Tussen 'ik' en 'wij'. Zelfrepresentatie in parlementaire vertogen (1840-1940)

Date: 16 January 2014

Venue: UAntwerpen, R-Annexe - Rodestraat 14 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

Organization / co-organization: Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

PhD candidate: Kaspar Beelen

Principal investigator: Prof. dr. Marnix Beyen

Short description: Doctoraatsverdediging Kasper Beelen - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis



Abstract

Het parlement is vaak verguisd als een "praatbarak" of een "stemmachine". Ook politieke historici vertoonden tot voor kort niet zoveel interesse voor wat er zich in deze institutie afspeelde. Aan de kerntaken van het parlement - het representeren via een deliberatief debat - hechtten zij maar weinig belang. Het parlementaire taalgebruik, zo poneerden zij, was eerder een mistgordijn dat verhinderde om de werkelijke machinaties van de macht te ontleden. Dit doctoraat plaatst het politieke taalgebruik terug centraal en het onderzoekt hoe via taal machtsposities worden onderhandeld, hoe volksvertegenwoordigers identiteiten "smeden" door hun vertogen heen, kortom: het bestudeert de rol en functie van zelfrepresentaties als onderdeel van de parlementaire retoriek.

In tegenstelling tot wat gangbaar is binnen de politieke geschiedenis, focust dit doctoraat niet op de gewichtige en ideologisch geladen begrippen, maar gaat de aandacht uit naar de "kleine woordjes", en hoofdzakelijk naar persoonlijke voornaamwoorden zoals "ik" en "wij". Niet zozeer de inhoud – dat “wat” politici zeggen – vormt het onderzoeksobject, als wel de stijl van hun optreden, hun gebruik van kleine maar hoogfrequente stijlwoordjes. Binnen de linguïstiek behoren “ik” en “wij” tot de "persoondeixis", daar ze de spreker verankeren in een interpersoonlijk netwerk. Deze woordjes zijn dus door en door sociaal, ze tonen hoe individuen de sociale wereld ordenen, welke rollen ze zichzelf toeschrijven en met welke groepen ze solidariteit signaleren. Juist omdat deze talige elementen zo vaak voorkomen, en vaak zelfs ontglippen aan de reflexieve controle van de spreker, bieden ze een interessante invalshoek om politieke vertogen te bestuderen over langere termijn.

De schriftelijke neerslag van parlementaire debatten werd verspreid via de Parlementaire Handelingen. Als sinds 1830 noteerde een legertje stenografen ijverig ieder woord dat in het Paleis der Natie weerklonk, wat over de jaren heen een massa aan bronnenmateriaal heeft opgeleverd. Voor de bestudeerde periode (1840-1940), bevatte het corpus zo’n 180 miljoen woorden. Om zo’n gigantische database te lijf te gaan, volstaan de klassieke “manuele” methoden niet langer, en daarom dat ik me in grote mate heb bediend van elektronische technieken, ontleend aan de opbloeiende “digital humanities”, om informatie uit het corpus te vergaren. In plaats van me louter toe te leggen op “close reading” van bronfragmenten, analyseerde ik ook via “distant reading” hoe vormen van zelfrepresentatie evolueerden in tijden van democratisering.

De klemtoon ligt op de ontwikkelingen vanaf 1840 tot voor de Tweede Wereldoorlog. In deze periode ondergingen de parlementaire instituties een metamorfose. Bij de oprichting van de Belgische staat, besloot het Nationaal Congres enkel het stemrecht te verlenen aan een kleine groep van de welgestelden. De politiek werd beheerst door onafhankelijke notabelen. Gaandeweg in de negentiende eeuw, weerklonk de eis om het stemrecht uit te breiden steeds luider. Deze uitbreiding van de burgerlijke democratie ging gepaard met een grotere rol van politieke partijen en leidde tot een andere politieke stijl. De centrale vraag in dit doctoraat is bijgevolg hoe binnen deze context – de overgang van notabelenpolitiek naar massademocratie – de zelfrepresentaties van de Kamerleden evolueerden en in welke mate de dagelijkse parlementaire arbeid – het spreken zelf -  structureel van gedaante veranderende over de periode van ongeveer een eeuw.

Het eerste gedeelte bestudeert aan de hand van de eerste persoon meervoud de verschuivende representaties van de Belgische natie in parlementaire vertogen. Naties en subnaties geven niet zozeer uitdrukking aan bestaande etnoculturele verschillen, maar ontstaan in een, voor een groot deel, discursief proces, dat wordt voortgestuwd door de aspiraties van politieke elites. Wat er zich in halfrond voltrekt – het hart van de nationale vertegenwoordiging – speelt daarom een uitermate belangrijke rol in de productie en reproductie van identificaties. Ik probeer via een analyse van de nationale “wij” aan te tonen dat de democratisering van het Belgische politieke bestel, in zekere zin de kiemen van de latere opsplitsing in zich droeg.

