Pro Arte! Cui Bono? De explosie van kunstvertogen en de constructie van artistieke expertise in laatnegentiende-eeuws Brussel (1860-1914)

Date: 26 June 2019

Venue: Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience - Nottebohmzaal - Hendrik Conscienceplein 4 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

Principal investigator: Ilja Van Damme

Short description: Doctoraatsverdediging Katrien Dierckx - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis



Abstract

Dit proefschrift brengt de explosie van kunstvertogen in laatnegentiende-eeuws Brussel voor het eerst grondig in kaart en gaat via een genealogische benadering op zoek naar de verklaringen voor deze merkwaardige boom.

Het lopende onderzoek over fin de siècle Brussel gaat immers vooralsnog voorbij aan het feit dat er in de Belgische hoofdstad tussen 1860 en 1914 niet minder dan 103 tijdschriften over kunst het licht zagen, en dat deze concentratie van gespecialiseerde bladen gepaard ging met een massale verslaggeving over kunst in dagbladen. Dit voorlopige gebrek aan aandacht voor de veelheid aan en de enorme diversiteit van kunstvertogen laat zich in grote mate verklaren door de in de historiografie nog steeds preponderante gerichtheid op één stem, met name die van het avant-gardistische kunstblad L’Art Moderne. Deze focus op L’Art Moderne werkte decennialang de canonisering van moderne kunst in de hand en ging vaak gepaard met een eng-formalistische benadering.

Ter nuancering en revisie van een onderzoek waarin de stem van L’Art Moderne al te zeer werd versterkt, stelt dit proefschrift de alomtegenwoordige bedrijvigheid van kennisproductie over kunst in laatnegentiende-eeuws Brussel centraal. De interpretatie van de boom van Brusselse kunstvertogen gebeurt door de lens van het concept Deutungsmacht, een clusterbegrip waarin de bekende machtstheorieën van Michel Foucault, Niklas Luhmann en Pierre Bourdieu zitten vervat.

Doorheen vijf hoofdstukken correleert dit proefschrift de aanwas van het veelstemmige kunstdiscours meer bepaald met het machtsvacuüm dat vanaf de jaren 1860 in de Brusselse kunstwereld ontstond door liberaliserings- en privatiseringstendensen en een gereduceerde rol voor overheidsinstellingen. In een verschralend institutioneel klimaat kreeg een veelheid aan private spelers immers vrij spel en eisten zij elk afzonderlijk de bevoegdheid op om gegronde, gezaghebbende en bindende uitspraken te doen over de aard en de kwaliteit van kunst. Het woekerende, jachtige discours waartoe deze Deutungskampfter vergaring van de gegeerde Deutungsmachtaanleiding gaf, verstilde opnieuw rond de eeuwwisseling door een herinstitutionalisering. De officiële geboorte van de kunsthistorische discipline aan de universiteit van Luik in 1903 zorgde er meer bepaald voor dat formeel opgeleide, in verwetenschappelijkte musea tewerkgestelde specialisten het kunstestablishment gingen bemannen en de nieuwe gatekeepers werden. 



Link: https://www.uantwerpen.be/nl/overuantwerpen/faculteiten/faculteit-letteren-en-wijsbegeerte/onderzoek-en-valorisatie/departementen/departement-geschiedenis/