Karen Lauwers, Negotiating the Republic. Direct interactions between unorganized citizens and MPs in France, ca.1900-1930s, 14 February 2019.

Datum: 14 februari 2019

Locatie:  Felix Pakhuis, 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15.00u

Promovenda: Karen Lauwers

Promotor: Prof. dr. Marnix Beyen

Het proefschrift spitst zich toe op vragen over percepties en kennis die individuele Franse burgers hadden van hun rechten en plichten, maar ook over de interactieve manier waarop zij hun rol in de samenleving construeerden in de brieven die zij – ruwweg tussen 1900 en de jaren 1930 – stuurden naar vier Kamerleden. Na een uiteenzetting van de netwerken en toegankelijkheid van volksvertegenwoordigers voor deze burgers (in Deel I), werpen Delen II en III van dit proefschrift een licht op de paradoxen van het regime van de Derde Franse Republiek en op hoe deze paradoxen gepercipieerd, maar ook (inter)actief geconstrueerd werden door mannen en vrouwen, in hun geschreven communicatie met vier Kamerleden. Hoe persoonlijk de verzoeken van de verschillende briefschrijvers meestal ook waren, samen werpen hun duizenden brieven een nieuw licht op de zogenaamde democratiserende impact van de Eerste Wereldoorlog.

Dominiek Dendooven, Asia in Flanders Fields. A Transnational History of Indians and Chinese on the Western Front (1914-1920), 2 July 2018

Datum: 2 juli 2018

Locatie:  Vleeshuis, Boomgaardstaat, 8900 Ieper

Tijdstip: 10.30u

Promovendus: Dominiek Dendooven

Promotor: Prof. dr. Marnix Beyen

Co-promotoren: Prof. dr. Mark Connelly

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Dominiek Dendooven - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis - University of Kent

Houssine Alloul, Belgium and the Ottoman Empire. Diplomacy, Capital and Transnational Loyalties, 1865-1914, 29 June 2017

Datum: 29 juni 2017

Locatie:  Auditorium, FelixArchief, Oude Leeuwenrui 29, 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Houssine Alloul

Promotor: Prof. dr. Henk de Smaele

Co-promotoren: Prof. dr. Isa Blumi

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Houssine Alloul - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

Filip Van Roosbroeck, To cure is to kill? Cattle plague, state intervention and veterinary knowledge in the Austrian Netherlands, 1769-1785, 25 April 2016

Datum: 24 april 2016

Locatie:  Promotiezaal, Klooster van de Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Filip Van Roosbroeck

Promotor: Prof. dr. Tim Soens

Co-promotoren: Prof. dr. Bert De Munck

 

Abstract

The introduction of so-called stamping out policies in some European countries during the eighteenth century in order to combat outbreaks of rinderpest was an intensive and expensive undertaking. Such policies have therefore been presented by historians as examples of successful state intervention. The Austrian Netherlands, where stamping out was introduced in 1769 and rinderpest mortality was modest, have served as an exemplary case in point.

However, previous studies have by and large glossed over the marked regional differences in the behaviour and impact of rinderpest. These cast doubt upon the significance of state intervention in explaining national differences in rinderpest mortality, and call the dominant historiographical narrative into question.

The central thesis of this dissertation is that the perception of the success of stamping out in the Austrian Netherlands can only be understood by analysing it as a technological system or network, that is to say, as the outcome of the mutual interaction between a variety of components or actors. It concludes that rinderpest mortality in most parts of the Austrian Netherlands would have been limited regardless of state intervention. Moreover, the success, such as it was, of stamping out was the result not of a rational program imposed from the top-down, but was the outcome of an open political and intellectual system which was ultimately able to accomodate the interests of all involved actors. 

The story of stamping out, as a story of rational measures and considered foresight, of top-down planning and modern intervention, has been an attractive one to elites both past and present, even into the twenty-first century. However, as this thesis shows, it was ultimately based on a post hoc fallacy, the mere illusion of control.

Nel de Mûelenaere, Belgen zijt gij ten strijde gereed? Militarisering in een neutrale natie, 1890-1914, 26 February 2016

Datum: 26 februari 2016

Locatie:  Promotiezaal, Klooster van de Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Nel de Mûelenaere

Promotor: Prof. dr. Maarten Van Ginderachter

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Nel de Mûelenaere - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

 

Abstract

De Belgen stonden tijdens de belle époque niet bekend om hun strijdlust. Het land had amper deelgenomen aan de Europese wapenwedloop, beschikte nauwelijks over een militaire traditie en de politieke klasse had een stevige grip op het verwaarloosde leger. Terwijl overal in Europa algemene dienstplicht werd ingevoerd, weigerde de Belgische regering tot 1913 om haar mannelijke bevolking te kazerneren. De jurist Ludovic Thiriaux vertolkte in 1912 de heersende visie: ‘Une armée! - Pourquoi faire?... on ne l’aura jamais. « LA BELGIQUE N’EST PAS MILITARISTE ». Ce n’est pas une fois, mais cent fois que chacun a entendu ce refrain’.

In dit doctoraat ga ik op zoek naar een ander refrein. Ik stap af van de premisse dat België een ‘antimilitaristische’ natie was, en onderzoek vergeten militariseringsprocessen in de Belgische samenleving. Mijn stelling is dat in België tussen 1890 en 1914 een aantal processen werden ingezet die -ondanks de neutraliteit, ondanks het antimilitaristische en burgerlijke zelfbeeld- ervoor zorgden dat de elite en de bevolking militaire oplossingen aanvaardden voor maatschappelijke problemen en veiligheidsproblemen, en dat de bevolking in toenemende mate gecontroleerd werd door het militaire instituut en/of militaire cultuur. Specifiek kijk ik daarvoor naar de debatten en praktijken rond de inzet en steun van de Belgische bevolking aan het militaire apparaat, en dit op drie cruciale domeinen.

