Blog

Wat opgelegde regels dan toch vermogen: quota en de rol van vrouwen in de politiek

Petra Meier en Rozemarijn van Dijk (Politieke Wetenschappen, UAntwerpen)

 

In Nederland laait in de aanloop van de verkiezingen van 2021 de discussie weer op over het lage aantal vrouwelijke politici: na de verkiezingen in 2017 was slechts 35% van de Kamerleden vrouw. Een groep D66-politici ziet een oplossing voor dit probleem in een vrouwelijke lijsttrekker. In Trouw verscheen deze week daarop een reactie: een vrouwelijke lijsttrekker zou inderdaad een (symbolisch) grote vooruitgang zijn, maar dit plan is niet ambitieus genoeg om het aantal vrouwen in de Nederlandse politiek te doen vergroten. Daarvoor moet het totaal aantal vrouwelijke kandidaten op de lijsten toenemen.

In België zouden we een dergelijk discussie in de krant niet direct verwachten. We hebben de proef op de som genomen en hebben simpelweg het aantal opiniestukken in de kranten geteld. Sinds 1 januari dit jaar zijn er in De Standaard en De Morgen 20 opiniestukken gepubliceerd waar het woord ‘vrouwen’ en ‘politiek’ in voor kwam. Als we deze gegevens vergelijken met twee soortgelijke Nederlandse kranten, De Volkskrant en Trouw, dan komen we uit op 32 artikelen. Een verschil van meer dan 50 procent. Hoe kan dat?

Een mogelijke verklaring is het verschil in de institutionele context. Beide landen hebben een proportioneel systeem en hebben de mogelijkheid tot voorkeursstemmen. Maar, er is een groot relevant verschil: het bestaan van gender quota op de kandidatenlijsten. Al sinds 1994 is er een gender quotum wat in de loop der jaren nog verder is uitgebreid. Nu moeten Belgische kieslijsten evenveel mannen als vrouwen tellen, terwijl in Nederland de partijen hierin totaal vrij zijn. Een tweede belangrijk verschil is als volgt: in tegenstelling tot België heeft Nederland nog nooit een vrouwelijke regeringsleider gehad. Toen Sophie Wilmès aantrad, was dit in Nederland groot nieuws (zie bijvoorbeeld ‘In België lukt het wel’). Toegegeven, ook voor België was het een primeur om een vrouwelijke premier te hebben op federaal niveau, maar daar was in de kranten toch weinig van te merken. Het was immers geen onbekend terrein. Liesbeth Homans volgde van juli tot oktober 2019 kortstondig Geert Bourgeois op als minister-president van de Vlaamse regering. En Laurette Onkelinx leidde in de jaren negentig zes jaar lang de Franse Gemeenschapsregering.

Wil dit dan zeggen dat het debat over politieke emancipatie van vrouwen in België is uitgespeeld? Dat is niet het geval: één zwaluw maakt nog geen zomer. Nog steeds zijn vrouwen ondervertegenwoordigd in de politiek uitvoerende organen, zoals bijvoorbeeld de ministerposten. Daarnaast is slechts 14,5 procent van de burgemeesters vrouw. Ook in de media is er nog flink wat te winnen. Vrouwelijke politici worden nog te vaak in het stereotype hokje geplaatst of hebben simpelweg minder toegang tot de media.

België is dus nog geen egalitaire samenleving. Maar de quotawetten hebben wel zeker resultaat gehad: de Belgische politiek telt verhoudingsgewijs veel vrouwelijke verkozen mandatarissen. Bovendien is er het besef dat een vrouwelijke lijsttrekker er moet zijn, maar niet om ervoor te zorgen dat er nog meer vrouwen in de politiek horen. Daar blijven de partijen verantwoordelijk voor: de quotawet dicteert immers niet wie er uiteindelijk verkozen wordt. Partijen plaatsen vrouwen nog steeds lager op de lijsten dan mannen. Kortom, ook in België is, ondanks het gender quotum en de vrouwelijke premier of minister-presidenten, nog wat te winnen. In de aanloop naar de volgende verkiezingen wordt het zeker weer tijd om in de pen te kruipen en om ook de Belgische partijen beter bewust te maken van deze verantwoordelijkheid. 

