Kunstfilosofie

Studiegidsnr:1065FLWFID
Vakgebied:Wijsbegeerte en ethiek
Tweejaarlijks opleidingsonderdeel:Gedoceerd in acad.jaar aanvangend in ONEVEN jaar
Academiejaar:2017-2018
Semester:1e semester
Contacturen:45
Studiepunten:6
Studiebelasting:168
Contractrestrictie(s):Geen contractrestrictie
Credit vereist voor behalen diploma:Credit vereist: Ja
Instructietaal:Nederlands
Examen:1e semester
Lesgever(s)Arthur Cools

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof

3. Inhoud *

Deze cursus wil een inleiding bieden in de filosofie van de beeldende kunsten. In deze inleiding staat de vraag naar het statuut en de betekenis van het beeld in de kunst centraal. Daarbij komen een aantal grondnoties uit de kunstfilosofie aan bod die van oudsher bepalend zijn geweest voor de opvatting van de kunst, van het beeld en van de ontwikkeling van de beeldende kunsten in Europa. In het bijzonder worden noties aangehaald en uitgelegd als techniek, medium, (re)productie, creatie, oorsprong, het heilige, de (doden)cultus, mythe, gelijkenis, afbeelding (eikon, imago), mimesis, perspectief, representatie, het schone, het sublieme, e.a. in relatie tot de beeldende kunsten.     

De cursus bestaat uit volgende onderdelen. Na een inleidende beschouwing over het onderscheid tussen kunstfilosofie en esthetica worden in een tweede hoofdstuk een aantal toonaangevende kunsttheorieën besproken die een antwoord hebben gegeven op de vraag naar het wezen van de kunst. Uit dit overzicht blijkt dat er geen eenduidige definitie van kunst kan worden gegeven. Bovendien is de vraag naar het wezen van het beeld uit de definitie van de kunst verdwenen. Het derde hoofdstuk begint met de vaststelling dat de kunstcreatie en de productie van het beeld onafscheidelijk is van de techniek en de technische mogelijkheden. Het verband tussen kunst en techniek is van oudsher intrinsiek, maar de ontwikkelingen van de techniek, en in het bijzonder de exponentiële toename van technische (re)produceerbaarheid, hebben het hedendaagse kunst- en beeldbegrip in verregaande wijze beïnvloed. In een vierde hoofdstuk wordt de vraag naar de oorsprong van de kunst gesteld en besproken in relatie tot de rol van de religie in de cultuur. Vanuit een beknopte analyse van enkele fragmenten uit de oudste bronnen van de Europese cultuur kan worden aangetoond dat het beeld en de creatie van het beeld hun betekenis en relevantie verwerven vanuit de sociale omgang met het heilige, de dood en de goden. Die samenhang ligt aan de oorsprong van de controverse over het beeld, zoals dat vandaag nog in diverse contexten tot uitdrukking komt in discussies over het beeldverbod, het iconoclasme en de beeldcensuur.. Het vijfde hoofdstuk is gewijd aan de metafysische interpretatie van het beeld als representatie en behandelt de ontologische betekenis van de kunst aan de hand van het mimesisbegrip bij Plato en Aristoteles, de ontdekking van het perspectief bij Alberti, de fenomenologisch geïnspireerde analyses van Cezanne door Merleau-Ponty en de analytische benadering van picturale representatie in termen van visuele gelijkenis. Het zesde hoofdstuk bespreekt die opvattingen die het klassieke representatiebegrip ter discussie stellen en die menen dat het mogelijk is een kunstbegrip te definiëren voorbij de representatie. In het bijzonder gaat de aandacht in dit deel uit naar het beeldkarakter van de abstracte kunst, Heideggers kritiek op de metafysische interpretatie van de kunst en Lyotards opvatting van het sublieme. Tot slot, worden in een laatste hoofdstuk de grondtrekken van de relatie tussen kunst en moderne maatschappij aangegeven.    

Bovendien worden de studenten uitgenodigd om zich te confronteren met en zich een idee te vormen van de hedendaagse kunstcreatie. Dit gebeurt door een begeleid bezoek aan het Museum voor hedendaagse Kunst.