Experiment, Time and Theory: On the Scientific Exploration of the Unobservable

Date: 24 May 2019

Venue: Stadscampus - Hof Van Liere - W. Elsschotzaal - Prinsstraat 13 - 2000 Antwerpen (route: UAntwerpen, Stadscampus)

Time: 3:00 PM - 5:00 PM

PhD candidate: Jan Potters

Principal investigator: Bert Leuridan

Short description: Doctoraatsverdediging Jan Potters - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte



Abstract

Deze verhandeling betreft een onderzoek naar het epistemologische statuut van experimentele resultaten: hoe kunnen we de informatie die experimenten ons opleveren karakteriseren? Meer specifiek wordt er onderzocht of we kunnen stellen dat een experiment op zich tot feitelijke kennis kan leiden. De motivatie voor deze onderzoeksvraag komt voort uit het wetenschappelijk realisme-debat, dat de vraag betreft of we kunnen stellen dat een succesvolle wetenschappelijke theorie ons kennis oplevert over wat er zich afspeelt voorbij het observeerbare. Vanwege problemen met standaard wetenschappelijk realisme stelden Nancy Cartwright en Ian Hacking voor dat kennis over het onobserveerbare niet moet worden gezocht in wetenschappelijke theorie, maar eerder in succesvolle wetenschappelijke experimenten. Deze suggestie blijkt echter op haar beurt onderhevig aan problemen, wat leidt tot de onderzoeksvraag van deze verhandeling.

Deze onderzoeksvraag wordt dan onderzocht aan de hand van een historisch-filosofische studie van twee reeksen van experimenten: experimenten betreffende de snelheidsafhankelijkheid van de massa van elektronen en experimenten betreffende de magnetische toestand van supergeleiders. Het vertrekpunt in beide reeksen is een experiment waarvan gedurende een bepaalde periode gedacht werd dat het specifieke kennis opleverde, maar waarvan het naderhand bleek dat deze kennis toch niet zo zeker was. Het bestuderen van zulke experimenten kan inzicht bieden in de onderzoeksvraag in die zin dat het toelaat om te onderzoeken welke factoren een rol speelden in de overtuiging dat deze experimenten specifieke kennis opleverden, en hoe deze overtuiging doorheen de tijd veranderde.

Op basis van deze twee hoofdstukken wordt er dan beargumenteerd dat experimenten enkel informatie kunnen opleveren gegeven een theoretische interpretatie van het functioneren van het experiment, en dat deze informatie niet gezien mag worden als feitelijke kennis, maar eerder als kennis over de plausibiliteit van de theorie ten opzichte van andere theoretische interpretaties. Op basis hiervan wordt er dan een filosofisch kader uitgewerkt, een epistemologie van de exploratie, betreffende hoe deze plausibiliteit historisch-filosofisch begrepen moet worden. Meer specifiek wordt er beargumenteerd dat deze informatie over de plausibiliteit van een theoretische interpretatie kan veranderen doorheen de tijd, als een gevolg van de ontwikkeling van nieuwe experimenten en nieuwe theorieën, en dat dit er toe kan leiden dat eerdere experimentele resultaten anders geïnterpreteerd worden. Op basis van de hier ontwikkelde epistemologie van de exploratie wordt er dan beargumenteerd dat wat telt als een wetenschappelijk succes historisch variabel is, en bepaald wordt door wat gezien wordt als eerdere succesvolle theorieën en experimenten.



Link: https://www.uantwerpen.be/letteren-en-wijsbeerte