Acoustic Features of Speech by Young Cochlear Implant Users

Date: 14 February 2014

Venue: UAntwerpen, Stadscampus, Promotiezaal Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Time: 3:00 PM

Organization / co-organization: Departement Taalkunde

PhD candidate: Oydis Hide

Principal investigator: Prof. dr. Steven Gillis en prof. dr. Jo Verhoeven

Short description: Doctoraatsverdediging Oydis Hide - Departement Taalkunde - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte



Abstract

'Toch nog problemen met een cochleair implantaat op lagere schoolleeftijd'

Een goed functionerend gehoor van bij de geboorte is niet alleen belangrijk voor de perceptie van allerlei geluiden uit de omgeving, maar is ook van cruciaal belang voor de spraak- en taalontwikkeling van jonge kinderen. Een beperkte auditieve stimulering kan leiden tot een achterstand van de taalontwikkeling, een achterstand die soms niet meer in te halen valt. Baby’s die geboren worden met een gehoorsbeperking kunnen tegenwoordig al van in het eerste levensjaar geholpen worden met een hoorapparaat of -- in bepaalde gevallen -- met een cochleair implantaat. Studies hebben aangetoond dat dove kinderen die in het eerste levensjaar een cochleair implantaat hebben gekregen, een taal- en spraakniveau bereiken dat vergelijkbaar is met dat van normaalhorende kinderen. Er zijn echter ook indicaties dat bepaalde aspecten van de spraak zich minder optimaal ontwikkelen. Het onderzoek gerapporteerd in deze dissertatie spitst zich toe op zo een aspect, nl. de prosodie van de spraak.

Taalkundigen definiëren prosodie als de suprasegmentele aspecten van de spraak. Anders uitgedrukt: in prosodisch onderzoek worden fenomenen bestudeerd zoals klemtoon, toonhoogte en duur. De vraag die in deze dissertatie aan bod kwam: zijn de prosodische aspecten van de spraak van jong geïmplanteerde kinderen vergelijkbaar met die van normaal horende kinderen?

Als we de eerste “volwassen” klinkende spraak van peuters analyseren, m.n. de prelexicale brabbels (bvb. [baba]) die rond de leeftijd van 7 maanden verschijnen in normaal horende kinderen, dan blijkt dat kinderen met een implantaat veel minder toonhoogtevariaties produceren. Met andere woorden, kinderen met een implantaat spreken een brabbelsequentie als [baba] monotoner uit dan kinderen met normaal gehoor.

Deze vaststelling leidde tot de vraag of de opmerkelijk afwijkende prosodie van de spraak tijdens de brabbelperiode ook nog terug te vinden is in de spraak van diezelfde kinderen op de leeftijd van zes of zeven jaar? Om op deze vraag een antwoord te vinden werd de klemtoonproductie in lexicale spraak onderzocht. Drie groepen kinderen namen deel aan de studie: elf kinderen met cochleair implantaat, tien kinderen met hoorapparaat en een controlegroep van 90 normaalhorende kinderen. De kinderen moesten ”woorden” imiteren, zoals ’lolo’ en ’lele’, die enkel verschilden in welke syllabe beklemtoond was: trochaïsche (beklemtoond-onbeklemtoond) en jambische (onbeklemtoond-beklemtoond) imitaties werden onderzocht.

De resultaten zijn opmerkelijk: kinderen met een cochleair implantaat imiteerden het klemtoonpatroon vaker fout dan normaal horende kinderen. Kinderen met een conventioneel hoorapparaat haalden een score die tussen de twee andere groepen in lag. In een akoestische analyse werden verschillen vastgesteld tussen de groepen kinderen voor wat betreft de duur en de toonhoogte, maar niet met betrekking tot de intensiteit (luidheid). Meer specifiek voor toonhoogte vertoonde de spraak van kinderen met een cochleair implantaat een aantal afwijkende patronen: hun toonhoogteverhoging was beperkter en de duur van de toonhoogteverhoging was korter dan bij normaalhorende kinderen alsmede kinderen met hoorapparaat. Kinderen met een conventioneel hoorapparaat vertoonden over het algemeen toonhoogtevariaties in lijn met normaalhorende kinderen.

Dus bepaalde aspecten van de spraak van kinderen met een cochleair implantaat die al afweken in hun spraak tijdens het eerste evensjaar bleken nog altijd voor afwijkende waarden te zorgen op lagere schoolleefijd. De meest voor de hand liggende hypothese voor dit fenomeen is dat die kinderen het verschil tussen twee klemtoonpatronen minder goed waarnemen.

De perceptie van woordklemtoon werd onderzocht in dezelfde drie groepen van kinderen. De resultaten maken duidelijk dat kinderen met een cochleair implantaat en kinderen met een conventioneel hoorapparaat klemtoonpatronen minder accuraat waarnemen en meer tijd nodig hebben om een klemtoonpatroon te identificeren dan normaalhorende kinderen. Kinderen met een conventioneel hoorapparaat deden het toch nog beduidend beter dan gebruikers van een cochleair implantaat zowel voor wat betreft de identificatie als de reactietijd. Deze resultaten geven aan dat de noodzakelijke akoestische informatie voor het identificeren van woordklemtoon beter beschikbaar is voor kinderen met hoorapparaat dan voor kinderen met cochleair implantaat.

Frequentie (o.a. toonhoogte) blijkt dus nog een probleem te zijn in de perceptie van kinderen met een cochleair implantaat, een probleem dat zich vervolgens vertaalt in de spraakproductie. Frequentie en frequentieverschillen zijn nu ook van cruciaal belang in het kunnen onderscheiden van verschillende vocalen en het zelf produceren van verschillende vocalen. Om de vocaalproductie in kaart te brengen werden weer dezelfde drie groepen van kinderen getest in een imitatietaak. De opdracht was eenvoudig: de 7-jarigen moesten ”woorden” zoals ”paat” en ”puut” imiteren. Alle vocalen van het Nederlands werden getest. Vervolgens werd de accuraatheid van de imitaties geregistreerd en werden de vocalen akoestisch geanalyseerd. De normaalhorende kinderen bleken significant accurater te imiteren dan de kinderen met een cochleair implantaat en de kinderen met een hoorapparaat.

De akoestische analyse van de vocalen toonde dat de klinkerduur in de drie groepen 7-jarigen niet significante verschilde, wat betekent dat zowel kinderen met cochleair implantaat als kinderen met hoorapparaat klinkers produceren die gemiddeld even lang zijn als die van normaal horende kinderen. Maar een akoestische analyse van de kwaliteit bracht belangrijke verschillen aan het licht. De vocaalruimtes van zowel kinderen met cochleair implantaat als kinderen met hoorapparaat waren significant kleiner dan die van normaalhorende kinderen. Dat betekent dat de vocalen van de kinderen met een gehoorprobleem veel meer gecentraliseerd zijn dan bij de normaal horende controlegroep. Dat betekent bovendien dat de vocalen in de spraak van kinderen met een cochleair implantaat minder goed onderscheiden zijn dan die in de spraak van een normaal horend kind.

Besluit: de wetenschappelijke literatuur over de taal- en spraakontwikkeling van dove kinderen met een cochleair implantaat geeft aan dat zij op relatief korte tijd een opmerkelijke vooruitgang maken, en voor sommige maten niet te onderscheiden zijn van normaal horende kinderen. Het onderzoek dat in dit proefschrift gerapporteerd wordt, toont aan dat prosodische aspecten van de spraak van kinderen met een implantaat afwijkende waarden laten opmeten in vergelijking met die van normaal horende kinderen. 



Contact email: oydis.hide@uantwerpen.be