Woven into the urban fabric. Rural cloth manufacture and economic development in the Flemish West-Quarter (1300-1600)

Datum: 17 november 2017

Locatie: Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Nottebohmzaal - Hendrik Conscienceplein 4 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 - 17.30 uur

Promovendus: Jim van der Meulen

Promotor: Prof Tim Soens, Prof Peter Stabel

Korte beschrijving: PhD defence Jim van der Meulen - Faculty of Arts, Department of History



Abstract (in Dutch)

Verweven met het stadsleven. Rurale textielnijverheid en economische ontwikkeling

in het Vlaamse Westkwartier (1300-1600)
Textielproductie was een van de hoekstenen van de laatmiddeleeuwse economie van de Nederlanden en in het bijzonder van het graafschap Vlaanderen. Van de elfde tot de dertiende eeuw vestigde de lakenindustrie zich in de Vlaamse steden en onderging het graafschap een sterke urbanisatie. Maar vanaf de late dertiende eeuw keerde het tij voor de stedelijke industrieën, zowel vanwege externe verslechte marktomstandigheden als vanwege interne strijd tussen machtsgroepen binnen de steden. Deze spanningen werden verder op de spits gedreven door de opkomst van grootschalige productiecentra van textiel op het platteland, die de stedelijke industrieën naar de kroon staken.

Volgens de klassieke theorie van Henri Pirenne slaagde de rurale textielindustrie er in deze periode in om stedelijke concurrenten voorbij te streven vanwege het ontbreken van sterke regulering aan de ene kant en de aanwezigheid van goedkope arbeid aan de andere kant. Pirenne beschouwde deze rurale economische ontwikkeling als een stap in de richting van modern kapitalisme. Dit proefschrift beoogt het succes van de rurale textielnijverheid in de periode 1300-1600 te duiden en daarmee de vraag te beantwoorden in hoeverre de laatmiddeleeuwse plattelandsindustrie werkelijk ‘kapitalistisch’ was. Het onderzoeksgebied is het Vlaamse ‘Westkwartier’, grofweg de regio tussen de steden Ieper, Lille en Bailleul, een van de kerngebieden van rurale textielproductie tussen de veertiende en de zestiende eeuw.

Aan de ene kant was het succes van het Westkwartier inderdaad deels een gevolg van de beschikbaarheid van goedkope rurale arbeiders. De toenemende schaarsheid van landbouwgrond stimuleerde boerenfamilies vanaf de late dertiende eeuw om bij te klussen in industrie. Aan de andere kant bleek dat de belangrijkste textieldorpen een stap verder gingen en in feite stoelden op een waar proletariaat dat nauwelijks nog banden had met landbouw. Over het algemeen waren de rurale textielcentra niet onderhevig aan sterke regulering, maar Nieuwkerke, het grootste lakencentrum van het Westkwartier, kende juist wel een steeds strengere controle vanaf de late vijftiende eeuw en dit ging gepaard met de grootste industriële bloei die het dorp zou kennen.

De Nieuwkerkse lakenondernemers verenigden zich om zoveel mogelijk grip te houden op hun industrie, waardoor de belangen van het collectief boven die van het individu werden geplaatst. In die zin was het Westkwartier een paradijs voor ondernemers, maar waren de mogelijkheden voor zelfverrijking beperkt. Die begrenzing werd kracht bijgezet door de contemporaine ideologie van het ‘algemeen belang’ die haar oorsprong had in de stedelijke samenleving. De ondernemers van de regio hadden dan ook sterke banden met verschillende Nederlandse steden op commercieel, juridisch en familiaal gebied. In Nieuwkerke resulteerde dit in lokale stedelijke ambities voor het dorp op het economische, maar ook op het culturele en politieke vlak. Zodoende was het rurale Westkwartier sterk verweven met de stedelijke samenleving van de Lage Landen en vervaagden de grenzen tussen stad en platteland. Maar daarmee slaagden de rurale ondernemers er uiteindelijk niet in om de ideologie van het collectief voorbij te streven en als individualistische kapitalisten te opereren.



Contact e-mail: jim.vandermeulen@ugent.be

Url: https://www.uantwerpen.be/nl/personeel/jim-vandermeulen/