Ten eerste analyseer ik het politieke discours en beleid rond de militarisering van de bevolking. Ik volg de opbouw en uitbouw van die ‘militaristische’ lobby. Dit informele en expanderende netwerk van oud-officieren en liberalen ontwikkelde in die periode een duidelijke visie op veiligheid, neutraliteit en defensie, en gaf ook een militaire betekenis aan patriottisme, viriliteit, nationale eer en burgerschap. Het lange termijnsucces van de militariserende beweging werd bereikt door een langzame popularisering van militaire en patriottische waarden en gedragsnormen aan de hand van rituelen, symbolen en praktijken. Daarom heb ik niet alleen oog voor de politieke, maar ook voor de culturele manifestaties van militarisering, die een tweede spoor van analyse vormen. Ik bestudeer de manier waarop de houding van de nationale elite tegenover het leger werd weerspiegeld en gepromoot in publieke rituelen tijdens de nationale feesten. Deze studie toont aan dat ook de Belgische strijdmacht sinds de jaren 1890 in toenemende mate werd voorgesteld als centraal symbool van de natie. Naast de politieke en culturele manifestaties heb ik in dit doctoraat ook aandacht voor de sociale invulling van militarisering. Ik analyseer hoe het leger het lichaam, de geest en het hart van de mannelijke jeugd voor en tijdens de dienst militariseerde. Daarnaast besteed ik aandacht voor het dagelijkse leven in en rond de kazerne. Ook hier wordt het dominante beeld van het leger als een afgesloten eiland resoluut opzijgeschoven, burgers en soldaten kwamen voortdurend met elkaar in aanraking. De mythe van de kazerne als een monolithisch mannelijk bolwerk wordt evengoed doorprikt: vrouwen waren een integraal onderdeel van het Belgische militaire leven.

Deze verkenning toont dat er tussen 1890 en 1914 complexe processen van politieke, culturele en sociale militarisering werden ingezet in de Belgische natie. Die militarisering werd vanaf 1896 voortgestuwd door een eenzame, relatief kleine groep van liberalen en oud-officieren, die het idee promootten dat militaire cultuur heilzaam en noodzakelijk was voor de natie. Ik demonstreer hoe tussen 1896 en 1914 hun visie op de maatschappelijke rol van de strijdmacht langzaam toegeëigend en aanvaard werd door een deel van het Belgische civiele samenleving, en vanaf 1908 gemeengoed in de politieke cultuur. Doorheen de onderzoeksperiode veranderde de plaats van defensie in de nationale identiteit: van een neutrale, anti-militaire natie ging België naar een neutrale, defensieve natie die -indien bedreigd- ‘ten strijde gereed’ was.  Of de natie daarmee voorbereid was op de oorlog die voor de deur stond, blijft een open vraag.

Wannes Dupont, Free-Floating Evils. A Genealogy of Homosexuality in Belgium, 3 September 2015

Datum: 3 september 2015

Locatie:  Promotiezaal, Klooster van de Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Wannes Dupont

Promotor: Prof. dr. Henk de Smaele

Co-promotoren: Prof. dr. Kaat Wils

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Wannes Dupont - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

 

Abstract

Dat een psychopathologisch begrip van homoseksualiteit tijdens de late negentiende eeuw in heel het Westen min of meer simultaan ingang zou hebben gevonden, geldt inmiddels al zowat veertig jaar als een basisaxioma van de seksualiteitsgeschiedenis. De nooit eerder onderzochte Belgische casus zet nu echter grote vraagtekens bij een dergelijke veralgemening. In België was van veel aandacht voor homoseksualiteit immers nauwelijks sprake voor het midden van de twintigste eeuw. In dit proefschrift wordt onderzocht waarom dat het geval was en blijkt bovendien het belang van nationale contexten en lokale omstandigheden.

Vincent Scheltiens, Met dank aan de overkant. Vlaamse en Waalse identiteitsconstructie aan de hand van alteriteitsvertogen, 1840-1993, 11 June 2015

Datum: 11 juni 2015

Locatie:  Promotiezaal, Klooster van de Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Vincent Scheltiens

Promotor: Prof. dr. Marnix Beyen

Co-promotoren: Prof. dr. Jef Verschueren en Prof. dr. Dave Sinardet

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Vincent Scheltiens - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

 

Abstract

Dit onderzoek reikt een vernieuwende manier aan om ontstaan en ontwikkeling van nationale identiteitsconstructies te lezen en te begrijpen. Het vertrekt vanuit de hypothese dat het ‘maken’ van nationale identiteiten niet zozeer moet verklaard worden vanuit nationale identiteit op zich, als wel uit de capaciteit van nationale elites om een harde grens aan te brengen tussen het eigen en de andere, identiteit en alteriteit. Het op deze wijze nooit geëxploreerde België leent zich uitstekend voor een studie van de identiteitsconstructie aan de hand van alteriteitsvertogen. In de Belgische geschiedenis ontwikkelden zich immers twee aan elkaar gewaagde nationale bewegingen, de Vlaamse en de Waalse. Gaandeweg zouden ze er in slagen ideologische en sociale tegenstellingen in het eigen kamp te overstijgen en de Belgische identiteitsconstructie fundamenteel te ondermijnen. Het proefschrift analyseert de vertogen van beide bewegingen over de ‘andere’ en hoe die vertogen werden ingezet om een stabiel zelfbeeld te creëren. Dit onderzoek, waarin voor het eerst beide nationale bewegingen te samen bestudeerd worden, toont aan dat deze zich veeleer ontwikkelden rond een beeld van de ‘andere’ dan rond stabiele zelfbeelden. Uit de combinatie van linguïstische detailstudie met een meer longitudinale aanpak, volgt het onderzoek de vertoogstrategieën over de ‘andere’ vanaf het ontstaan van deze bewegingen tot hun institutionalisering als deelstaten. Om deze methodologie mogelijk te maken, werden vijf kritische momenten geselecteerd die samen anderhalve eeuw Belgische geschiedenis omspannen. Daaruit blijkt dat beide bewegingen in een pril stadium een discours over de ‘andere’ ontwikkelden dat ze grotendeels, tot op heden, zullen aanhouden. Hun negatieve verbeelding van de ‘andere’ werd constant versterkt door die ‘andere’ onder te dompelen in een bredere etnische ‘externe andere’: de Latijnse of Germaanse. De eigen identiteit werd aan beide zijden gehomogeniseerd rond een zelfbeeld van geminoriseerde groep, slachtoffer van een agressie vanwege de ‘andere’. Deze victimiseringsvertogen werden echter doorkruist met zelfbeelden van eigen superioriteit. Belangrijke gebeurtenissen als beide wereldoorlogen of de federalisering van het land, braken deze continuïteit geenszins, maar versterkten die. De discursieve bedding waarin beide bewegingen vanaf het begin zaten, diepte zich telkens uit. De homogenisering van het eigen kamp waar zowel aan Vlaamse als aan Waalse zijde naar gestreefd werd, leidde ertoe dat – ondanks pleidooien van openheid – het eigen territorium van elke aanwezigheid of manifestatie van de ‘andere’ moest gezuiverd worden. Die zuiveringsidee werd in tal van metaforen uitgedrukt, was soms allegorisch maar – aan de taalgrens – ook fysiek. Doorheen heel deze periode leidde de intensieve interactie tussen beide bewegingen herhaaldelijk tot een vorm van mimetisme: strategieën, topoi en zelfs organisatorische keuzen werden van elkaar overgenomen, toegeëigend en tegen elkaar ingezet. Dit proefschrift toont aan dat de paradox tussen succesvolle institutionalisering van nationalisme en vage invulling van haar ideologische basis kan verklaard worden aan de hand van een studie van alteriteitsvertogen.

