'(persoonlijk ben ik er niet voor)' Over de moeizame doorbraak van de moderne -ismen en het ontstaan van een activistische tegentraditie in Vlaanderen, 1906-1933

Date: 26 September 2017

Venue: Galerie De Zwarte Panter - Hoogstraat 70 - 2000 Antwerpen

Time: 3:30 PM - 6:00 PM

PhD candidate: Dennis van Mol

Principal investigator: Prof. dr. Kris Hubmbeeck

Short description: Doctoraatsverdediging Dennis van Mol - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Letterkunde



Abstract

‘(persoonlijk ben ik er niet voor)’.

Aldus verwoordde aan de vooravond van de Grote Oorlog de achttienjarige Paul van Ostaijen – zonder zich daar bewust van te zijn – de opmerkelijk gereserveerde houding van de Belgische kunstenaar en intellectueel tegenover futurisme, kubisme, expressionisme en andere moderne –ismen die toentertijd in tal van Europese naties uitdrukking gaven aan een verlangen naar radicale culturele vernieuwing.

Drie jaar later had Van Ostaijen het geschopt tot voortrekker van de ultramoderne tak van het activisme in Vlaanderen. Eind 1918 vluchtte de Vlaamse verkenner voor het Belgische gerecht naar Berlijn en gaf van langsom meer zijn geloof in de grote culturele revolutie op. Terug uit Berlijn beweerde hij door het leven te willen gaan als een halve of hele zondagsdichter, als een poëet die van grote maatschappelijke en politieke ambities gespeende gedichtjes schreef.

Dat bochtige parcours van zot Polleke vat het proefschrift van Dennis van Mol mooi samen.

Hij begint zijn doctoraat met de vooroorlogse Belgische aarzeling ten aanzien van de moderne –ismen in kaart te brengen. Tegen de achtergrond van de ontwikkeling van een internationale avantgarde toont hij aan dat het zelfbewuste België – een succesvolle natie in het hart van Europa – zich bleef vastklampen aan een geleidelijk moderniseringsproject.

Pas toen de Duitse oorlogsmachinerie anno 1914 het land binnenrolde, kreeg dat vaderlandse verlangen naar een elegante modernisering een lelijke deuk. De onbuigzame houding van de Belgische regering in Le Havre versterkte bovendien de prille Vlaamse radicalisering die zich bij enkele jonge Vlamingen al voor de oorlog had ingezet. In die revolutionaire ambiance konden internationalistisch georiënteerde jonge activisten zoals Paul van Ostaijen opeens wel iets met de radicale culturele vernieuwingsbewegingen die ze tot dusver mee hadden weggelachen. Maar nog voor de oorlog helemaal ten einde was, werd al duidelijk dat Van Ostaijen geen vat meer kreeg op de artistieke en ideologische wildgroei van de Vlaamse activismen.  

Short-lived.

Het adjectief waarmee Marjorie Perloff de geloofwaardigheid van het futuristische momentum typeerde, is even bruikbaar voor de Vlaamse cultuurhistoricus die uitspraken wil doen over de inhoudelijke slag- en daadkracht van het Vlaamse culturele activisme en het Vlaamse expressionisme. Het Verdrag van Versailles maakte niet alleen een einde aan de oorlog, maar ook aan de geloofwaardigheid van moderne –isten die droomden van radicale culturele en maatschappelijke omwentelingen. Vlaanderen ontsnapte niet aan die dynamiek van esthetisering en verburgerlijking. De naoorlogse jaren blonken weliswaar uit in papieren revoluties en leverden pareltjes van vorm en kleur op. Maar het revolutionaire vuur dat de tegenbewegingen van weleer begeesterd had, leek nu een brandje dat de heersende orde vakkundig had gedoofd en dat nog aangenaam smeulde.



Contact email: dennis.vanmol@uantwerpen.be

Url: https://nl-nl.facebook.com/dennis.vanmol.33