Door het gebruik van het bezittelijke voornaamwoord “ons” op te vatten als een vertrekpunt om verschuivende zelfrepresentaties te analyseren, beargumenteer ik dat voor de parlementsleden de Belgische eigenheid vooral lag in het wettelijke kader, zoals “notre législation”, “nos lois”, “nos institutions” “nos libertés” en “notre Constitution”. Deze discursieve motieven pasten binnen de politieke cultuur van de notabelenpolitiek, waarin Kamerleden zich niet zozeer opstelden als spreekbuis van een bepaalde groep, maar als behorend tot het “wettelijke land” (het parlement en het wettelijke kader).

Democratisering gaf aanleiding tot andere vormen van identificatie, maar ondanks deze toenemende vereenzelviging met het “werkelijke land”, ontbraken categorieën, als “ons vaderland” en “ons volk” zo goed als volledig in het taalgebruik van Belgische volksvertegenwoordigers, terwijl in het Nederlandse parlementaire vertoog deze uitdrukkingen wel met grote regelmaat opdoken. “Ons volk”, de hoeksteen van de democratie, groeide al aan het einde van negentiende eeuw uit tot een eerder problematisch punt van identificatie. Voor zover deze categorie verscheen, kreeg ze geen staatsnationale als wel een subnationale invulling die verwees naar het “Vlaamse volk”. Hoewel de Grondwet het principe van volkssoevereiniteit proclameerde was het Belgische volk grotendeels afwezig in de nationale “wij” van de parlementaire gemeenschap, een leemte die pijnlijke duidelijk werd met de uitbreiding van democratie.

Het tweede deel van het doctoraat gaat na in hoeverre de teloorgang van de notabelenpolitiek en de opgang van partijen gepaard ging met een transitie van een “ik”-gecentreerde naar een “wij”-gecentreerde, parlementaire cultuur. Ik trachtte veranderingen bloot te leggen in de lexicale patronen, combinaties met persoonlijke voornaamwoorden, die alomtegenwoordig zijn in het deliberatieve parlementaire spreken. In die zin was het de bedoeling om door te stoten tot de kern van het deliberatieve spreken zelf, door de metadiscursieve elementen als “je crois” of “nous voyons” onder de loep te nemen. Het is juist in het gebruik van deze uitdrukkingen dat de spreker zich manifesteert in zijn/haar vertoog en dat hij/zij de relatie tot zijn/haar publiek signaleert.

Tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog domineerde het “ik” als actor in de parlementaire redevoeringen. Hoewel zowel in 1893 (algemeen meervoudig mannenstemrecht), als in 1919 (algemeen enkelvoudig mannenstemrecht) de eerste persoon meervoud een sprong omhoog nam, bleef het “ik” prominent aanwezig in de parlementaire vertogen. De voornaamste tendens vormde de neergang van het cognitieve “ik” en het waren vooral deliberatieve expressies zoals “je crois” die een terugval kenden door de negentiende eeuw heen. Over het algemeen kenden combinaties die de spelingsruimte van de spreker inperkten, waaronder “je sais” en “je veux”, een opwaartse evolutie, terwijl expressies die de subjectieve betrokkenheid op een voorzichtigere wijze uitdrukten (“je vois”, “je crois”) daalden. Het “ik” ging dus niet op in een exclusieve “wij”, wel vervulde het minder een deliberatieve rol.

Deze bevindingen nuanceren de invloed van “Parteiendemokratie” op de zelfrepresentaties van de volksvertegenwoordigers. De “wij” won aan terrein, zowel in 1893 als 1919, maar deze evolutie leidde niet tot de ondergang van het “ik”. Hoewel de ruimte voor onderhandeling versmalde en collectieve patronen van identificatie toenamen, domineerde ook na de invoering van het algemeen mannenstemrecht het politieke “ego” het parlementaire spreken.

In “Le Parlement de l’éloquence” merkte Nicolas Rousselier op: “La rumeur contre l’impuissance bavarde des parlements court depuis au moins un siècle”. De opgang van partijen, zo luidt de kritiek, zou het parlement hebben omgevormd tot een stemmachine, waarbij het spreken slecht een ceremoniële rol speelde. Voor Frankrijk beargumenteerde Rousselier dat ook na 1918 welsprekendheid en parlementaire deliberatie een belangrijke rol speelden in de politieke besluitvorming.  Gedeeltelijk lijken mijn conclusies dezelfde richting uit wijzen. Identificatiepatronen evolueerden natuurlijk, maar ook in tijden van democratisering, bleef het parlementarisme tot op zekere hoogte doorleven en bleef het debat voor een groot deel een discussie tussen individuele volksvertegenwoordigers.

 



Contact email: kaspar.beelen@uantwerpen.be