   

Bart De Sutter, The paradox of virtue. Helsinki human rights activism during the Cold War (1975-1995), 19 May 2015

Datum: 19 mei 2015

Locatie: Theater Het Klokhuis Kunstencentrum Vlaams Fruit - Parochiaanstraat 4 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 16 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Bart De Sutter

Promotor: Prof. dr. Maarten Van Ginderachter

Co-promotor: Prof. dr. Samuel Moyn

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Bart De Sutter - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

 

Abstract

Human rights activists are devoting their time, knowledge and often their own money to a cause in which they have no direct and immediate benefit. In doing so they practice virtue. Interested in the fate of people far away they are guided by the principle to promote human rights everywhere for everyone. But just like anyone else they have to deploy their precious time, staff and funding carefully and strategically to achieve their goals. No NGO is capable of addressing all human rights violations no matter how much funding it has or how well-equipped it is. Moreover, there are thousands of NGOs promoting universal human rights. All of them have to judiciously select their goals and are in competition with each other. The hypothesis of this study is that in order to be effective human rights activism has to fit into the interests of those actors that provide resources.

So far, the literature on human rights activism takes the (uncritical) views of involved actors for granted or lack empirical analysis. Therefore, based on a combination of Pierre Bourdieu’s reflexive sociology and resource mobilization theory this dissertation has chosen to conduct thorough archival to explain why certain types of activism were successful and others were not.

The case study of the dissertation is the International Helsinki Federation for Human Rights (IHF), a federation of so-called Helsinki groups that monitored their governments on the compliance of the Helsinki Final Act that was signed in August 1975 by the US, Canada, the European states except Albania, and the Soviet Union. Established in 1982, the IHF was formed at the initiative of Helsinki Watch, the predecessor of Human Rights watch, and was funded primarily by the Ford Foundation, the American philanthropic organization. In joining the IHF, these Helsinki groups engaged themselves in promoting the human rights principles of the Helsinki Final Act and were at the same time involved in a competition for resources.

Parsing the history of Helsinki human rights activism from 1975 to 1995 each chapter analyzes a point of crystallization in which the tension between principles and interests came to the fore. The empirical analysis starts in chapter 2 with a discussion on the formation of Helsinki Watch and encompasses the period 1975-1982. In contrast to the literature, Helsinki Watch was not the first and certainly not the only American NGO interested in the Helsinki Act. What we remember today as the American Helsinki committee was the project that survived the various conflicts that existed within the human rights field.

Chapter 3 examines the reasons for Helsinki Watch to form a European-based federation of Helsinki groups in September 1982. As was the case with the formation of Helsinki Watch, the establishment of the IHF had more to do with conflicts of interests than with principles. The ongoing tension with the Ford Foundation, the inauguration of the Reagan administration, and the coming to halt of the Helsinki process all threatened the survival of Helsinki Watch. It came up with a two-way solution: expansion towards Europe with the IHF, and expansion towards Central- and South-America with the Americas Watch. Moreover, there was already a European initiative called the European Helsinki Group/International Helsinki Association with very similar goals. In finding out why this European group was ignored, we understand how Helsinki Watch handled the tension between principles and interests.

The next chapter discusses in three parts how the IHF and its members developed during the years 1982-1988. By looking at the relations with Helsinki Watch and the Ford Foundation, we trace why the IHF had difficulty integrating within the European human rights field. The chapter also discusses the ambivalent relation between Helsinki Watch and the Reagan administration and how it gradually developed its global ambitions that resulted into the formation of Human Rights Watch. The third part goes deeper into the failed attempts to create IHF member committees in the UK and Belgium. The analysis of these stumble blocks make clear what principles fitted what interests.

The last empirical chapter examines the consequences of the end of the Cold war for the IHF. Due to the geopolitical transformation, the federation underwent an identity and financial crisis during the years 1989-1995. While in 1989 the IHF still depended on American money and knowledge, in 1995 it was almost completely Europeanized.

These empirical chapters confirm the hypothesis that the promotion of human rights depends on the struggle for scarce resources. The paradox of human rights activism is, thus, that beneath the principles there is an inevitable struggle that inevitably leads to the distortion of these principles.

Bart De Sutter, The paradox of virtue. Helsinki human rights activism during the Cold War (1975-1995), 19 May 2015

Datum: 19 mei 2015

Locatie: Theater Het Klokhuis Kunstencentrum Vlaams Fruit - Parochiaanstraat 4 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 16 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Bart De Sutter

Promotor: Prof. dr. Maarten Van Ginderachter

Co-promotor: Prof. dr. Samuel Moyn

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Bart De Sutter - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

 

Abstract

Human rights activists are devoting their time, knowledge and often their own money to a cause in which they have no direct and immediate benefit. In doing so they practice virtue. Interested in the fate of people far away they are guided by the principle to promote human rights everywhere for everyone. But just like anyone else they have to deploy their precious time, staff and funding carefully and strategically to achieve their goals. No NGO is capable of addressing all human rights violations no matter how much funding it has or how well-equipped it is. Moreover, there are thousands of NGOs promoting universal human rights. All of them have to judiciously select their goals and are in competition with each other. The hypothesis of this study is that in order to be effective human rights activism has to fit into the interests of those actors that provide resources.

So far, the literature on human rights activism takes the (uncritical) views of involved actors for granted or lack empirical analysis. Therefore, based on a combination of Pierre Bourdieu’s reflexive sociology and resource mobilization theory this dissertation has chosen to conduct thorough archival to explain why certain types of activism were successful and others were not.

The case study of the dissertation is the International Helsinki Federation for Human Rights (IHF), a federation of so-called Helsinki groups that monitored their governments on the compliance of the Helsinki Final Act that was signed in August 1975 by the US, Canada, the European states except Albania, and the Soviet Union. Established in 1982, the IHF was formed at the initiative of Helsinki Watch, the predecessor of Human Rights watch, and was funded primarily by the Ford Foundation, the American philanthropic organization. In joining the IHF, these Helsinki groups engaged themselves in promoting the human rights principles of the Helsinki Final Act and were at the same time involved in a competition for resources.

