"Sociaal werkers zijn belangrijk bij toekenning leefloon"

Datum: 23 december 2018

Inleiding: Marjolijn De Wilde (UAntwerpen) onderzocht tijdens haar doctoraat het recht op leefloon in Vlaanderen.

De RMI-wet die het recht op leefloon regelt, is in een aantal opzichten vaag. OCMW’s en bij uitbreiding sociaal werkers krijgen het mandaat om voorwaarden zoals ‘werkbereidheid’ lokaal te interpreteren. Maken cliënten dan wel overal evenveel kans op een leefloon? Marjolijn De Wilde (Universiteit Antwerpen) onderzocht het.

Marjolijn De Wilde onderzocht in haar doctoraal proefschrift wat de RMI-wet (Recht op Maatschappelijke Integratie) precies betekent voor het recht op leefloon in 89 Vlaamse OCMW’s. Ze legde aan 600 maatschappelijk werkers 9 experimentele cases voor en vroeg of deze cliënten in het OCMW een leefloon zouden krijgen en of ze hun leefloon zouden behouden als ze werk weigerden.

“Een eerste vaststelling die we konden maken, is dat werkbereide cliënten een zeer hoge kans hebben om een leefloon te krijgen. ‘Werkbereidheid’ is in de RMI-wet namelijk een expliciete voorwaarde tot het leefloon”, legt De Wilde uit. “Maar we merken dat die werkbereidheid vooral in het latere activeringstraject belangrijk wordt. Cliënten die bij het eerste contact aangeven niet gemotiveerd te zijn om te werken, krijgen in 75% van de gevallen toch een leefloon. Maar als ze nadien één keer een werkaanbod weigeren, hebben ze bijna 50% kans om hun leefloon te verliezen.”

Sociaal werker vs. OCMW

“Sociaal werkers verschillen sterk in hun voorstellen tot begeleiding”, stelt De Wilde vast. “De toekenning van een leefloon varieert van 70% tot 100% kans, afhankelijk van de sociaal werker. Als de cliënt een eerste werkaanbod weigert, varieert de kans op het behoud van het leefloon liefst van 29% tot 76%.” Een deel van deze variatie is te verklaren door de algemene attitudes van de sociaal werker. Zij die negatiever tegenover de welvaarsstaat staan en oordelen dat de overheid een meer controlerende rol moet opnemen, trekken in concrete gevallen sneller een leefloon in.

Bij de lokale OCMW’s zien we minder verschillen in de keuze om leeflonen uit te keren of in te trekken. OCMW’s die wel van elkaar verschillen, hebben andere organisatiekenmerken (bv. maatschappelijk werkers in gespecialiseerde teams voorspellen vaker sancties), hebben voorzitters vanuit verschillende politieke partijen en verschillen sociodemografisch van elkaar (bv. maatschappelijk werkers in gemeenten met hoge werkloosheidscijfers sanctioneerden meer).

Beleidsaanbevelingen

“Er zijn goede redenen om over te gaan tot een toekenning van het leefloon op basis van objectieve criteria en administratieve gegevens. Zo zou het al dan niet bekomen van een leefloon niet afhankelijk mogen zijn van de voorkeur van een sociaal werker”, meent De Wilde. “Voor een meer administratieve toekenning kunnen de gegevens uit de kruispuntbank of de Athena-databank van Sigedis als basis dienen.”

Anderzijds gaat een standaardisering van de trajectbegeleiding (activering, psychosociale hulp, sanctionering) voorbij aan de specifieke noden van cliënten. De Wilde besluit dat de aanvraag en toekenning van een leefloon dan wel zo eenvoudig en objectief mogelijk dienen te gebeuren, maar dat sociaal werkers – in nauw overleg met collega’s – de ruimte moeten krijgen om in de verdere opvolging te zoeken naar de beste begeleiding voor elke individuele cliënt.

Op www.ocmw-verhalen.be verzamelt het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB) van de Universiteit Antwerpen, samen met de Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), inspirerende verhalen over sociaal werkers die hun begeleidingsruimte nemen.



Link: http://www.ocmw-verhalen.be