Scratching a brick wall

Katrien Schaubroeck and Leni Van Goidsenhoven (Centre for Ethics, University of Antwerp)


All images are courtesy of Sara Ahmed, see her website www.feministkilljoys.com. Quotes are from the slides that were projected during her talk, or from her book "Living a feminist life", Duke University Press, 2017.

On February 18th, on Audre Lorde’s birthday (to whom the lecture was dedicated), feminist killjoy Sara Ahmed talked to a full Kaaitheater about doors. More precisely about closing, slamming, hitting doors. The title of her lecture was “Closing the door. Complaint as diversity work.” She did not only talk about closing doors, but also about revolving doors, about brick walls and long corridors. She talked about how doors can be slammed upon you when you try to enter as being invited but not welcomed, or how you can feel trapped in a revolving door, hit by a brick wall, and disoriented in endless corridors. These doors, corridors and brick walls are not mere metaphors. Doors, corridors and walls are hard materials we can be hit by. And if we are hit by something, we become conscious of something. You learn that tangibility is real: the encounter reveals a quality of hardness that would otherwise stay unnoticed. Diversity work, Ahmed argues, involves such an encounter between things: “Watch what happens. Ouch.” (Ahmed, 2017: 138) Ahmed knows about the latter from her own experience: she quit her job at Goldsmiths, University London in protest over how sexual harassment cases were dealt with.

The starting point in the talk is the act of filing a complaint as non-reproductive labour, as the work you have to do not to reproduce an inheritance. Ahmed interviewed students and academic employees who issued a complaint against their university for sexual harassment, racial intimidation, unfair arrangements for ill people, unjust treatment of people with disabilities, etcetera. During her lecture she shows us many quotes at length. She detects patterns, exposes layers of meanings, ascribes symbolic and real importance to these acts of resistance. She shows how these complaints are doing diversity work as they try to change a place from inside; it is the work you have to do in order to make institutions more open and accommodating to others and ourselves. In other words: we learn about the institutional (as usual) from those who are trying to transform institutions. For Ahmed, “The personal is the institutional.”

Those who make complaints often know about organisations given what complaints do not bring about. Complaints are mostly dealt with behind closed doors. As Ahmed put it in her talk: “A complaint gets filed; to file as to file away.” Complaints are evidence that something in the system is not right, whereas, ironically, many institutions will claim that all is in order because they have complaint procedures. Ahmed referred to this with the notion of non-performativity: when naming something does not bring something into effect, or when something is named in order not to bring something into effect.

It can be excruciating to see how complaints get handled. While there might be a regulated procedure to get a complaint through the system, there is no guarantee that once the complaint is ‘swallowed’ some response will follow, let alone an adequate response (“nothing that a cup of tea could not solve” was the quintessentially British reaction by a dean to a woman that had complained about sexual harassment by a senior colleague). Very revealing was Ahmed’s additional point that it can equally be very painful to get to the decision to file a complaint in the first place. As she succinctly put it “you have to let the violence in in order to get it out”. Often it takes a colleague’s surprise or a friend’s appalled look when they find out what happened in order to realize that you have been violated.

Ahmed thus indicated a painful gap between how complaints are represented by organizations (often through flow charts, as being clear, linear procedures and progressive) and how they are experienced by those who make complaints (as being messy and circular).

