Fysiek interpersoonlijk geweld. Een onderzoek naar de accuraatheid en coherentie van de strafrechtelijke kwalificaties en instrumenten aangewend als reactie op fysiek interpersoonlijk geweld

Date: 13 March 2014

Venue: Promotiezaal Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Time: 5:00 PM

Organization / co-organization: Faculteit Rechten

PhD candidate: Jeroen De Herdt

Principal investigator: Prof. dr. J. Rozie

Short description: Doctoraatsverdediging Jeroen De Herdt - Faculteit Rechten

Voldoet het huidige strafrecht om de geweldscriminaliteit te bestraffen?

Dat is de centrale vraag van het proefschrift met de titel “Fysiek interpersoonlijk geweld. Een onderzoek naar de accuraatheid en coherentie van de strafrechtelijke kwalificaties en instrumenten aangewend als reactie op fysiek interpersoonlijk geweld”.

De afgelopen jaren werd de samenleving regelmatig opgeschrikt door feiten van fysiek geweld. In een aantal gevallen, zoals bv. het dodelijk homofoob geweld in Luik in april 2012 of het geweld tegen treinbegeleiders, leidde dit tot een uitgebreid maatschappelijk debat. Hetzelfde geldt voor feiten gepleegd in een familiale context, tegen bijzonder kwetsbare personen zoals kinderen of in het kader van de wettige verdediging. Het politieke antwoord op dergelijk debat bestond vaak uit een wijziging van het strafrecht. In deze context spreekt men vaak van “steekvlamwetgeving”: men wil vooral snel een antwoord bieden op de publieke verontwaardiging, waardoor de aandacht voor de kwaliteit van de wetgeving en de coherentie van het gehele wettelijk kader naar de achtergrond kan verdwijnen. Het gevolg daarvan is dat men vandaag feiten van slagen en verwondingen op ongeveer 160 verschillende manieren kan kwalificeren.

In het proefschrift werd daarom het geheel van de wetgeving die een reactie inhoudt op gepleegde feiten van fysiek interpersoonlijk geweld tegen het licht gehouden en afgetoetst op zijn accuraatheid en coherentie.

Richtsnoeren voor hervorming van het strafrecht

Uit het proefschrift blijkt dat door de verschillende wetswijzigingen de coherentie van het wettelijk kader in belangrijke mate verloren is gegaan. Zo is het toepassingsbereik van bepaalde strafverzwaringen beperkt tot bepaalde groepen of omstandigheden, terwijl dit niet verantwoord wordt door de overwegingen die aan de basis ervan liggen. Ook de mate waarin de straf wordt verhoogd wanneer aan een bepaalde voorwaarde is voldaan, is allesbehalve consequent uitgewerkt. Zo kan bv. het discriminatoir oogmerk van de dader in bepaalde gevallen zorgen voor een aanzienlijke verhoging van de maximumstraf, terwijl in andere gevallen slechts de minimumstraf wordt verhoogd (een verhoging die onmiddellijk weer ongedaan kan worden gemaakt door de aanname van verzachtende omstandigheden). Er zijn zelfs gevallen waarbij de wetgever de doelstelling had om bepaalde feiten strenger te bestraffen, terwijl het uiteindelijke resultaat een lichtere straf is.

Ook op terminologisch vlak zijn er problemen. Hetzelfde begrip kan een heel andere betekenis krijgen afhankelijk van de bepaling waarin het voorkomt, hoewel het in dezelfde context wordt gebruikt. Ook het tegenovergestelde is waar: verschillende begrippen dienen soms om hetzelfde feit aan te tonen.

Een ander probleem dat werd vastgesteld is dat de concrete schuld van de dader aan de feiten zoals die zich hebben voorgedaan vaak ondergesneeuwd worden door andere zaken zoals de verontwaardiging over de ernst van de feiten, de gevolgen voor het slachtoffer,… Uiteraard zijn dit allemaal elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de feiten, maar de schuld van de dader is essentieel om de verantwoordelijkheid van de dader, de verwerpelijkheid van zijn gedrag en zijn sociale gevaarlijkheid te beoordelen. In het proefschrift werden daarom een aantal elementen aangehaald die de schuld van de dader terug centraal moeten stellen in de strafrechtelijke beoordeling van de feiten.

Om aan het gebrek aan accuraatheid en coherentie te verhelpen, werden in het proefschrift tal van voorstellen geformuleerd om de wetgeving of rechtspraak aan te passen. Daarnaast wordt voorgesteld om de strafrechtelijke wetgeving grondiger te herdenken en komaf te maken met de opstapeling aan nieuwe strafrechtelijke kwalificaties. Cruciaal daarbij is dat men terug het nodige vertrouwen geeft aan de strafrechter. Hij is immers het best geplaatst om binnen de wettelijke grenzen rekening te houden met alle elementen die relevant zijn voor de bestraffing van de feiten.

Besluit

De bescherming van het leven, de fysieke integriteit en de persoonlijke vrijheid is ongetwijfeld een van de belangrijkste opdrachten van het strafrecht. De accuraatheid en coherentie van de bepalingen die feiten van fysiek interpersoonlijk geweld strafbaar stellen en de normen die bijkomende instrumenten bieden aan de burger om op dergelijke feiten te reageren, zou dan ook een blijvend punt van aandacht moeten zijn voor de wetgever en iedereen actief binnen Justitie. Doorheen het proefschrift werd vastgesteld dat dit te weinig het geval is. Er wordt wel veel aandacht besteed aan deze problematiek, doch deze resulteert voornamelijk in het blijven toevoegen van strafrechtelijke kwalificaties en instrumenten aan het bestaande wettelijke kader. Met elk wetgevend initiatief wordt een nieuwe verdieping toegevoegd aan een toren van wetgeving, zonder daarbij echter aandacht te hebben voor de stevigheid van de fundamenten en de noodzakelijke onderhoudswerken aan de onderliggende verdiepingen. Deze manier van werken leidt al te vaak tot Babylonische spraakverwarring: de terminologie is verouderd of wordt niet consequent gebruikt, de formulering van nieuwe bepalingen is gebrekkig en staat soms zelfs de realisatie van de beoogde doelstellingen in de weg, men hanteert geen consequente criteria en verliest vaak het ruimere kader uit het oog.

Een hertekening van het strafrechtelijk kader dringt zich dan ook op.