A Pleasant Plain. A Comparative Study of the Stylistic Aspects of the Late Fifteenth-Century Travel Account of Joos van Ghistele

Datum: 26 juni 2018

Locatie: Auditorium Felixarchief - Oude Leeuwenrui 29 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 - 17.30 uur

Organisatie / co-organisatie: Faculty of Arts

Promovendus: Alexia Lagast

Promotor: prof. dr. Frank Willaert & prof. dr. Veerle Fraeters

Korte beschrijving: PhD defence Alexia Lagast - Faculty of Arts



A Pleasant Plain. A Comparative Study of the Stylistic Aspects of the Late Fifteenth-Century Travel Account of Joos van Ghistele

Early modern travel narratives played an important role in the development of an empirical scientific discourse in the West, according to the Catalan historian Joan-Pau Rubiés. This dissertation aims to fill a gap in the ongoing conversation on early modern travel narratives, their common stylistic features, and the exceptionality of the travel account of the Flemish nobleman Joos van Ghistele, written by Ambrosius Zeebout. In order to impart knowledge to their readers, authors of travel accounts are thought to have turned to the same sort of descriptive techniques, yet studies dedicated to the formal characteristics of this genre have remained few and brief. The stylistic qualities of early modern travel accounts are supposed to have supported their claim to be reliable sources of information. Despite these presumed shared characteristics, and notwithstanding our limited knowledge of them, it has been suggested that the account of Joos van Ghistele’s four-year journey to the Holy Land, Egypt, and Persia, is exceptional. This study distils the formal aspects of this report and measures them against three prominent contemporary Western travelogues on the Near East: those of Anselm Adornes, Bernhard von Breydenbach, and Felix Fabri. It hereby aims not only to assess the alleged exceptionality of Zeebout’s account but also to extract the common features that connect early modern travel narratives and, in doing so, to contribute to the development of a typology by which we can define and measure their characteristics.

This study uncovers the stylistic commonalities in the corpus, and argues that Joos van Ghistele’s account is indeed unique, notably in its emotional detachment, its sober style, its unequalled critical and empirical stance, and its elaborate use of highly domestic comparisons. Additionally, it found that, contrary to previous claims by the German historian Wolfgang Neuber, the status of the traveller, or the personal authority of other contributors to the accounts was hardly used, but instead replaced by a characterisation of the travellers as keen and well-read observers. Whereas prior research ostensibly lacked in suitable terminology to characterize the discourse of travel accounts, this study makes use of the theory of the so-called discourse modes, enabling a more detailed qualification of each text through the comparative analysis of the modes’ distribution.Thus this study could verify that the use of the informative and argumentative mode in Zeebout’s account are unequalled in the comparative corpus, reflecting the report’s exceptional focus on neutral description of the observed and on critical source treatment. Further marking the account’s vanguard naturalistic character is its ample use of comparisons in the description of landscapes, cities, buildings, fauna, and flora. Finally, the report’s unequalled objectivity could be confirmed thanks to this study’s definition of the formal components constituting emotional detachment and literary soberness. A case study of expositions on the prophet Muhammad and the Semitic religions further confirms the exceptionally detached style of Zeebout’s account. In conclusion, this study has pinpointed several parameters for the distinction of early modern travel accounts’ stylistic features, which can be widely applied and further explored to determine both the common and unique aspects of early modern travel narratives.

 

In het huidige debat rond vroegmoderne reisverslagen wordt er van uit gegaan dat de schrijvers van vroegmoderne reisverslagen de door de reizigers verworven kennis voor hun lezers beschreven aan de hand van bepaalde technieken, die het beoogde imago van hun teksten als betrouwbare bronnen van informatie moesten ondersteunen. Technieken die in het onderzoek werden onderkend zijn het vermelden van de status van de reiziger, bronnenkritiek, en het gebruik van een droge stijl. Studies rond deze technieken zijn echter schaars en beperkt. Deze studie beoogt, voor het eerst, een diepgaand onderzoek naar de retorische en stilistische constructie van betrouwbaarheid in vroegmoderne reisverhalen. Als centrale casus is gekozen voor Tvoyage van Mher Joos van Ghistele (c. 1490). Het verslag van de vierjarige reis naar het Heilig Land, Egypte, en Perzië die de Gentse edelman Joos van Ghistele ondernam (1481–1485), wordt in het onderzoek geregeld genoemd als voorbeeld bij uitstek van ‘het betrouwbare vroegmoderne reisverhaal’. Het onderzoek behelst een analyse van de stilistische kenmerken van dit verslag, dat werd geschreven door ene Ambrosius Zeebout, en meet ze af tegen die van drie prominente contemporaine Westerse reisverslagen over het Nabije Oosten: die van Anselm Adornes, Bernhard von Breydenbach, en Felix Fabri. Hiermee beoogt ze niet enkel de vermeende uitzonderlijkheid van Zeebouts verslag te evalueren, maar ook dieper inzicht te verwerven in de gemeenschappelijke kenmerken van vroegmoderne reisverslagen, en bij te dragen tot de ontwikkeling van een typologie waarmee hun eigenschappen kunnen worden gedefinieerd en gemeten.

Deze studie brengt de stilistische overeenkomsten en verschillen in het corpus aan het licht, en stelt dat Zeebouts verslag inderdaad uniek te noemen is, met name in zijn emotionele onthechting, sobere stijl, ongeëvenaarde kritische en empirische houding, en uitgebreid gebruik van vergelijkingen met de streek van de reiziger. Bovendien betoogt ze dat, in tegenstelling tot vroegere opvattingen, de status van de reiziger, of de persoonlijke autoriteit van andere bijdragers aan de verslagen, amper werd gebruikt, en werd vervangen door de karakterisering van de reizigers als belezen en nauwkeurige waarnemers. In vroeger onderzoek heerste een gebrek aan een geschikte terminologie om het discours van reisverslagen te karakteriseren. Om dit probleem te verhelpen maakt deze studie gebruik van de theorie van de zogenaamde discourse modes, die een meer gedetailleerde typering van individuele teksten mogelijk maakt. Zo kon deze studie verifiëren dat het gebruik van de informatieve en de argumentatieve modus in Zeebouts verslag ongeëvenaard is in het vergelijkende corpus. Deze vaststelling bevestigt de uitzonderlijke focus van de tekst op de neutrale beschrijving van wat werd waargenomen, en op de kritische omgang met bronnen. De geavanceerde naturalistische aard van het verslag wordt verder aangetoond door het uitgebreide gebruik van vergelijkingen in de beschrijving van landschappen, steden, gebouwen, fauna, en flora. Tot slot bakent deze studie de formele componenten van emotionele onthechting en van literaire soberheid af, waardoor de uitzonderlijke objectiviteit van Zeebouts verslag kan worden aangetoond. Een case study over uiteenzettingen over de profeet Mohammed en de Semitische religies bevestigt andermaal de uitermate onthechte stijl van het verslag. Samenvattend preciseert deze studie verschillende parameters voor de karakterisering van de stilistische eigenheid van vroegmoderne reisverslagen. Deze typologie leent zich tot een brede toepassing voor de verdere bepaling van zowel de gemeenschappelijke als de unieke eigenschappen van dit genre.

 



Contact e-mail: alexia.lagast@icloud.com

Link: https://www.uantwerpen.be/nl/personeel/alexia-lagast/