De circulatie van technische kennis in het vroegmoderne Antwerpse ambachtswezen, 1500−1800

Date: 27 January 2014

Venue: UAntwerpen, F. de Tassizaal, Hof van Liere - Prinsstraat 13 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

Organization / co-organization: Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

PhD candidate: Raoul De Kerf

Principal investigator: Prof. dr. Bert De Munck

Short description: Doctoraatsverdediging Raoul De Kerf - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis



Abtsract

In dit doctoraat werd nagegaan hoe technische kennis tussen 1500 en 1800 circuleerde in twee sectoren waarin zich slechts weinig technische vernieuwingen hebben voorgedaan en in een stad die - in tegenstelling tot Parijs en Londen – op de lange termijn economisch achteruitging. De twee belangrijkste manieren waarop kennis in een wereld zonder technische scholen circuleerde, waren via de directe overdracht van meester op leerling en via de migraties van ambachtslieden, welke het onderwerp uitmaken van de eerste twee hoofdstukken. In het derde en vierde hoofdstuk komen vervolgens de al dan niet stimulerende rol van de ambachten zelf en van de lokale en centrale overheid aan bod.

In tegenstelling tot wat uit de oudere literatuur blijkt, waarin werd aangenomen dat meesters hun kennis vaak angstvallig geheim probeerden te houden en jongeren deze “met hun ogen moesten stelen”, bestonden er voor wat het leren op de werkvloer betreft twee opleidingscircuits. Van het officiële circuit maakten vooral de meer welvarende leerlingen gebruik, die in ruil voor een hoog bedrag intensief en snel werden opgeleid zonder al te vaak met huishoudelijke taken te worden belast. Minder welvarende jongeren die geen grote bedragen konden betalen, werden daarentegen wel als knecht in het huishouden ingeschakeld, waarnaast ze ook af en toe in het atelier mochten werken en veel trager en gradueler leerden. Naast de officiële leerlingen vormden zij een groep van leerknechten die zich soms niet eens als leerling lieten registreren. Wel kon het gebeuren dat armere leerlingen in ruil voor enkele jaren bijkomende gratis arbeid minder leergeld moesten betalen, terwijl rijkere leerlingen in ruil voor een hoog bedrag leertijd afkochten. Dit is toch wat in de bestaande literatuur wordt gesteld. In tegenstelling tot bij de goudslagers blijken dergelijke contracten bij de edelsmeden niet vaak, en na 1700 toen het beroep ‘gentrificeerde’, bijna nooit meer te zijn voorgekomen terwijl ook het officieuze leercircuit lijkt te zijn verdwenen. Bovendien waren een aantal van de langlopende leercontracten ook redelijk duur en waren de meeste van de korte overeenkomsten vrij goedkoop. De redenen voor de grote verschillen in prijs en leertijd hadden behalve met een mogelijk omgekeerd verband tussen prijs en leertijd ook te maken met factoren zoals het al dan niet inwonen van de leerling bij de meester, de geografische afkomst van de leerling, het bestaan van familiale banden of vriendschapsrelaties, het soort kennis dat werd aangeleerd (gespecialiseerd of algemeen), de faam van de meester, en de leeftijd en de graad van kennis waarover de leerling al dan niet beschikte. In die zin werden de meeste van de kortlopende contracten niet afgesloten met jongeren die leertijd wilden afkopen, maar met leerlingen of zelfs gezellen die zich nog een tijd verder wilden bekwamen. Blijkbaar was de leermarkt diverser dan uit de bestaande literatuur blijkt.

Daarnaast werd de geografische mobiliteit gestimuleerd door het bestaan van een systeem van wederzijdse bevrijding. Iedereen die officieel in een Brabantse stad door een meester was opgeleid, moest elders worden toegelaten tot het afleggen van de meesterproef. Tot in de late zeventiende eeuw werden ook steeds kandidaten toegelaten die buiten Brabant waren opgeleid. Nochtans heeft Antwerpen nooit dienst gedaan als het centrale leercentrum van de Zuidelijke Nederlanden, zoals bijvoorbeeld Parijs, Londen en Wenen dat  waren. In plaats van als leercentrum fungeerde de stad veeleer als arbeidsmarkt voor de omgeving, al verloor zij na 1700 veel van haar aantrekkingskracht op migranten. Dit was althans het geval in absolute aantallen. Relatief beschouwd, en dit ondanks pogingen door de ambachten om hun rangen voor bepaalde categorieën van inwijkelingen te sluiten, waren het in de loop van de achttiende eeuw juist de migranten die een toenemend aandeel van het aantal meesters begonnen te leveren. Terwijl echte kettingmigraties bij de edelsmeden tijdens de zeventiende eeuw niet meer voorkwamen, organiseerden vooral de migranten afkomstig van Brussel en ‘Wallonië’ na 1700 terug een hecht informatie- en migratienetwerk dat streekgenoten naar de stad trok. Gegeven de economisch nadelige situatie is het niet verwonderlijk dat de dekens van de edelsmeden kandidaat-meesters die buiten Brabant waren opgeleid, na 1700 het meesterschap begonnen te weigeren, en dat de kuipers de intredegelden voor meesters die buiten Antwerpen waren opgeleid verhoogden.

