Belgische onderzoekers bestuderen vleermuizenkolonie nabij ebolahaard in Congo

Datum: 4 augustus 2017

Inleiding: In het noorden van Congo hebben Belgische wetenschappers de voorbije maand naar de oorzaak van een lokale ebola-uitbraak gezocht. Die kostte in mei aan vier mensen het leven.

De onderzoekers vonden dicht bij de besmettingshaard een grote kolonie vleermuizen. Vleermuizen worden al langer verdacht ‘gastheer’ te zijn van het virus. De analyse van het bloed en de organen van zo’n driehonderd vleermuizen en andere zoogdieren moet nu uitsluitsel brengen.

De voorbije maand hebben biologen van de Universiteit Antwerpen en van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, samen met buitenlandse collega’s, dieren gevangen in de omgeving van het kampement Kagbono in de afgelegen Congolese provincie Bas-Uélé. In het kamp brak in mei een beperkte ebola-epidemie uit: acht mensen werden ziek, vier daarvan stierven.

Net op tijd

“Bijzonder aan deze epidemie is dat we wisten wie de eerste patiënt was – een visser uit Kagbono –en waar hij verbleven had in de weken voor hij ziek werd”, zegt prof. Herwig Leirs van de Universiteit Antwerpen. “Omdat we al langer vermoeden dat vleermuizen ‘gastheer’ van het virus zijn, konden we gericht op zoek gaan, en ontdekten we een kolonie van tienduizenden fruitvleermuizen drie kilometer stroomafwaarts op de rivier.”

De Belgische onderzoekers namen stalen van een honderdtal vleermuizen. Daarbij kregen ze hulp van collega's van de Amerikaanse National Institutes of Health en van het Centrum voor de Studie van Biodiversiteit aan de Universiteit van Kisangani. “We waren net op tijd”, vertelt Leirs. “Een week later trok de hele vleermuizenkolonie weg, op zoek naar rijp fruit, een beetje zoals trekvogels bij ons.” Het team verzamelde ook knaagdieren en ‘bushmeat’, wild dat door de lokale bevolking wordt bejaagd voor consumptie en handel.

Bioveiligheid

“Van alle verzamelde dieren namen we stalen van bloed en verschillende organen”, legt Erik Verheyen van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen uit. “Daarvoor richtten we een veldlab op met centraal een tent die je alleen mocht binnengaan met een speciaal, beschermend pak en met een gesloten helm voorzien van gefilterde lucht. Bioveiligheid is cruciaal bij dit soort werk. Het spreekt vanzelf dat we geen risico wilden lopen op besmetting.”

Alle stalen werden zorgvuldig ontsmet en verpakt, en naar het lab in Kinshasa gebracht. Daar worden ze nu getest door onderzoekers van het Congolese Institut National de Recherche Biomédicale (INRB) en een specialist van het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen. Ook Sophie Gryseels van de Universiteit Antwerpen, die op het terrein mee stalen nam en prepareerde, werkt momenteel nog in het lab. “We wachten vol spanning op de eerste resultaten”, zegt Leirs. “Als die positief zijn, kunnen risicokaarten worden opgesteld en gedragsmaatregelen voorgesteld voor een welomschreven gebied.”

In Kagbono werden de Belgische onderzoekers afgelost door teams van het Robert Koch Instituut in Berlijn, het Institut de recherche pour le dévéloppement in Montpellier en het INRB Kinshasa. Zij werken nog tot eind augustus door.