Central to Ahmed’s feminist commitment is to explore the materiality of female existence, as well as the materiality of existence for people of colour, and people with disabilities. What happens if they want to enter and find themselves a place within an institution? Institutions have doors, they are meant to be entered, but the doors are more welcoming to some than to others. Some exceptions succeed to get in, but then they need to create an environment in which they can stay. And this task is upon themselves. Interestingly, in Ahmed’s writings, the quality of these experiences is often materialized in her writing style itself. She interrupts, for instance, conventional prose with poetry and bold text to exemplify the creative disruption of structures. In her books those poetic and bold phrases visualize breakages, scratches on surfaces. She used the same technique during her lecture: she interrupted her conventional academic text with call outs and onomatopoeia. Verbally she scratched the structure of an academic lecture, of a certain prose.

In addition she also made use of strong images. The experience of doors welcoming some people more than others was compared, for instance, to the situation of a bird that managed to create itself a nest within a post box. It is a wonderful image, testifying to the creativity and boldness of the animal, but it is next dependent on people not going on as usual, and refraining from throwing letters into the postbox. Near the end of her lecture, Ahmed used another picture of a fictional, too-good-to-be true postbox that expressed the lesson we learned from Audre Lorde (The master’s tools will never dismantle the master’s house): waiting till the masters open their institutions for people who are not like them, is like waiting till someone will put up a sign on the post box saying “birds welcome”.

At this point (and with the images of the post box and the birds) Ahmed introduced her idea of “the potential of queer use”: of using something in ways that were not intended or by those for whom they were not intended. She tries to convince the audience to consider stories of how complaints “come out” as queer stories, to reflect on filing cabinets as institutional closets and to explore institutional and queer uses of doors. By reflecting on complaints in relation to queer use, as the political work of opening up spaces to enable them to be used by those for whom they were not intended, we see how it can work: a doorway becomes a meeting place. And a mail box a nest.

Ahmed ended hopeful and combative. The experience of filing complaints, she told the audience, is indeed messy, however, it is significant we keep complaining. In her words: “If to address harassments, bullying and so on is to cause damage, we might need to cause damage, we need to keep scratching on the brick wall. Speaking out as becoming a leak. A leak can be a lead. We need more explosions. A complaint can function like a switch, an alarm or an alert; that triggers a reaction. The more someone is connected, the more others are invested in that connection. We might have to use guerrilla tactics, drawing on feminist and queer histories to get information out. We do that work, because we are exhausted by procedures. We do not want to polish away the scratches. They are testimony; they are feminist testimonies.” Yes, those scratches, Ahmed stated, they might seem to indicate how little we accomplished, but those scratches can also be how we reach each other. We can reach each other through what appears to others as damage. “Feminism becomes scratching on the wall.” Keep scratching.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gynoplasty, the female genital mutilation of the West?

The debate about female genital mutilation[1] (FGM) among people from the West often encounters resistance from those who belong to a practising community. Not because of a contrary position - there is an agreement to overcome FGM - but conflicts arise concerning the way Western actors deal with the practice. For them, including ‘own’ aspects and practices from the West in the discussion seems to be a way to avoid criticism.

At the 1980 UN World Conference on Women in Copenhagen, women from the global South threatened to leave the conference prematurely, not because they supported FGM, but because they disagreed with the angry and emotional way in which the practice had been discussed. This incident illustrates that what matters is how FGM opponents from the global North approach the issue and how they behave towards members of practising communities, which some activists and scholars from FGM practising communities have been critically remarking ever since. 

Engagement against FGM by actors from the West does not generally meet with rejection in countries with practising communities. Actors from practising communities, however, demand a way of discussion that does not follow a colonial ideology or resemble imperialist propaganda. The discussion of the topic should be characterized by sensitivity and be free of racism and prejudices. To this end, FGM must be seen in its entire scope, in the social, cultural and economic context and the particular value system of the practising society.

In order to avoid the accusation of colonialism or imperialism, some FGM opponents from non-practising communities in the West choose to include elements from the society in which they live in the analysis. This does not only concern taking a look at the colonial past or referring to the present, which is marked by a North-South division, but also, against this background, addressing Western practices, such as gynoplasty, which is increasingly carried out in the global North. Gynoplasty involves surgical interventions on the female genitals, which are usually performed for aesthetic reasons.

