Cultuurkunde Nederlands 1

Studiegidsnr:1103FLWTLN
Vakgebied:Cultuur
Academiejaar:2016-2017
Semester:1e semester
Contacturen:30
Studiepunten:3
Studiebelasting:84
Contractrestrictie(s):Geen contractrestrictie
Instructietaal:Nederlands
Examen:1e semester
Lesgever(s)Frank Willaert

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof

3. Inhoud *

Van de Kelten tot de Franse Revolutie

Het vak volgt het stramien van het hieronder vermelde, niet verplichte maar als achtergrondliteratuur wel aanbevelenswaardige handboek van Blom & Lamberts (zie onder "Facultatief studiemateriaal"). De uiteenzetting is ingedeeld in de volgende hoofdstukken:

1. Een lange aanvangsperiode (tot en met tiende eeuw): het landschap en zijn bewoners in de tijd van Kelten, Romeinen, en Germanen; de Merovingische periode en de herkerstening; de Karolingische periode met bijzondere aandacht voor de zogenaamde "Karolingische renaissance"; de desintegratie van het Karolingische rijk, de opkomst van de feodaliteit en van de landsheerlijkheid Vlaanderen.

2. De periode van de landsheerlijkheden (elfde-dertiende eeuw): de opkomst van Vlaanderen, Brabant, Holland; het in cultuur brengen van het landschap en de opkomst van de steden; de Gregoriaanse hervorming en de opkomst van nieuwe religieuze bewegingen in de twaalfde en dertiende eeuw; kerkelijke bouwkunst in het Maasland en in het Scheldebekken; edelsmeedkunst in het Maasland.

3. De vorming van een politieke unie (veertiende-zestiende eeuw):

- de crisissen van de veertiende eeuw; de politieke macht van de steden en de doorbraak van een burgercultuur;

- de Bourgondische vereniging in de vijftiende eeuw; laatmiddeleeuwse religiositeit gekenmerkt door formalisme en emotionaliteit; de Vlaamse Primitieven; laatmiddeleeuwse burgerlijke architectuur, muziek, tapijtkunst, miniatuurkunst; Bourgondische en stedelijke theatraliteit en de rol van de rederijkers;

- de eeuw van Habsburg: Antwerpens gouden eeuw; exuberante laatgotiek en renaissance; humanisme en boekdrukkunst; muziek; nieuwe genres in de schilderkunst; Pieter Bruegel; de Opstand.

4. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1780): de bestuursvorm van de Republiek; de twisten van het Twaalfjarig Bestand; het goud van de Gouden Eeuw: VOC en WIC; de Hollandse schildersschool; Hals, Rembrandt, Vermeer; de handelsoorlogen en het eerste stadhouderloze tijdperk; het rampjaar; Willem III, het tweede stadhouderloze tijdperk en het verval van de Republiek; classicisme en Verlichting.

5. De Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden: de aartshertogen; de versterking van het absolutisme; de triomf van de Contrareformatie; de barok in architectuur en schilderkunst; Rubens en Van Dyck; de Oostenrijkse periode; de doorbraak van de Verlichting.

6. Het voorspel van de revolutie (1780-1789): de Patriotten in het Noorden ; de hervormingen van Jozef II, de Brabantse Omwenteling