Masterseminarie: Amerikaans pragmatisme en de filosofie van de ecologische psychologie

Studiegidsnr:2053FLWFIL
Vakgebied:Wijsbegeerte en ethiek
Academiejaar:2019-2020
Semester:2e semester
Contacturen:30
Studiepunten:6
Studiebelasting:168
Contractrestrictie(s):Geen contractrestrictie
Instructietaal:Nederlands
Examen:2e semester
Lesgever(s)Ludger van Dijk

Deze cursusinformatie is bedoeld om de student te ondersteunen bij het verwerken van de leerstof

3. Inhoud *

Zowel in de wijsgerige psychologie als in de cognitiewetenschappen lijkt het algemeen verondersteld te worden dat de geest in essentie representaties van de wereld produceert. Alleen door in ons hoofd een representatie van de wereld te vormen kunnen wij onze omgeving correct waarnemen, erover nadenken en er uiteindelijk succesvol in handelen. Een recente stroming van zogenaamde belichaamde (embodied) en uitgespreide (extended) cognitie (EEC) probeert te breken met deze traditionele veronderstelling. Eén van de voorlopers van EEC is de ecologische psychologie van James Gibson. De ecologische psychologie wordt vaak in de traditie van fenomenologen als Merleau-Ponty geplaatst. Maar om de ecologische psychologie goed te begrijpen en te zien hoe deze de grenzen van de wijsgerige psychologie en moderne cognitiewetenschappen kan verleggen, moeten we haar wortels in het Amerikaanse pragmatisme zoeken.

Gibson’s ecologische psychologie stelde zich primair tot doel om een zogenaamde “directe” theorie van de waarneming te ontwikkelen. Dat wil zeggen dat de theorie geen representaties veronderstelt die tussen ons en de wereld staan. Kern van Gibson’s theorie is de gedachte dat organismen hun omgeving waarnemen in zijn praktische betekenis, in termen van handelingsmogelijkheden (“affordances”). Om zulke affordances waar te nemen, zou het volgens Gibson voldoende zijn om als organisme gevoelig te zijn voor informationele structuur in de omgeving, deze informatie actief te genereren en te gebruiken. Representaties zouden dan overbodig zijn. Deze theorie leidt echter tot verschillende vragen. Als waarneming “direct” is, hoe kunnen we ons dan ooit vergissen in wat we zien? En hoe kunnen sociale en normatieve processen het waarnemingsproces beïnvloeden? Hoe zou, in algemene zin, de ecologische psychologie kunnen worden ontwikkeld om om te gaan met de complexe werkelijkheid van alle dag waarin we praten, plannen, verbeelden et cetera?

Deze vragen hebben verschillende antwoorden, ieder met andere consequenties voor onze theorievorming. Om deze consequenties te begrijpen zullen we in deze seminarie de theorie en filosofie van ecologische psychologie in relatie tot Amerikaans pragmatisme bestuderen. We bestuderen een selectie van Gibson’s werk over affordances en informatie om een beeld te krijgen van zijn theorie van directe waarneming. Dit werk zullen we vergelijken met belangrijke teksten van pragmatisten zoals John Dewey en William James. Bovendien zullen we verschillende moderne interpretaties van Gibson’s werk bestuderen. Op zoek naar nieuwe richtingen om de wijsgerige psychologie en cognitiewetenschappen te ontwikkelen zullen we in de laatste weken van deze seminarie de ecologisch psychologie met andere theorieën binnen EEC vergelijken.