Welke doelen zijn belangrijk bij remediëring?

Binnen deze website kunnen we de remediëringsbank jammer genoeg niet rechtstreeks delen. Het is dus aan jou om die zelf op te bouwen. Maar geen zorgen: we helpen je alvast op weg door te tonen hoe je met de kracht van AI prompts of instructies kan gebruiken om een taaltraject of oefeningen samen te stellen. Het materiaal zou je flexibel moeten kunnen inzetten: zowel in de brede basiszorg om alle leerlingen vooruit te helpen, als in verhoogde zorg waar dat nodig is.

Ons projectteam vertrekt vanuit de overtuiging dat de huidige onderwijsdoelen voor het secundair onderwijs te veel ruimte laten voor interpretatie. Dat is niet alleen lastig voor leerkrachten, maar ook nadelig voor leerlingen die de doelen moeten behalen. Daarom hebben we een eigen kader ontwikkeld, geïnspireerd door de onderwijsdoelen in Ierland. Dit kader focust op vier essentiële taalvaardigheden:

  1. schrijven
  2. lezen
  3. luisteren en kijken
  4. spreken

Elke vaardigheid is verder uitgewerkt in categorieën met concrete doelen. Zo kunnen we de remediëring heel gericht richten op wat leerlingen écht nodig hebben om hun taalontwikkeling volop te stimuleren.

Om de voortgang van leerlingen op te volgen, kan je gebruikmaken van het taalportfolio

1. Schrijfdoelen

Zinsstructuur
De leerling vormt een enkelvoudige zin.De leerling vormt een samengestelde zin.De leerling gebruikt leestekens.De leerling gebruikt correcte woordvolgorde (bijv., vraagzin, bijzin, inversie).

Spelling en grammatica
De leerling past spellingsregels toe.De leerling vervoegt werkwoorden.De leerling gebruikt de correcte tijd.De leerling gebruikt verschillende woordsoorten op een correcte manier (bijv., bijvoeglijk naamwoord, voorzetels).

Woordenschat
De leerling past een rijke woordenschat toe.De leerling gebruikt schooltaal correct.De leerling gebruikt vaktaal correct.De leerling past schrijftaal toe.De leerling gebruikt academische taal.

Doel en genre
De leerling gebruikt het juiste taalregister.De leerling communiceert schriftelijk (bijv., mails, brieven, SMS).De leerling solliciteert.De leerling schrijft academisch.De leerling formuleert een antwoord op een vraag.

Tekststructuur
De leerling gebruikt de gepaste tekststructuur en bouwt de tekst logisch op.

Handschrift, lay-out en presentatie
De leerling verzorgt het handschrift.De leerling gebruikt een spellingscorrector.De leerling verzorgt de lay-out.

Terug naar boven.

2. Leesdoelen

Leesmotivatie
De leerling kiest autonoom een tekst of boek.De leerling gaat in interactie over een tekst of boek.
Technisch lezen
De leerling koppelt klanken aan tekens.De leerling leest vloeiend.
Woordenschat, woordleer en woordstrategieën
De leerling gebruikt een digitaal woordenboek.De leerling benoemt woordsoorten.De leerling gebruikt woordleerstrategieën.
Tekstdoel en tekstgenre
De leerling herkent tekstdoelen.De leerling herkent tekstgenres.De leerling leest digitale teksten.
Leesbegrip
De leerling past leesstrategieën toe.De leerling maakt onderscheid tussen hoofd- en bijzaak.De leerling leest tussen de lijnen en past sturingsstrategieën toe.De leerling begrijpt figuurlijk taalgebruik.De leerling begrijpt instructies.De leerling leest rijke teksten.

Terug naar boven.

3. Luister- en kijkdoelen

Motivatie en aandacht
De leerling luistert actief gedurende langere periodes (bijv., instructies, podcast, nieuws).De leerling kiest autonoom een luistertekst.
Interactie
De leerling stelt vragen als hij/zij iets niet begrijpt.De leerling neemt actief deel aan groepswerk.De leerling kan zijn gedachten formuleren en beargumenteren.De leerling kan zich inleven in standpunten en het perspectief van anderen.
Begrip
De leerling begrijpt instructies.De leerling begrijpt langere instructieteksten.De leerling herkent dialecten en accenten.

Terug naar boven.

4. Spreekdoelen

Motivatie en spreekdurf
De leerling spreekt voor een kleine of grote groep.De leerling formuleert een mening.
Interactie en vragen
De leerling voert gesprekken in functie van groepswerk of interactieve opdrachten.De leerling formuleert en beargumenteert zijn/haar gedachten.De leerling stelt open en gesloten vragen.De leerling beantwoordt vragen op een gepaste manier.De leerling geeft op een gepaste manier feedback.
Verstaanbaarheid
De leerling spreekt op tempo met de juiste uitspraak en intonatie.
Vertellen, uitleggen en argumenteren
De leerling spreekt over specifieke gebeurtenissen en processen.De leerling geeft een presentatie.De leerling neemt deel aan debatten.

Terug naar boven.