Parsing the history of Helsinki human rights activism from 1975 to 1995 each chapter analyzes a point of crystallization in which the tension between principles and interests came to the fore. The empirical analysis starts in chapter 2 with a discussion on the formation of Helsinki Watch and encompasses the period 1975-1982. In contrast to the literature, Helsinki Watch was not the first and certainly not the only American NGO interested in the Helsinki Act. What we remember today as the American Helsinki committee was the project that survived the various conflicts that existed within the human rights field.

Chapter 3 examines the reasons for Helsinki Watch to form a European-based federation of Helsinki groups in September 1982. As was the case with the formation of Helsinki Watch, the establishment of the IHF had more to do with conflicts of interests than with principles. The ongoing tension with the Ford Foundation, the inauguration of the Reagan administration, and the coming to halt of the Helsinki process all threatened the survival of Helsinki Watch. It came up with a two-way solution: expansion towards Europe with the IHF, and expansion towards Central- and South-America with the Americas Watch. Moreover, there was already a European initiative called the European Helsinki Group/International Helsinki Association with very similar goals. In finding out why this European group was ignored, we understand how Helsinki Watch handled the tension between principles and interests.

The next chapter discusses in three parts how the IHF and its members developed during the years 1982-1988. By looking at the relations with Helsinki Watch and the Ford Foundation, we trace why the IHF had difficulty integrating within the European human rights field. The chapter also discusses the ambivalent relation between Helsinki Watch and the Reagan administration and how it gradually developed its global ambitions that resulted into the formation of Human Rights Watch. The third part goes deeper into the failed attempts to create IHF member committees in the UK and Belgium. The analysis of these stumble blocks make clear what principles fitted what interests.

The last empirical chapter examines the consequences of the end of the Cold war for the IHF. Due to the geopolitical transformation, the federation underwent an identity and financial crisis during the years 1989-1995. While in 1989 the IHF still depended on American money and knowledge, in 1995 it was almost completely Europeanized.

These empirical chapters confirm the hypothesis that the promotion of human rights depends on the struggle for scarce resources. The paradox of human rights activism is, thus, that beneath the principles there is an inevitable struggle that inevitably leads to the distortion of these principles.

Steven Thiry, Matter(s) of State. Heraldic Display and Discourse in the Early Modern Monarchy (c. 1480-1650), 5 February 2015

Datum: 5 februari 2015

Locatie: Promotiezaal, Klooster van de Grauwzusters - Lange Sint-Annastraat 7 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Steven Thiry

Promotor: Prof. dr. Luc Duerloo

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Steven Thiry - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

 

Abstract

Heraldische representatievormen doordrongen de politieke cultuur van de vroegmoderne monarchie. Elk toonaangevend regime articuleerde in de loop van de middeleeuwen een kenschetsend heraldisch patrimonium, dat zowel het gestileerde vorstelijke wapenschild in enge zin omvatte alsook de praktijken, allusies en toepassingen die van dit centrale teken waren afgeleid. Het vormde niet alleen het decor voor indrukwekkende dynastieke ceremonies, maar was ook alomtegenwoordig in de sociale interactie. In de vorm van een tastbaar object markeerde het schild van de heerser letterlijk de publieke ruimte: men bracht het aan op residenties, paleizen, religieuze architectuur, stadspoorten, grenspalen, munten, zegels, maten en gewichten, officieel drukwerk etc. Deze publieke dimensie belichaamde zowel de koninklijke waardigheid (majestas) als het overkoepelende politieke lichaam en de dynastieke gemeenschap. Het maakte de vorst letterlijk aanwezig op die plaatsen waar zijn fysieke persoon afwezig was. Tegelijkertijd werd ook het bredere verbond van onderdanen en territoria zichtbaar en tastbaar. Een betekenisvolle interpretatie en manipulatie van het heraldische ‘artefact’ in kwestie was bijgevolg niet voorbehouden voor enkelingen. Het kon daarentegen nagestreefd worden door eenieder die er toegang toe had in de openbare ruimte. Deze − sinds de late middeleeuwen sterk toenemende – ‘ruimtelijkheid’ breidde de mogelijkheden van toe-eigening aanzienlijk uit. Daarenboven schreven ideologische discoursen het wapenteken een verregaande continuïteit en politieke relevantie toe. Legendarische verhalen verklaarden de origine van de Franse fleurs de lis, de rode barras van de Aragonese kroon of de kettingen van Navarra aan de hand van miraculeuze goddelijke interventies. Of ze projecteerden hun ontstaan terug tot in een preheraldische, feodale tijd. Andere contemporaine duidingen verbonden de externe karakteristieken van figuren en kleuren met intrinsieke deugden en kwaliteiten die men van belang achtte voor een goed en rechtvaardig bestuur. Dankzij de ontwikkeling van de drukkunst namen zulke literaire herwerkingen eveneens sterk toe in omvang, impact en toegankelijkheid. De symbolische interpretaties raakten vervlochten met andere genres in de context van bredere historiografische projecten, juridische compendia, pamfletliteratuur, prognosticaties en populaire embleemboeken.

Tot nog toe hadden historici voornamelijk oog voor de functies van ‘middeleeuwse’ heraldiek. Post-vijftiende-eeuwse exponenten, vooral in een monarchale gedaante, werden veelal afgedaan als voorbijgestreefde en uitgeholde restanten. Gemonopoliseerd door een sterk doorgedreven overheidsregulering, zouden ze nauwelijks nog een noemenswaardige impact hebben gehad buiten het louter bevestigen van macht. Het voorliggende proefschrift bestudeert de vroegmoderne heraldische symboliek echter als een dynamische code én instrument dat voortdurend werd ge(her)interpreteerd in het licht van verschillende politieke noden en omstandigheden. In de lijn van innovatief onderzoek naar staatsvorming als een intensieve praktijk van onderhandeling, gaat het na hoe uiteenlopende en vaak zelfs competitieve methodes van toe-eigening de politieke gemeenschap verbeelden, definieerden en in zekere zin zelfs vormgaven. In plaats van de aandacht uitsluitend te richten op de toplaag van de maatschappij, analyseert het – in de mate waarin het gefragmenteerde bronnenmateriaal dat toelaat – betekenisgeving op verscheidene niveaus.

