Geschiedenis van de Nederlandse letterkunde 1: Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd

Studiegidsnr:1105FLWTLN
Vakgebied:Letterkunde
Academiejaar:2017-2018
Semester:2e semester
Contacturen:45
Studiepunten:6
Studiebelasting:168
Contractrestrictie(s):Geen contractrestrictie
Instructietaal:Nederlands
Examen:2e semester
Lesgever(s)Hubert Meeus
Remco Sleiderink
Patricia Stoop
Dirk Schoenaers

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof

3. Inhoud *

De volgende periodes komen aan bod:

Deel 1: Middeleeuwen. Dit onderdeel beoogt een grondige kennismaking met de middeleeuwse Nederlandse literatuur (tot ca. 1450) en de wetenschappelijke bestudering daarvan. Het biedt tevens een eerste kennismaking met het Middelnederlands (bevordering lees- en vertaalvaardigheid) en het middeleeuwse schrift (textualis). De primaire literatuur omvat enkele volledige canonteksten (bijv. Van den vos Reynaerde, Beatrijs en Lanseloet van Denemerken), maar ook fragmenten van bekende en minder bekende teksten. Een deel van deze primaire literatuur wordt in moderne vertaling aangeboden, een deel in de oorspronkelijke taal. De secundaire literatuur bestaat uit enkele hoofdstukken uit literatuurgeschiedenissen en inleiding of commentaar bij edities. Om de leesvaardigheid van het Middelnederlands te bevorderen wordt gebruik gemaakt van een recent handboek met oefeningen.

Deel 2: Rederijkerstijd en Renaissance. Overzicht van de evolutie van de literatuur in de Nederlanden van de 16de tot het begin van de 18de eeuw. Bij de overgang van de Middeleeuwen naar de Renaissance wordt aandacht geschonken aan de rol van de rederijkers, de gevolgen van de uitvinding van de boekdrukkunst en de invloed van de ideeën van het humanisme. Voor de 16de en 17de eeuw gaat de aandacht vooral uit naar het ontstaan en de evolutie van de populaire genres als emblemata, toneel en lied.

De hoorcolleges zijn opgevat als begeleiding bij de lectuur van hoofdstukken en passages uit de literatuurgeschiedenis van Herman Pleij, Karel Porteman en Mieke Smits-Veldt, die de eigenlijke leerstof vormen.

Daarnaast wordt één uur per week besteed aan oefeningen in het lezen van zestiende- en zeventiende-eeuwse teksten waarbij zowel aandacht gaat naar de eigenaardigheden van de taal, het leren gebruiken van de belangrijkste lexicografische hulpmiddelen, inzonderheid het WNT, en naar het begrijpen van de historische context.  Elke week zullen de studenten een verplichte vertaaloefening meekrijgen die ze tegen de volgende les moeten oplossen.