Arbeidssociologie

Studiegidsnr:1300PSWASO
Vakgebied:Sociologie
Academiejaar:2019-2020
Semester:2e semester
Contacturen:45
Studiepunten:6
Studiebelasting:168
Contractrestrictie(s):Niet te volgen onder examencontracten
Instructietaal:Nederlands
Examen:2e semester
Lesgever(s)Erik Henderickx
Nele Cannaerts
Annelies Haaren

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof

3. Inhoud *

Arbeidssociologie is de benadering van alle maatschappelijke verschijnselen die met arbeid binnen een globaliserende en digitaliserende  economie te maken hebben. Tevens de vraag naar wat de gevolgen zijn van arbeid voor werknemers in termen van  arbeid (bv. werkbaarheid etc.) is hierbij belangrijk, naast het kunnen vertalen van concrete arbeidsvraagstukken naar een academische probleemstelling en een wetenschappelijk onderzoeksontwerp; het kunnen 'lezen' van wetenschappelijke artikels en een kritische reflectie daarover kunnen (academisch onderbouwd) beargumenteren.


De harde kern van het arbeidssociologisch onderzoeksprogramma kan worden samengevat in de stelling dat "de specifieke vorm van de maatschappelijke organisatie van de arbeid een essentiële verklaringsgrond is voor de sociale structuur en maatschappelijke verandering in het algemeen en voor sociale ongelijkheden en collectief conflicthandelen in het bijzonder". Vandaar dat de arbeidssociologie één van de belangrijkste subdisciplines is binnen de sociologie. Aan het begin van de 21e eeuw is de maatschappelijke organisatie van arbeid volop in verandering: nieuwe technologieën (bv. ICT), nieuwe organisatievormen ('value chain'), de uitdaging van de nieuwe groeilanden (globalisering) en de evolutie naar een kennismaatschappij (en polarisatie arbeid?), etc.

We vertrekken met de definitie van 'de' sociologie als  wetenschap van het maatschappelijke spel en illustreren dit meteen met toepassingen op arbeid. We typeren de vijf belangrijke vraagstukken van de sociologie (bv. individu en samenleving, de sociale oorzaken van menselijk gedrag en denken, ...) die ook binnen de arbeidssociologie aan bod zullen komen. Vervolgens leggen wij de focus op arbeid als sociologisch vraagstuk: wat is arbeid? Finaal hebben wij nood aan een conceptueel kader om arbeidsvraagstukken te kunnen analyseren en beleidsvraagstukken te typeren (de 3 A's en de 4 A's). Binnen het arbeidsbestel behandelen we volgende arena's: de arbeidsorganisatie, de arbeidsmarkt en de arbeidsverhoudingen (binnen een sociaal-economisch model); de arbeidssituatie met de arbeidsinhoud; de arbeidsvoorwaarden, - omstandigheden en -verhoudingen op de werkvloer. Na een bondige duiding van de pre-industriële samenlevingen wordt binnen de context van modernisering ingegaan op de industrieel-kapitalistische arbeidsorganisatie (bureaucratisering, mechanisering, 'tijd' als innovatie, de (nieuwe) betekenis van arbeid, ...). We maken vervolgens een overzicht van de drijfveren achter de opkomst van de industrieel-kapitalistische samenleving. In hoofdstuk vijf ligt de focus op het macropersperctief: de ontwikkeling van een economisch- en arbeidsbestel; van het handelskapitalisme naar het actuele geavanceerde kapitalisme. We ronden het inleidende gedeelte af met een overzicht van de paradigma's binnen de arbeidssociologie en bedoeld of toepasbaar voor de sociologische analyse van arbeid als maatschappelijk fenomeen (bv. de Weberiaanse traditie, de interactionistische traditie, de Marxistische traditie, poststructuralisme & postmodernimse, ...).


Vervolgens bestuderen wij de drie arena's van de arbeid:

In de arbeidsorganisatie zijn werkgever en werknemer door middel van arbeidsdeling en hiërarchische coördinatie met elkaar verbonden. Hier draait het in eerste instantie om de vraag hoe de beschikbare arbeidskracht ten behoeve van de doelen van de organisatie wordt omgezet in concrete arbeidssituaties en arbeidsprestaties. Er wordt ingegaan op de ontwerpprincipes: enerzijds op het bureaucratische model (Taylor en Ford), anderzijds op het recentere flexibele model met teamwerk als focus (lean & mean of Toyotisme en sociotechniek). Daarbij stelt zich de vraag naar de kwaliteit van arbeid (aantrekkelijkheid van (loop)banen, ziekteverzuim, stress, leermogelijkheden etc.) en de werkbaarheid. Naast de vraag van een mogelijk (organisatie)beleid, zoals de diverse vormen van sociaal-organisatorische innovatie als interventie (bv. plaats- en tijdonafhankelijk werken)?
Op de arbeidsmarkt als arena staan vragers en aanbieders van arbeid tegenover elkaar (lokaal, mondiaal). Daar draait het in eerste instantie om de vraag wie waar terechtkomt (allocatie met ‘winnaars’ en ‘verliezers') en om de beloning binnen de ruilrelatie. Daarbij zijn processen zoals segmentering, flexibilisering etc. relevant. Welke variabelen verklaren een fenomeen zoals 'destructie' en 'creatie' van arbeidsplaatsen of de spanning tussen 'werkloosheid' en 'niet vervulde vacatures'? En wat kan (activerend) arbeidsmarktbeleid als interventie betekenen? Welke arbeidsmarktregimes (star versus flexibel) kunnen onderscheiden worden binnen de diverse typen verzorgingsstaten.  
In de arena van het collectief onderhandelen en overleg ('arbeidsverhoudingen') streven organisaties van werkgevers en werknemers ernaar, de processen die zich op de arbeidsmarkt en in de (arbeids)organisatie afspelen, aan bepaalde regels te binden. Hier wordt een strijd geleverd tussen 'arbeid' en 'kapitaal'. Dit resulteert in 'sociale vrede', stakingen, delokalisatie/bedrijfssluiting etc.