Ruimtereis heeft impact op brein van kosmonauten

Datum: 25 oktober 2018

Inleiding: Een verblijf in de ruimte heeft een impact op de hersenen van ruimtereizigers, blijkt uit nieuw internationaal onderzoek, geleid door UAntwerpen.

“Er treden veranderingen op wat grijze en witte stof en wat het hersenvocht betreft”, zegt dr. Angelique Van Ombergen (UAntwerpen). “En die veranderingen zijn er ook nog gedeeltelijk zeven maanden na de ruimtereis.”

Een internationaal team van wetenschappers voerde een uniek onderzoek uit bij Russische kosmonauten. Tien ruimtevaarders werden voor en kort na hun buitenaards verblijf (met een gemiddelde duur van zes maanden) onder de MRI-scanner gelegd, en ook zeven maanden na hun terugkeer werden ze nog een keer onderzocht. “We begonnen in 2013 met dit onderzoek”, vertelt dr. Angelique Van Ombergen. “Een dergelijke studie neemt altijd veel tijd in beslag omdat er nu eenmaal maar weinig mensen naar de ruimte trekken.”

De onderzoekers focusten op de hersenen van de kosmonauten. Van Ombergen: “We wilden achterhalen of hun hersenen veranderden na een ruimtereis, en ook nagaan of eventuele veranderingen maanden later nog zichtbaar zouden zijn. We keken daarbij voorlopig specifiek naar de samenstelling, naar de structurele anatomie van het brein. We maakten nog geen analyse van de functionele aspecten.”

Uit de scans genomen kort na hun ruimtereis blijkt dat er heel wat veranderde in het brein van de ruimtereizigers. “De hoeveelheid grijze stof, zeg maar de zenuwcellen in ons brein, nam af over de hele hersenen”, legt doctoraatsstudent Steven Jillings uit. “Ook een analyse van het hersenvocht, dat onder meer de afvoer van afvalstoffen verzorgt en bescherming biedt aan de hersenen, toont wijzigingen aan: omdat er op de hersenen van kosmonauten geen zwaartekracht inwerkt en er dus meer vloeistof naar het hoofd gaat, is de balans van het hersenvocht verstoord. Dat zien we ook nog na de vlucht.”

Link met visuele problemen?

Zeven maanden later gingen de ruimtevaarders opnieuw onder de scanner. “De grijze stof was weer ongeveer tot op het niveau van voor de reis geëvolueerd, al waren er nog steeds verschillen”, zegt Peter zu Eulenburg, professor aan de Ludwig-Maximilians-Universität München. “De veranderingen in het hersenvocht zetten zich daarentegen nog steeds verder. Waarom dat gebeurt en wat de eventuele gevolgen zijn voor de kosmonauten moet nog verder onderzocht worden. Uit vroeger onderzoek bleek dat ruimtevaarders op lange termijn met visuele problemen kunnen kampen. Mogelijk is er een link met de door ons vastgestelde veranderingen in de hersenen.”

De studie, waar ook medewerkers van het VisieLab (UAntwerpen) en van de universiteiten van Leuven en Luik aan meewerkten, werd uitgevoerd met de steun van BELSPO (Belgian Science Policy) en van ESA en Roscosmos, respectievelijk het Europese en het Russische ruimtevaartagentschap. De paper verschijnt in het bekende wetenschappelijke tijdschrift New England Journal of Medicine.



Link: https://www.nejm.org/doi/full/10.1056/NEJMc1809011?query=featured_home