stellen dat het thema van een gebroken cultuur tot de primaire studieonderwerpen behoort. Simmels Begriff und Tragödie der Kultur kan als voorbeeld gelden, evenals Kracauers Die
Angestellten, Ortega y Gassets La rebelión de las masas, Adorno’s en Horkheimers Dialektik der Aufklärung, Gehlens Die Seele im technischen Zeitalter, Goudsbloms Nihilisme en cultuur, Steiners In Bluebeard’s Castle en Baumans Life in Fragments. Wanneer men kennisneemt van die geschriften en men daarbij tracht de portee van de ontwikkelde vertogen te vatten, dan moet men al snel vaststellen dat de aanklachten die men daarin kan onderkennen, op steviger en meer geëlaboreerde fundamenten rusten dan de weeklachten die enkele decennia voordien bon ton waren. Geen overdreven generalistische klachten krijgt men onder ogen, niet de vlot geformuleerde overtuiging dat ‘iedereen’ onherroepelijk verdoemd is, verwijzend naar het ongepreciseerde ‘geheel’ van de actuele maatschappelijke ontwikkelingen, leest men daarin, wel gedetailleerde observaties en genuanceerde 
— ofschoon vanuit hun scherpzinnigheid en urgentie-appel soms ook uitgesproken violente — reflecties.

Wellicht zijn er geen twee auteurs te vinden die met precies dezelfde begripsomschrijvingen en onderzoeksinteresses de taak aanvatten om te trachten een staat van cultuur, moraal
en samenleving op te maken, hetgeen bijgevolg leidt tot een erg brede waaier aan diagnoses en vooral ook diverse oordelen over welke fenomenen de meest markante en bedreigende mogen worden genoemd. Aan de orde worden onder meer gesteld: de verbrokkeling van sociale instituties, die erin resulteert dat mensen, als waren ze gebrekkige wezens, ondanks (of dankzij) hun goed ontwikkeld verstand tot in het absurde beginnen na te denken over (sociale) handelingen die voorheen evident waren; de opkomst van massa’s waarvan de individueleleden niet meer streven naar vervolmaking, maar genoegen nemen met middelmatigheid en Halbbildung, leidend tot een kwalijk puerilisme herkenbaar aan cynisch narcisme en een geringschatting van de eigen verstandelijke vermogens (daarin bevestigd en aangespoord door pers, politiek en kapitaal, die een collectieve
cultus van de domheid hebben ingesteld en handeldrijven in verdachtmakingen en ander commodificeerbaar amusement); de wijd en zijd om zich heen grijpende specialisatie en differentiatie die gepaard gaat met vervreemdende en ontmenselijkende processen van arbeidsdeling; de techniek die zich dankzij ongekende wetenschappelijke progressie sneller en op eigen houtje schijnt te ontwikkelen dan ’s mensen geest kan bijhouden; het opgeven van enig geloof aan waarheid en moraliteit; het gedachteloos — als een nieuwsoortig opiaat — aanvaarden van de ultieme uniformiteit, geproduceerd door zoiets onwerkelijks en feitelijk onbestaanbaars als een ‘cultuurindustrie’ en verhandeld onder de noemer ‘cultuurgoed’, begeleid door een even lachwekkend als gevaarlijk jargon waarin cultuur en consumptie met elkaar worden verbonden; en, niet in het minst, het ersatzlos verlies van de noties ‘zin’ en ‘betekenis’. 

Het komt er in deze studie op aan om de her en der, en op verschillende wijzen ontwikkelde gedachtelijnen samen te brengen en indien mogelijk te verenigen. Deze studie wil met
andere woorden een staalkaart (i.e. een bonte verzameling) aanbieden van hoe over het lot van de mens, zijn cultuur en samenleving kan worden nagedacht in de schaduwen van hun
vernietiging. Geen streng factuele en zuiver argumentatieve studie moet of kan dat worden, echter wel een waarin alle ruimte wordt geboden tot de retorische expositie van grondstemmingen en emoties die met het schouwen gepaard gaan. Reflecteren over het verlies van de humanistische moderne cultuur — gevat in de beeldspraak
van de dood van Eurydice — is immers van een geheel andere orde dan het bepalen van het aantal valentie-elektronen van een koolstofatoom. Zoals uit de omvattende prelude tot
deze studie, getiteld Het verstaan voorbij de methode, blijkt, zijn er, steunend op onder anderen Martin Heidegger, Hans-Georg Gadamer en Hans Ulrich Gumbrecht goede epistemologische en ontologische gronden te onderkennen, die staven waarom het verstaan van de cultuur en het samenleven in het communiceren ervan niet alleen steunt op een redelijke uitleg, maar tevens noodzakelijk appelleert aan de bevindelijkheid van de kritische beschouwer, die zich als stemming manifesteert. Uit de veelheid aan retorisch en sociologisch geschoolde stemmen worden er in deze studie slechts een drietal gekozen om nader en geconcentreerd te beluisteren. Gekozen worden ze uit een intellectuele gemeenschap die hiervoor al werd geëvoceerd en waarvan de hechtheid naarmate de lectuur vordert duidelijker zal blijken (en met het Goethe’sche adjectief symphronisch zal worden bedacht). Georg Simmel, Arnold Gehlen en Theodor Wiesengrund-Adorno behoren in ieder geval tot een kring van eminente denkers, die niet alleen ten volle hebben bijgedragen aan de maatschappij- en cultuurkritiek zoals die zich de voorbije honderd jaar ontwikkelde in het Duitse cultuurgebied, niet zelden wortelend in diepere (joodse en humanistische)
denktradities en geenszins de subjectfilosofie als bron (misschien zelfs als Urquelle) verloochenend. Sterker nog, zij mogen gelden als de belangrijkste aanstokers ervan, die
ook vandaag nog in het werk van de belangrijkste cultuurschouwers fungeren als inspiratiebronnen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de aangehaalde laat twintigste-eeuwse werken van Bauman en Steiner.

