"Verminder aantal proftennissers en organiseer minder tornooien"

Datum: 12 juli 2017

Inleiding: Onderzoekers Matteo Balliauw en Thomas Verlinden (TEW) doen samen met Tomas Van den Spiegelm (Sporthouse Group) voorstellen om het verdienmodel in het tennis te hervormen.

Roland Garros is achter de rug, Wimbledon zit in de eindfase. Tijdens die grand slams gaat er veel aandacht naar het prijzengeld, maar die astronomische bedragen verdoezelen de financiële problemen waar veel professionele tennissers mee worstelen. Onderzoekers van UAntwerpen doen samen met Tomas Van Den Spiegel (Sporthouse Group) enkele voorstellen om die ontwrichting tegen te gaan.

De eindoverwinning op Wimbledon levert zowel bij de mannen als bij de vrouwen maar liefst 2,5 miljoen euro op, verlies in de finale bijna de helft. Een verlies in de eerste ronde levert toch ook al een mooie 34 000 euro op.

Toch is het al langer een publiek geheim dat het verdienmodel in het tennis heel erg ontwricht is. Het is namelijk, in tegenstelling tot bijvoorbeeld voetbal met zijn vaste salarissen, gebaseerd op prijzengeld, starting fees en sponsorships. “Voor de starting fees en de echt lucratieve sponsorships komen enkel de absolute toppers in aanmerking”, leggen Matteo Balliauw en Thomas Verlinden (UAntwerpen) uit. Beide onderzoekers verdiepten zich met student Jani Van Hecke in de thematiek.

“Daarnaast wordt het prijzengeld ook heel verticaal verdeeld. De nr. 1 van de wereld verdient al tien keer meer dan de nr. 32, en 96% van alle beschikbaar prijzengeld wordt verdeeld onder de beste 10% professionele spelers.”

Talent gaat verloren

Gevolg? Slechts de beste 250 spelers van de wereld bij dames en heren slagen erin om alle kosten die samen gaan met een professionele tenniscarrière ook effectief te dekken. Die kosten zijn dan ook niet min: reizen, coaching, medische verzorging, materiaal,…

"Als je je als beloftevolle speler tussen nr. 250 en 500 op de ranking bevindt, verdien je vijfmaal minder dan je collega die tussen de plaatsen 100 en 250 zweeft”, weet Tomas Van Den Spiegel (Sporthouse Group). “Je moet al bij de beste 250 geraken om alle investeringen die je hebt gedaan om daar te raken, te kunnen recupereren. Voor de anderen is het rekenen op de steun van een tennisfederatie of een andere vorm van financiering, heel vaak de ouders. Dit kan helaas niks anders betekenen dan dat veel talent verloren gaat.”

De oorzaken hiervan, naast de reeds aangehaalde overmatige verticale verdeling van het prijzengeld, zijn velerlei. De fanbasis van tennis is heel breed maar niet diep, wat betekent dat de vele fans bijna uitsluitend interesse hebben in de toppers. Lagere niveaus genereren dus relatief te weinig financiële middelen, zeker als je weet dat er bijna 1000 professionele tennistornooien worden georganiseerd op jaarbasis (4 grand slams, 62 ATP-tornooien, 742 ITF-tornooien en 162 Challengers) bij de mannen en een kleine 700 (4 grand  slams, 60 WTA en 614 ITF) bij de vrouwen.

Prooi voor matchfixers

Van Den Spiegel: “In al deze tornooien kunnen ook punten worden verdiend voor de ATP- of WTA-ranking, wat ertoe leidt dat heel wat spelers en speelsters ambities blijven koesteren, zelfs wanneer ze feitelijk het niveau niet aankunnen, en zo hoge sommen blijven investeren in een eerder kansloze carrière. Hierdoor zijn er op vandaag om en bij de 9000 mannelijke en 5000 vrouwelijke professionele tennisspelers. Het mag dan ook geen wonder heten dat de verdeling van het totale prijzengeld als enige inkomstenbron voor het merendeel van deze spelers niet voldoet en sommigen van deze feitelijke semi-pro's potentiële prooien zijn voor matchfixers.”

De Antwerpse onderzoekers zien enkele mogelijke oplossingen. Balliauw en Verlinden: “Het is duidelijk dat zowel het aantal kleinere tornooien als het aantal professionele spelers moet worden gereduceerd, zodat het prijzengeld evenwichtiger wordt verdeeld. Dit zou ten eerste kunnen door het minimum aan prijzengeld per tornooi te verhogen en de organisatie te verplichten de verblijfskost van de deelnemers te dragen. Dit zou leiden tot minder tornooien, want ook daarvan zijn er heel wat die financieel maar net de eindjes aan elkaar kunnen knopen.”

Daarnaast zou men slechts punten kunnen koppelen aan een latere fase van de kleinere tornooien, bijvoorbeeld vanaf de derde ronde, zodat enkel de écht beloftevolle spelers juiste ambities koesteren om hogerop te raken. Dit zou het aantal professionele spelers naar een juistere proportie kunnen terugbrengen.

Meer ademruimte geven

Ten tweede moet het prijzengeld in de toptornooien (grand slams en ATP) horizontaler worden verdeeld zodat een beloftevolle speler die erin slaagt de eerste of tweede ronde te halen wat meer financiële ademruimte verkrijgt. De snelste oplossing daarvoor zou het converteren van startgeld naar meer prijzengeld in de eerste rondes kunnen zijn.

Ten derde kunnen ook afgeschermde U-21 tornooien voor jonge spelers voorzien worden, met voor de winnaars een koppeling aan de bestaande professionele tornooien van de hogere niveaus. Als het professionele tennis naar een toekomstgericht en duurzamer model wil voor zijn spelers en speelsters, zullen de verschillende instanties (ATP, ITF, WTA, grand slams) in elk geval samen moeten werken, niet altijd een evidentie. 

 



Url: https://repository.uantwerpen.be/docman/irua/83fd40/142911.pdf