De mechanismen en strategieën achter visuele representatie zijn voornamelijk zichtbaar wanneer ze in vraag werden gesteld in een atmosfeer van controverse. Daarom is een selectie van case studies gebaseerd op crisismomenten: specifieke polemieken rond heraldische figuren, voorvallen van ‘heraldisch iconoclasme’ en conflicten rond de ‘usurpatie’ van het koninklijk blazoen. In dit opzicht was vorstelijke heraldiek allerminst een inhoudsloos feodaal relict, noch functioneerde het enkel als een visueel kanaal voor communicatief eenrichtingsverkeer of onomwonden top-down propaganda. Integendeel, voor alle actieve betrokkenen – een groep die zich niet enkel beperkte tot de soeverein en de kunstenaars of ideologen in zijn of haar dienst – was de heraldische belichaming van de staat een essentiële schakel in het politieke proces. Heraldisch vertoon en vertoog vormden doelgerichte kanalen waarlangs men wel degelijk een politiek effect nastreefde.

Dit onderzoek toont aan dat een veel bredere groep van individuen vertrouwd was met zulke complexe beelden dan tot nu toe werd aangenomen. Betekenisgeving verschilde naargelang de specifieke interpretaties en handelingen van koningen, aristocraten, erudieten en gewone onderdanen – waarbij ook die laatsten initiatiefnemers konden zijn. Met andere woorden: symbolische unanimiteit of harmonie was niet noodzakelijk gebaseerd op een al dan niet ‘juiste’ receptie van beelden. Het werd veeleer bepaald door de mate waarin veelvormige strategieën en visies op elkaar afgestemd raakten. Zo waren de ideologische ficties die men weefde rond de tekens in kwestie, geenszins nietszeggende façades. Ze interageerden meestal met diepzinnige debatten over het al dan niet goed functioneren van het politieke lichaam. Discursieve bewerkingen van wapensagen en de emblematische lezing van kleuren en heraldische stukken moesten tegenwicht bieden aan binnenlandse onzekerheden. Of ze bestreden de internationale pretenties van rivaliserende regimes. Bijgevolg waren de literaire beschouwingen nauwelijks een kritiekloze ophemeling van de gevestigde macht. Ze werden daarentegen gemotiveerd vanuit de zoektocht naar de ware vorm van tijdloze tekens en hun idealen, waarnaar de vergankelijke monarch zich diende te schikken om een situatie van crisis het hoofd te bieden. Bovendien waren tijdgenoten er stellig van overtuigd dat er een haast organische band bestond tussen de externe attributen van de macht en de autoriteit die ze verbeelden. In die logica trachtten concrete heraldische praktijken dan ook een verstoorde of aangetaste orde opnieuw te herstellen. Heraldisch iconoclasme vormde daarbij, zonder enige twijfel, de meest verregaande vorm van publieke manipulatie. Losstaand van een elitaire context werd het vooral ondernomen wanneer een populaire contestatie van het monarchaal beleid haar hoogtepunt bereikte.

Het instrumentaliseren van wapensymboliek was dus veelal een performatieve en collectieve activiteit waarin politieke banden (die geen a priori bestaan kenden) werden gesmeed − of net ontrafeld. Toch was die voortdurende toe-eigening ook gebonden aan bepaalde grenzen. Niet enkel menselijke actoren stuurden het proces van interpretatie en herwerking. Ook de wapenschilden zelf zorgden, in zekere zin, voor een verregaande input die opereerde buiten de persoonlijke wil van de betrokkenen om. Allereerst dienden de tekens fysiek aanwezig te zijn alvorens geritualiseerde handelingen ze konden betrekken in een constructieve dialoog. Daarenboven was er de interne configuratie van de composities en de conventionele praktijken die hiermee samenhingen. Zulke conventies hadden zich over de eeuwen heen ontwikkeld tot vrijwel algemeen aanvaarde monarchale doctrines die, hoewel ze geen onbreekbare regels vormden, het visuele gedrag mee bepaalden. Binnen deze marges moest het nastreven van een stabiel symbolisch evenwicht tussen de interpretaties van verschillende belanghebbenden het bestaan van orde en hiërarchie garanderen. In dat opzicht kan men stellen dat de uiteenlopende strategieën van heraldische toe-eigening een belangrijke – zij het niet rechtlijnige – bijdrage leverden aan de staatsvorming.

English abstract

By the sixteenth century, every regime had developed its own armorial patrimony consisting of prominent signs and associated practices. Increasingly defined as an inalienable prerogative, the royal coat of arms acquired its own history, mythology, and iconographic tradition. As a material artefact it pervaded social interaction, appearing on seals, monuments, town gates, coinage and various other media. More than being a mark of ownership or a signet to authorize the sign basically multiplied the ruler in every part of the dominion and disclosed the complete body politic. Ideological narratives furthermore attributed it a far reaching continuity and political relevance. Yet, so far, historians only paid attention to medieval exponents. When the subject is tackled within a broader survey on princely image-building it is usually set aside as another instance of confirmative propaganda. This dissertation, however, revalues royal heraldry as a vital instrument for the negotiation of power. It particularly argues that the political instrumentalization of royal arms, through both discourse and display, was in fact a performative exercise that − to a great extent − established political bonds. Continuous strategies of heraldic appropriation created new meaning in an interactive interplay of actors and circumstances – both from above and from below. What were the motivations and limits? Which actors were involved? What does it reveal about the role of seemingly static images in the vibrant political field? In this respect, a comparison between the French and Spanish Monarchies reveals significant similarities and differences. Because the precise mechanisms and strategies of appropriation are pre-eminently visible when they are questioned openly, the study is built around representative case studies of specific controversies and moments of crisis. The successive chapters delve deeper into several aspects such as heraldic polemics, literary (re)interpretation, the agency of heraldic artefacts, the subversive potential of royal grants of arms and very significant yet understudied exploits of heraldic iconoclasm. As such, this study yields new insight in the self-conception of monarchies and the rich visual world that structured men’s political behaviour.

Maïka De Keyzer, The Common Denominator. The Survival of the Commons in the Late Medieval Campine Area, 19 December 2014

Datum: 19 december 2014

Locatie: Het Auditorium, FelixArchief - Oudeleeuwenrui 29 - 2000 Antwerpen

Tijdstip: 15 uur

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Maïka De Keyzer

Promotor: Prof. dr. Tim Soens

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Maïka De Keyzer - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

 

Abstract

Is inclusiveness in the commons and sustainability a paradox? Late medieval and Early Modern rural societies encountered ever growing challenges because of growing population pressure, urbanisation and commercialisation. While some regions went along this path and commercialised and intensified production, others sailed a different course, maintaining communal property and managing resources via common pool resource institutions. To prevent overexploitation and free riding, it was generally believed that strong formalised institutions, strict access regimes and restricted use rights were essential.