Aan elk van de genoemde ‘hoofdauteurs’ wordt in deze studie een apart hoofdstuk gewijd, waarin ook telkens meerdere mede- of tegenspelers worden opgevoerd, waarvan er telkens
een figuur een zo prominente plaats inneemt, dat hij mee wordt opgenomen in de ondertitel. In Tragedie van de cultuur wordt zodoende het proteïsche werk van Simmel verkend,
waarin zijn ambivalente attitude ten aanzien van de oorlogstoestand en de daarmee verbonden kansen op cultuur tot uitdrukking wordt gebracht, waarbij Cassirer fungeert als criticus, wiens bekommernissen uiteindelijk nochtans gelijkaardig zullen blijken; in Homo inermis wordt vervolgens met behulp van Kafka een toegang gezocht tot het tamelijk duistere 
mens- en cultuurbeeld van Gehlen, dat danst rond het centrale adjectief ‘gebrekkig’; en in (On)gelezen flessenpost worden tot slot de vreeswekkende berichten opgediept die Adorno en Horkheimer nalieten voor toekomstige lezers, de overlevenden die zich in alle ernst de vraag stellen of na Auschwitz alleen nog barbarij een kans maakt om zich glorieus te ontwikkelen.

Deze studie heeft evenwel weinig van doen met een ‘definitieve’ exegese van drie verschillende oeuvres. Theorieën worden hier niet noodzakelijk of steevast tot de laatste delen uit
elkaar gelegd, extensief geduid en teruggevoerd naar (on)mogelijke wijsgerige of historische origines. Sommige lezers zullen dat hoogst onaangenaam en tot irritatie toe onbevredigend ervaren, maar hier wordt iets wezenlijk anders beoogd. Hier wordt gepoogd om aan te knopen bij een hermeneutische traditie, die haar lot niet verbindt aan de bevreemdendste analyses, wel aan wat men (met een onbedoeld pedant klinkende omschrijving) une lecture bien faite zou kunnen noemen. Dat is geen lectuur waarbij primair
wordt getracht om andermans werk aan te wenden voor de heel eigen doelstellingen en besognes in het kader van bevreemdende analytische exploraties, wel een waarbij aandachtig
wordt geluisterd naar de over te brengen boodschap en gedachtewisselingen uitsluitend ‘bij de zaak’ plaatsvinden, in plaats van een vrijbrief te bieden voor eigengereide projecties allerhande, waarbij de meest efemere aspecten van een of meerdere studies worden opgevoerd als waren het kapitale kwesties. 

Luisteren betekent hier dat aan de geselecteerde geschriften een zekere autoriteit wordt verleend, de lezer-interpreet laat zich met andere woorden iets zeggen, hij levert zich over
aan een tekst en blijft daarbij „volledig open voor licht of dreiging van de boodschap.”v Niet passief, door een macht onderdrukt of quasi ongeïnteresseerd, laat hij de woorden op zich afkomen en al evenmin zonder plan of doel continueert hij die oefening, wel richt hij zich op het ervaren en het naderhand in zijn verslagen aanwezig stellen van de stemmingen die iedere beschouwing en redelijke uiteenzetting vergezellen. Dat lijkt eenvoudig, maar dat is het allerminst. Van de lezer van deze studie wordt daartoe zelfs geëist dat hij zich laat meeslepen in het vertoog, want alleen zo zal hij die stemmingen ten volle kunnen ervaren. Een noodzakelijke en voorafgaandelijke voorwaarde hiertoe is vanzelfsprekend
de mate waarin de auteur van deze studie erin is geslaagd een stilistisch meeslepend tekstueel geheel op te zetten en uit te schrijven — daar wil hij ook op worden afgerekend.

i JACOBSEN, J.P. (1876/2003), Mogens and other Stories, Holicong: Wildside Press, pp. 8-9; LEPENIES, W. (1969), Melancholie und Gesellschaft, Frankfurt am Main: Suhrkamp, p. 7
ii DONNE, J. (1996), The Complete English Poems, London: Penguin, p. 276 [An Anatomy of the World (1611), vers 213]
iii HUIZINGA, J. (1935/1950), ‘In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd’, 313-428 in Verzamelde werken VII, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink
& Zoon, p. 316 [actualisering spelling: M.B.]
iv HUIZINGA, 1935/1950, p. 315 [actualisering spelling: M.B.]
v STEINER, G. (1991), Heeft waarheid een toekomst?, Baarn: Ambo, p. 116


 



Inschrijven: voor 14 juni 2017 aan matthias.bunneghem@uantwerpen.be

Contact e-mail: matthias.bunneghem@uantwerpen.be

Url: http://www.uantwerpen.be/fsw