Nederlandse taalkunde 1: basisbegrippen van zins- en woordbouw

Studiegidsnr:1102FLWTLN
Vakgebied:Taalkunde en Taalbeheersing
Academiejaar:2019-2020
Semester:1e en 2e semester
Contacturen:45
Studiepunten:6
Studiebelasting:168
Contractrestrictie(s):Geen contractrestrictie
Instructietaal:Nederlands
Examen:1e en/of 2e semester
Lesgever(s)Reinhild Vandekerckhove
Dominiek Sandra

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof

3. Inhoud *

De cursus presenteert een uitvoerig terminologisch kader en biedt analysetechnieken aan.

Binnen het onderdeel syntaxis (2/3 van het vak, eerste semester) worden de woordsoorten en de zinsdelen behandeld, met aandacht voor zowel de inwendige bouw van de constituenten als de relatie tussen de zinsdelen. Dat is de hoofdbrok van het syntactische luik, maar we besteden daarnaast zijdelings ook aandacht aan het gebruik van specifieke structuren en het effect ervan in communicatieve contexten, evenals aan syntactische variatiepatronen.

Binnen het onderdeel Morfologie (1/3 van het vak, tweede semester) zal aandacht besteed worden aan twee aspecten: (a) een theoretische benadering van de interne woordstructuur en (b) een psycholinguïstische benadering. In het theoretische onderdeel zullen alle belangrijke kernbegrippen uit de domeinen van de morfotaxis, de morfofonologie en de morfosemantiek aan de orde komen. De studenten zullen ook leren om vraagstukken op te lossen die op die deeldomeinen betrekking hebben. In het psycholinguïstische onderdeel wordt de vraag gesteld of taalgebruikers gebruik maken van de morfologische structuur van een woord tijdens het proces van woordherkenning en of er evidentie is dat morfologische structuur een rol speelt bij de opslag van woorden in het mentale lexicon.