By looking at the late medieval Campine area, a sandy, infertile and fragile region, dominated by communal property and located at the core of the densely populated and commercialised Low Countries, it has become clear that sustainability, economic success and inclusiveness can be compatible. Because of a balanced distribution of power between smallholders and elites, strong property claims, a predominance of long-term agricultural strategies and the vitality of informal institutions and conflict resolution mechanisms, the Campine peasant communities were able to avert ecological distress while maintaining a positive economic climate.

Eline Van Onacker, Hoeders van de dorpsgemeenschap? Dorpselites en sociale structuren in de vijftiende- en zestiende-eeuwse Kempen, 19 May 2014

Datum: 19 mei 2014 

Locatie: UAntwerpen - Stadscampus - Tassiszaal - Prinsstraat 13 - 2000 Antwerpen 

Tijdstip: 15 uur 

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis

Promovendus: Eline Van Onacker 

Promotor: Prof. dr. Tim Soens, Erik Thoen 

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Eline Van Onacker - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis 


Abstract 

De dorpsgemeenschappen in de vijftiende- en zestiende-eeuwse Kempen werden gedomineerd door klein boerenbezit en gekenmerkt door sterk uitgebouwde communale verbanden, die nauw samengingen met de alomtegenwoordige gemene gronden, die tot het einde van het Ancien Regime het Kempische landschap bleven domineren. De vraag die centraal stond in deze thesis was dan ook: hoe zag een elite eruit in een echte ‘peasant’-samenleving, waar veel minder ruimte was voor distinctie en de creatie van afhankelijkheidsverbanden dan in meer gepolariseerde samenlevingen. Wat waren de kenmerken van een dorpselite in een regio als de Kempen? En wat was de link tussen het specifieke karakter van Kempische dorpselites en de stabiliteit en continuïteit die de Kempen als regio kenmerkt, van de late middeleeuwen tot de negentiende eeuw?

Een eerste stap in het beantwoorden van deze vragen was de reconstructie van de precieze manoeuvreerruimte die deze dorpsgemeenschappen precies ter beschikking hadden. De feodale / heerlijke druk op deze samenlevingen was bijvoorbeeld eerder beperkt. De feodale structuur was sterk verbrokkeld, wat de greep van heren op deze dorpen sterk inperkte. Heerlijke lasten waren ook eerder beperkt; de enige significante last was het maalgeld dat moest betaald worden bij gebruik van de banmolens. Hetzelfde kan gezegd worden over de druk (i.c. belastingsdruk) van de ‘prille’ Bourgondische en Habsburgse staat. De som die dorpsgemeenschappen als geheel moesten ophoesten was veeleer bescheiden te noemen en vormde slechts een zeer beperkt deel van het gemiddelde boereninkomen. Enkel in crisisjaren was de betaling van heerlijke en statelijke lasten vermoedelijk een hele uitdaging en een echt probleem.

We weten dus dat de dorpsgemeenschappen als geheel heel wat manoeuvreerruimte hadden, maar dat betekent natuurlijk niet dat ieder lid van de gemeenschap daar op dezelfde manier van kon profiteren. Sociale ongelijkheid was een factor van belang – ook in peasant samenlevingen. Het reconstrueren van de sociale structuur en het identificeren van verschillende sociale groepen (waaronder ook de dorpselite) bleek dus absoluut essentieel. De reconstructie van bezitsverhoudingen is de beste manier om hier licht op te werken. Drie verschillende groepen konden onderscheiden worden. Allereerst een groep van ‘micro-smallholders’, die minder dan 1 hectare bewerkten, ver onder het subsistentieniveau zaten, wat vermoedelijk betekende dat ze nood hadden aan een substantieel additioneel inkomen en sterk afhankelijk waren van de gemene gronden. Vervolgens een groep die ik labelde als ‘cottagers’, die tussen 1 en 3 hectare bewerkten, wat nog steeds een additioneel inkomen noodzakelijk maakte, zeker in tijden van crisis. Beide groepen maakten ongeveer 30 procent uit van de dorpsgemeenschap, al verschilde het exacte aantal enigszins van dorp tot dorp. Dan waren er de peasants die meer dan 3 hectare bewerkten, waarvan een groot deel zelfs meer dan 5 of 10 hectare. Het grootste deel van dit land was cijnsgrond, wat betekent dat deze boeren een zeer sterke greep hadden op alvast dit productiemiddel. Deze independent peasants bewerkten voldoende land om zichzelf van voedsel te voorzien en waren ook de ultieme ‘mixed farmers’, aangezien hun bedrijven deels uit akkerland en deels uit weiland samengesteld waren. Deze groep was de echte elite van de Kempische dorpssamenlevingen. Deze reële ongelijkheid vertaalde zich ook in fiscale ongelijkheid, maar niet letterlijk. De Gini-coëfficiënten op basis van belastingslijsten schommelden rond 0.6, terwijl die op basis van grondgebruik ongeveer 0.5 bedroegen. Ik schoof de hypothese naar voor dat de rijkste 30 procent van het dorp  - wat ruwweg overeenstemt met de groep van independent peasants – meer bijdroeg aan de dorpsbelastingen dan hun eigenlijke bezit vereiste. Op die manier speelden de pre-moderne belastingen een rol als embryonaal herverdelingsmechanisme, wat ook in het belang was van de elite zelf, aangezien die zo orde en stabiliteit binnen hun gemeenschap konden garanderen.

Toch rustte de positie van deze elite niet enkel op hun grondbezit, de 3 C’s waren minstens even belangrijk: controle over de commons, commerciële activiteiten en controle over de dorpsgemeenschap. Deze aspecten kwamen dan ook ruimschoots aan bod. Wat de gemene gronden betrof, daar was het duidelijk dat deze ‘independent peasants’ heel wat voordeel haalden uit het gebruik van deze gemene gronden, meer dan hun buren. Zij konden er maaien, turf halen en schapen laten grazen. En ze gebruikten de gemene gronden niet alleen, ze hadden ook de formele controle over het beheer in handen – samen met de vertegenwoordiger van de heer, de baljuw. Het formuleren van de regels en het controleren op de naleving ervan gebeurde voornamelijk door of onder het toezicht van deze groep. Deze formele dominantie vertelt echter niet het volledige verhaal. Op een informeel niveau was er wel wat onderhandelings- en manoeuvreerruimte  en konden ook dorpelingen uit lagere ‘klassen’ hun visie kenbaar maken, onder meer door symbolische acties.

