1. Maman, L., Feldman, Y., & Levi-Faur, D. (2023). Varieties of regulatory regimes and their effect on citizens' trust in firms. Journal of European Public Policy, 30(12), 2807–2831.
- https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/13501763.2022.2134439#abstract
- https://doi.org/10.1080/13501763.2022.2134439
Dit artikel onderzoekt hoe verschillende typen reguleringsregimes – variërend van streng en hiërarchisch tot flexibel en responsief – het vertrouwen van het publiek in marktspelers beïnvloeden. De kernboodschap is dat de manier waarop regulering wordt ingericht directe gevolgen heeft voor hoe burgers en bedrijven de legitimiteit van zowel overheid als markt ervaren. Voor stakeholders laat dit zien dat de keuze voor een bepaald regime geen neutrale technische beslissing is, maar een strategische keuze die het vertrouwen kan versterken of ondermijnen. Te strikte regulering kan leiden tot wantrouwen en weerstand, terwijl te losse regulering de geloofwaardigheid van zowel overheid als markt kan aantasten. Responsieve mengvormen, waarin strengheid en samenwerking gecombineerd worden, blijken het meest effectief om vertrouwen te waarborgen.
2. SERV. (2016). Advies experimentwetgeving en regelluwe zones.
- https://www.serv.be/sites/default/files/documenten/SERV_20161031_experimentwetgeving_ADV_RAP.PDF
Het advies van de SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) uit 2016 over Experimentwetgeving en Regelluwe Zones bepleit het gebruik van experimentele regelgeving en 'proeftuinen' om innovatie te stimuleren, maar stelt strikte waarborgen voorop: deze moeten proportioneel zijn, leer- en evalueerbaar, en fundamentele rechten respecteren, om willekeur te vermijden en praktijken evidence-informed te maken.
3. Popelier, P. (2024). Signs of trustworthiness: parliaments in search of ability, benevolence and integrity. International Journal of Parliamentary Studies, 4(2), 103–107. https://doi.org/https://doi.org/10.1163/26668912-04020001
- https://doi.org/https://doi.org/10.1163/26668912-04020001
- https://repository.uantwerpen.be/docstore/d:iruaintra:345
Het is geen vanzelfsprekende taak voor een parlement om overtuigende signalen af te geven van bekwaamheid, welwillendheid en integriteit – te allen tijde, maar vooral in tijden van crisis, polarisatie of populistische opstand, in verdeelde staten of bij terugvallende regimes. De theorie van democratie is echter gebaseerd op het idee van (gecontroleerd) vertrouwen. Dit maakt de voortdurende zoektocht naar instrumenten, mechanismen en strategieën die het parlement helpen zijn betrouwbaarheid te versterken, des te belangrijker.
4. Popelier, P., & Flückiger, A. (2023). Policy evaluation in the legislative cycle. In Handbook of public policy evaluation (pp. 64–75). Edward Elgar
Het integreren van zowel ex-ante als ex-post evaluaties in de wetgevingscyclus leidt tot betere wetgeving. Wetgeving kan zo een eerlijke en optimale impact teweegbrengen op basis van bewijs, en zo bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke problemen op een relevante, efficiënte, reflexieve en eerlijke manier. Het zou de rol van de rechtbanken moeten zijn om te verifiëren of dit het geval is, wat zij voornamelijk doen door middel van de proportionaliteitstoets. Bovendien helpen evaluaties de rechtbanken bij het handhaven van fundamentele rechten en beginselen. In de praktijk blijkt de kwaliteit van regelgevingseffectbeoordelingen echter vaak gebrekkig te zijn en nemen wetgevers de evaluatieresultaten vaak niet serieus. Bovendien heeft de integratie van evaluatie in het wetgevingsproces de ontwikkeling mogelijk gemaakt van innovatieve soorten wetgeving, zoals tijdelijke wetten die aan herziening onderhevig zijn (zonsondergang- en experimentele wetgeving), wetten die zelfregulerend zijn (Damocles-wetten) of wetgeving op basis van doelstellingen (programmatische wetten). In de toekomst zou kunstmatige intelligentie die op wetgeving wordt toegepast de rol van evaluatie mogelijk kunnen hervormen.
5. Popelier, P. (2024b). What's cooking? General measures in the case of law of the European Court of Human Rights. European Convention on Human Rights Law Review, 5(2), 132–150. https://doi.org/https://doi.org/10.1163/26663236-BJA10088
Strategische deference wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Hof) gebruikt om het Verenigd Koninkrijk aan boord te houden. Dit kan worden uitgelegd als een manier om autocratische strategieën aan te pakken, maar is moeilijker te rechtvaardigen wanneer het onderscheid maakt tussen geconsolideerde democratieën. Om gezag en geloofwaardigheid te behouden, moet het Hof een schijn van consistentie handhaven. Daartoe is de 'procedurele wending' in de jurisprudentie van het Hof gepresenteerd als een ontwikkeling van het subsidiariteitsbeginsel, in overeenstemming met eerdere jurisprudentie. In dit artikel wordt echter betoogd dat procedurele argumenten op fundamenteel verschillende manieren worden gebruikt (of vermeden), wat zeer verschillende denkwijzen weerspiegelt. Het artikel onderscheidt zes benaderingen van zogenaamde 'algemene maatregelen' en legt in elk geval de onderliggende houding ten opzichte van nationale lidstaten uit. Door ze allemaal op één hoop te gooien, wordt strategische deference verhuld, waardoor een gunstiger behandeling van het VK mogelijk wordt, terwijl de schijn wordt opgehouden dat alle verdragsluitende partijen gelijk worden behandeld.