Toch waren de ambachten minder machtig dan vaak gedacht. Hoewel de nieuwe institutioneel-economische historici hebben benadrukt dat de ambachten in staat waren om het uitdoen van leercontracten af te dwingen en zo een positieve bijdrage aan de Europese kenniseconomie zouden hebben geleverd, laat een lezing van de empirische bronnen zulke veronderstellingen niet toe. Weliswaar hebben beide ambachten aanvankelijk een contractafdwingende rol beoogd, maar zeker vanaf de vroege zeventiende eeuw werd het duidelijk dat zij deze rol in de praktijk niet konden waarmaken. In plaats van tevergeefs leercontracten te proberen af te dwingen, trachtten zij een (meestal financieel) compromis tussen de beide partijen te bemiddelen. Tegen de late zeventiende – vroege achttiende eeuw blijken beide ambachten op dit terrein ook hun bemiddelende functie te hebben opgegeven, waarop meesters zich zijn gaan indekken door veel vaker de betaling van het grootste deel van het leergeld in het begin te eisen en door meer verbrekingsclausules in de contracten op te nemen. Nochtans wil dit niet zeggen dat de ambachten na 1700 geen actieve rol meer speelden.

Na een eerder chaotische tweede helft van de zeventiende eeuw, tijdens dewelke de dekens haast alle controle over hun leden hadden verloren, hebben beide ambachten getracht hun macht te herstellen door de officiële leertijd beter te gaan bewaken, dewelke zij als het fundament van het ambacht beschouwden. Vandaar dat de dekens zeker vanaf de late zeventiende eeuw nauwkeurig begonnen te registreren welke leerlingen hun meester hadden verlaten zonder diens toestemming, terwijl zware boetes werden voorzien voor dekens die nog meesters met een irregulier verleden bevrijdden. Dit werpt een ander licht op de weigering van de edelsmeden om nog langer buiten Brabant opgeleide kandidaten als meester te ontvangen. Afgezien van de economische crisis en de heersende werkloosheid tussen 1690 en 1750, waren veel ambachten buiten Brabant onvoldoende gesloten volgens de Antwerpse dekens, die tevens oudere immigranten van buiten Brabant begonnen te weigeren als leerling te registreren. Aldus trachtte een harde kern van autochtone Antwerpse meesters het meesterschap af te sluiten op een moment van economische crisis gecombineerd met toenemende concurrentie vanwege winkeliers, die steeds meer klein zilverwerk aanboden. In tegenstelling tot het expanderende Londen, waar grote meesters heuse productienetwerken organiseerden en vele kleine gespecialiseerde meesters voor hen lieten werken, lijkt de crisis zulk een éénduidige evolutie in Antwerpen te hebben gehinderd. Terwijl sommige meester-edelsmeden zich bleven toespitsen op de productie van traditioneel zilverwerk, besteedden anderen de productie van klein zilverwerk uit aan kleinere meesters, waren er daarnaast ook gemengde ateliers waarin zowel algemene als gespecialiseerde vaardigheden aanwezig waren, en richtte een deel van de sector zich op de productie van juwelen met kleine maar complex geslepen diamanten in, waarin Antwerpen nog steeds het verschil met de andere steden wist te maken. Door echter ‘Waalse’ kandidaten het meesterschap te weigeren, provoceerden de edelsmeden uiteindelijk een reactie vanwege de aan macht winnende centrale overheid, die deze migranten steeds meer dispensaties van leertijd begon toe te staan. Weliswaar had de regering aanvankelijk nog niet tot doel de ambachten te vernietigen, maar vanuit het perspectief van de ambachten zelf bekeken was dit wel wat er op het spel stond – aldus de dekens. Al vanaf de late Spaanse periode moeide de regering zich immers in privileges die slechts de ambachten en het stadsbestuur betroffen, en die door de centrale overheid waren gegarandeerd.



Contact email: raoul.dekerf@uantwerpen.be