De ‘independent peasants’ waren ook in staat om te profiteren van een zekere mate van marktintegratie. Vooral hun schapenbezit speelde een belangrijke rol op dit vlak. De independent peasants waren de belangrijkste schapenkwekers van de Kempische dorpen, vaak met kuddes van een 50 tot 100 dieren. Hun vlees en wol konden deze groep van een belangrijke vorm van extra inkomsten voorzien. Deze groep was ook meer dan gemiddeld actief op de Kempische land- en kredietmarkten. Deze activiteiten waren echter niet gericht op accumulatie van land of kapitaal, en speelden dus geen rol in een polarisatieproces. Ze waren daarentegen vooral van belang in een peasant life-cycle model, bij het af- of opbouwen van een bedrijf en om in datzelfde bedrijf te investeren.

In een volgende hoofdstuk werd aandacht besteed aan de groep die in de traditionele historiografie vaak naar voor wordt geschoven als de ultieme economische plattelandselite: de pachtboeren. Pacht was een zeer beperkt fenomeen in de Kempen, waar nooit meer dan 25 percent van alle percelen werd verpacht. Grote pachthoeves waren ook niet ontzettend veelvoorkomend; vooral beperkt door de dorpen die toebehoorden aan de Abdij van Tongerlo en enkele andere kernen (Wuustwezel bijvoorbeeld, waar het Antwerpse  Sint-Elisabethgasthuis een aantal hoeves verpachtte). Deze pachtboeren verschilden qua landbouwstrategie eigenlijk niet eens zo ontzettend van gewone Kempische peasants. Hun bedrijven waren natuurlijk veel groter, maar ook zij combineerden akkerbouw en veeteelt, en subsistentielandbouw (evenwel vooral gericht op het voorzien van landheer) met commerciële activiteiten, vooral gelinkt aan het kweken van vee en schapen. De landheer (i.c. de abdij van Tongerlo) speelde een zeer sturende rol in het voorschrijven van specifieke landbouwstrategieën, waardoor deze pachtboeren misschien wel minder onafhankelijk waren dan de echte peasant-elite. Deze pachtboeren waren zeker geen outsiders in de dorpsgemeenschap, ze waren vaak generaties lang aanwezig in bepaalde dorpen en speelden vaak een rol in het dorpsleven, bijvoorbeeld als schepen. Toch slaagden ze er nooit in het dorpsleven compleet te domineren, dat bleef het ‘voorrecht’ van de independent peasants.

Deze independent peasants onderscheidden zich niet alleen op het economische vlak, door hun grote greep op hun eigen productiemiddelen, op de commons en door hun commerciële strategieën, ook hun (politieke en sociale) greep op het dorpsleven was bijzonder groot. Zeker op het formele-institutionele niveau controleerden zij de dorpsgemeenschap. Het melior pars van de Kempische samenleving – de 30 procent independent peasants – had een quasi-monopolie op schepenambten en op de functie van belastingsambtenaar. Dorpsbestuur en – administratie werden dus duidelijk sterk gedomineerd door deze groep. Maar, net zoals bij het bestuur van de Kempische gemene gronden was er een sterke informele participatiecomponent aanwezig. Er was verder ook duidelijk ruimte voor het uiten van afwijkende meningen, aangezien dus soms zelfs formeel werden genoteerd. Er waren dus duidelijk verschillende mechanismen aanwezig die ‘lagere’ sociale groepen toelieten om hun visie en bekommernissen duidelijk te maken, wat vermoedelijk ook essentieel was om orde en stabiliteit te vrijwaren.

Ook de sociale component van het dorpsleven werd in belangrijke mate door hen vormgegeven. Ze stuurden niet enkel de armenzorg, maar beheerden ook de kerkfabriek. Opnieuw werden de formele ambten gedomineerd door dezelfde groep independent peasants. Toch waren armenzorg en kerkelijke activiteiten behoorlijk inclusief. De Kempische armenzorg ondersteunde een relatief brede groep en was ook behoorlijk substantieel.  De uitgebreide Kempische armenzorg kon gedeeltelijk verklaard worden door de specifieke economische structuur van de Kempen, met een grote groep dorpelingen met mini-bedrijfjes, vermoedelijk afhankelijk van de seizoensarbeid van het mannelijke huishoudhoofd. Ouderdom of weduwschap kon mensen in deze omstandigheden dan ook heel kwetsbaar maken. Dat laatste gold trouwens even goed voor de groep independent peasants. Hun eigen kwetsbaarheid en hun hang naar stabiliteit binnen de dorpsgemeenschap zijn, naar alle waarschijnlijkheid, de belangrijkste verklaringen.

Deze scriptie kon dus effectief een groep identificeren die de stempel elite verdient. Deze groep onderscheidde zich voornamelijk door haar onafhankelijkheid, wat zich uitte in een grote controle over de eigen – en bij uitbreiding de  dorps – productiemiddelen.  De combinatie van subsistentie-akkerbouw en veeteelt die grotendeels op de markt gericht was, droeg hier ook toe bij, net als hun uitgebreide greep op de formele dorpsinstituties die het leven op het Kempische platteland vormgaven. Een verschil met de klassiekecoqs de village elites in meer gecommercialiseerd en gepolariseerde regio’s is de afwezigheid van sterk uitgebouwde economische afhankelijkheidsrelaties, vooral op het vlak van arbeid. Het kernkenmerk van de Kempische samenleving is de aanwezigheid van een sociale balans, een convivium tussen de dorpselite en andere sociale groepen. De ‘independent peasants’ hadden er alle belang bij dit convivium in stand te houden en dus ook ruimte te laten voor participatie, inbreng en zelfs protest van andere groepen, aangezien zij er de voornaamste begunstigde van waren. Stabiliteit en continuïteit zijn dus de kernwoorden, maar deze konden enkel gevrijwaard worden door de aanwezigheid van bepaalde herverdelingsmechanismen (de gemene gronden, belastingen, armenzorg) en door ruimte te laten voor (informele) participatie en onderhandeling.

