Grondige studie filosofie van de kunst

Studiegidsnr:2007FLWFIL
Vakgebied:Wijsbegeerte en ethiek
Academiejaar:2015-2016
Semester:1e semester
Contacturen:30
Studiepunten:6
Studiebelasting:168
Contractrestrictie(s):Geen contractrestrictie
Instructietaal:Nederlands
Examen:1e semester
Lesgever(s)Arthur Cools
Frans van Peperstraten

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof

3. Inhoud *


Het thema van de cursus is 'Kunst als representatie na het einde van de kunst'. 
 

Het is in de hedendaagse samenleving niet langer evident dat de kunst daarin een belangrijke plaats inneemt. Reeds bij aanvang van de moderne tijd heeft Hegel de these van het einde van de kunst gelanceerd, een these die recentelijk herhaald is door Danto. Beide auteurs hebben met elkaar gemeen dat ze de kunst definiëren vanuit het medium van de representatie en bovendien de mogelijkheden van dit medium als volledig gerealiseerd zien. Volgens deze these gaat de kunst (het voorstellende denken) over in de abstractie van het filosofische denken. Kort voor Hegel had Schiller nochtans zijn hoop voor de toekomst gevestigd op een esthetische opvoeding van de mens. Niet de abstractie van het denken, maar het spel staat hierin centraal, dat een talent aanspreekt om tussen de eisen van de rede en de driften van de natuur nieuwe vormen van gemeenschappelijkheid te creëren. Veel later stelt Heidegger dat de vraag naar het einde dan wel een nieuw begin van de kunst afhangt van de vraag of het oude, metafysische denken omtrent de kunst kan worden overwonnen. Tot het oude denken over kunst behoort de veronderstelling dat de kunst zich toelegt op een representatie van de werkelijkheid. Heidegger stelt daartegenover een opvatting van de kunst in termen van een in-het-werk-stellen van de waarheid, waarbij de nadruk komt te liggen op het specifieke gebeuren van de kunst. De Franse filosoof Jean-François Lyotard ent dit gebeurtenis-aspect veeleer op de esthetica van Kant en bestempelt aldus het sublieme tot het kernbegrip van de hedendaagse kunst. Met de notie van het sublieme stelt hij de vraag of het in de kunst nog wel om representatie draait. Kenmerkend voor de hedendaagse kunst, aldus Lyotard, is immers dat ze presentaties tracht te geven van het onrepresenteerbare. Philippe Lacoue-Labarthe concludeert echter uit deze stelling dat Lyotard zich onvoldoende losmaakt van de moderne metafysica en dat dit pas lukt wanneer het sublieme op basis van de filosofie van Heidegger wordt gedacht. Jacques Rancière op zijn beurt meent dat eerst in een historische optiek de eigen aard van de esthetica in het huidige tijdvak onderzocht moet worden voordat over representatie en/of onrepresenteerbaarheid kan worden gesproken. Tegen deze achtergrond formuleert hij een expliciete kritiek op de filosofie van Lyotard.

Het is vanuit deze auteurs dat de cursus de problematiek behandelt van de representatie in de context van het einde van de kunst. Deze problematiek zal ons tevens in de gelegenheid stellen een kritische diagnose van de hedendaagse cultuur en politiek uit te werken.