 

Michael Auwers, The Island and the Storm: A Social-Cultural History of the Belgian Diplomatic Corps in Times of Democratization, 1885-1935, 30 April 2014

Datum: 30 april 2014 

Locatie: Nottebohmzaal, Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience - Hendrik Conscienceplein 4 - 2000 Antwerpen 

Tijdstip: 15 uur 

Organisatie / co-organisatie: Departement Geschiedenis 

Promovendus: Michael Auwers 

Promotor: Prof. dr. Marnix Beyen 

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Michael Auwers - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis

 

Abstract 

The Island and the Storm onderzoekt hoe processen van democratisering zich hebben gemanifesteerd in de evolutie van de diplomatieke cultuur. Ze richt zich daarbij op het Belgische diplomatieke corps als gevalstudie en bestudeert de sociale en professionele praktijken en vertogen van de leden van dat corps. Op die manier werpt ze een licht op een fundamentele fase in de overgang die het diplomatieke corps heeft doorgemaakt van een Europese, aristocratische broederschap naar de internationale, meritocratische elite die het vandaag is. Daarnaast draagt deze studie bij aan ons inzicht in het onderhandelingsproces tussen wat zou kunnen omschreven worden als ‘premoderne’ en ‘moderne’ manieren om de internationale betrekkingen op te vatten en te organiseren.

The Island and the Storm bestrijkt de jaren tussen ruwweg 1885 en 1935. In deze periode brachten met name verschillende uitbreidingen van het stemrecht en de opkomst van de massamedia in België een gevoelige verruiming van de politieke democratie teweeg. Dit zorgde ervoor dat, om Aristoteles en zijn theorie van de gemengde regeringsvorm te parafraseren, de triangulaire relatie tussen de ene, de weinigen en de velen aanzienlijk veranderde, zowel op het vlak van de binnenlandse als op dat van de buitenlandse politiek. In dit verhaal is de ene de Belgische Koning, zijn de weinigen de Belgische regeringsleden en de velen het Belgische publiek, wiens opinies over diplomaten en diplomatie voornamelijk werden vertolkt in het parlement en in de pers. Deze studie onderzoekt de veranderende relatie tussen die drie polen vanuit het perspectief van de Belgische diplomaten. Zeker in het begin van deze periode stonden die heel dicht bij de ene. De associatie tussen de Koning en de diplomaten kwam echter onder druk te staan in de nasleep van de twee belangrijkste episoden uit de Belgische diplomatieke geschiedenis van de onderzochte tijdspanne. Het gaat dan over de verwerving van een kolonie door Koning Leopold II in 1885 en over de Eerste Wereldoorlog, die uitbrak in 1914. Zij het met een verschillende intensiteit, hadden beide episoden een voelbare impact op democratiseringsprocessen in België.  

Kaspar Beelen, Tussen 'ik' en 'wij'. Zelfrepresentatie in parlementaire vertogen (1840-1940), 16 January 2014

Datum: 16 januari 2014 

Locatie: UAntwerpen, R-Annexe - Rodestraat 14 - 2000 Antwerpen 

Tijdstip: 15 uur 

Organisatie / co-organisatie: Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis 

Promovendus: Kaspar Beelen 

Promotor: Prof. dr. Marnix Beyen 

Korte beschrijving: Doctoraatsverdediging Kasper Beelen - Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Departement Geschiedenis 


Abstract 

Het parlement is vaak verguisd als een "praatbarak" of een "stemmachine". Ook politieke historici vertoonden tot voor kort niet zoveel interesse voor wat er zich in deze institutie afspeelde. Aan de kerntaken van het parlement - het representeren via een deliberatief debat - hechtten zij maar weinig belang. Het parlementaire taalgebruik, zo poneerden zij, was eerder een mistgordijn dat verhinderde om de werkelijke machinaties van de macht te ontleden. Dit doctoraat plaatst het politieke taalgebruik terug centraal en het onderzoekt hoe via taal machtsposities worden onderhandeld, hoe volksvertegenwoordigers identiteiten "smeden" door hun vertogen heen, kortom: het bestudeert de rol en functie van zelfrepresentaties als onderdeel van de parlementaire retoriek.

In tegenstelling tot wat gangbaar is binnen de politieke geschiedenis, focust dit doctoraat niet op de gewichtige en ideologisch geladen begrippen, maar gaat de aandacht uit naar de "kleine woordjes", en hoofdzakelijk naar persoonlijke voornaamwoorden zoals "ik" en "wij". Niet zozeer de inhoud – dat “wat” politici zeggen – vormt het onderzoeksobject, als wel de stijl van hun optreden, hun gebruik van kleine maar hoogfrequente stijlwoordjes. Binnen de linguïstiek behoren “ik” en “wij” tot de "persoondeixis", daar ze de spreker verankeren in een interpersoonlijk netwerk. Deze woordjes zijn dus door en door sociaal, ze tonen hoe individuen de sociale wereld ordenen, welke rollen ze zichzelf toeschrijven en met welke groepen ze solidariteit signaleren. Juist omdat deze talige elementen zo vaak voorkomen, en vaak zelfs ontglippen aan de reflexieve controle van de spreker, bieden ze een interessante invalshoek om politieke vertogen te bestuderen over langere termijn.

De schriftelijke neerslag van parlementaire debatten werd verspreid via de Parlementaire Handelingen. Als sinds 1830 noteerde een legertje stenografen ijverig ieder woord dat in het Paleis der Natie weerklonk, wat over de jaren heen een massa aan bronnenmateriaal heeft opgeleverd. Voor de bestudeerde periode (1840-1940), bevatte het corpus zo’n 180 miljoen woorden. Om zo’n gigantische database te lijf te gaan, volstaan de klassieke “manuele” methoden niet langer, en daarom dat ik me in grote mate heb bediend van elektronische technieken, ontleend aan de opbloeiende “digital humanities”, om informatie uit het corpus te vergaren. In plaats van me louter toe te leggen op “close reading” van bronfragmenten, analyseerde ik ook via “distant reading” hoe vormen van zelfrepresentatie evolueerden in tijden van democratisering.

De klemtoon ligt op de ontwikkelingen vanaf 1840 tot voor de Tweede Wereldoorlog. In deze periode ondergingen de parlementaire instituties een metamorfose. Bij de oprichting van de Belgische staat, besloot het Nationaal Congres enkel het stemrecht te verlenen aan een kleine groep van de welgestelden. De politiek werd beheerst door onafhankelijke notabelen. Gaandeweg in de negentiende eeuw, weerklonk de eis om het stemrecht uit te breiden steeds luider. Deze uitbreiding van de burgerlijke democratie ging gepaard met een grotere rol van politieke partijen en leidde tot een andere politieke stijl. De centrale vraag in dit doctoraat is bijgevolg hoe binnen deze context – de overgang van notabelenpolitiek naar massademocratie – de zelfrepresentaties van de Kamerleden evolueerden en in welke mate de dagelijkse parlementaire arbeid – het spreken zelf -  structureel van gedaante veranderende over de periode van ongeveer een eeuw.