 

During a semester abroad in The Gambia as part of my bachelor's studies, I attended a lecture by GAMCOTRAP[2], a local non-governmental organisation (NGO) dedicated to the fight against harmful traditional practices, especially against FGM. Afterwards, the topic did not let me go. At first, I dealt with the practice in a rather activist way, whereby I did not come across the comparison between FGM and gynoplasty. It was when I dealt with this in-depth and academically in my master's thesis that I first came across such comparisons in the work of some Western authors. They do not belong to practising communities and try to avoid cultural relativist criticism of their commitment against FGM through the comparison. While the comparison avoids a dichotomous confrontation between a civilized global North and a barbaric global South, they still fail to reach the overarching goal of overcoming FGM.

In the meantime, I have started to do a PhD on FGM at the University of Antwerp. Since then I have mainly read academic literature, most of it by Western authors. That' s why I often stumble across the comparison. With the start of my PhD, however, the comparison has become a hurdle that I must overcome before I can continue. The confrontation forced itself upon me more and more. Therefore, I would like to explain in the following why I think that the comparison between FGM and gynoplasty is neither easily possible nor goal-oriented.

At first, it seemed to me like an objection that I would not have thought of on my own if others had not drawn my attention to it. Further considerations quickly raised doubts in me as to whether apples were compared with oranges. I had doubts, but they were not yet tangible. On the one hand, the comparison between gynoplasty in the global North and FGM in the global South was not clear to me; on the other hand, I was insecure since such a comparison was not a peculiarity of individual authors. On the contrary, such comparisons were often used. I encountered them in various sources, but they were also cited by people in my social environment. After reading some other works, it was a book by Janne Mende[3] that brought me clarity. 

When FGM is equated with practices such as designer's vagina, breast augmentation or nose surgery, or with cosmetic surgery in general, the result is, in my opinion, a slanted, arbitrary and often questionable comparison that does not even begin to do justice to the claim to contextualization. Comparisons between FGM and gynoplasty are often accompanied by a relativization of the short-term and long-term consequences and a questioning of the significance of research results on the consequences of FGM, as well as the fact that they often ignore possible psychological effects in addition to the physical consequences. I consider this to be very dangerous as it puts obstacles in the way of efforts to overcome the practice and to leave the genitals of girls and women unharmed. Cosmetic surgery is worthy of criticism, but I argue against a comparison with FGM due to the very different contexts in which both practices are embedded.

Connected to a lack of context-sensitivity, such comparisons misjudge aspects of power and dominance that function in the context of FGM. To lead a socially accepted life in communities practising FGM, to gain social recognition, to be able to act within the framework of the respective norms and values, girls and women often have no choice but to undergo the practice. Against this background, it is understandable that those affected agree with FGM. However, it is by no means possible to deduce that this is based on a free wish or an autonomous decision. If free will is assumed, this is misleading as the repressive conditions in which the practice is embedded are ignored.

This stands in contrast to aesthetic gynoplasty as found in the West. Here the decision can rather be classified as free will since Western women do not have to fear comparably far-reaching consequences if they leave their genitals or other body parts intact. There is no doubt that the ideals of beauty in the West can exert great pressure on girls and women. I therefore chose the formulation of a rather free decision. This leaves room for those cases in which the pressure on women to conform to ideals of beauty is overpowering and they perceive an adaptation to them as a compulsion from which they cannot escape. A decision on gynoplasty is then not completely free and self-determined. However, it is doubtful that the substantive survival of those affected depends on it, which is often the case with FGM.

For me, it is now clear that gynoplasty and female genital mutilation are two different topics, which are difficult to compare. I would like to conclude with the words of Irshad Manji, who summed up the problem of the comparison as follows: "There have never been parents who have disinherited their daughter because she did not want her breasts enlarged, but probably because she did not want to be circumcised or married.”[4]

Lea Kleinsorg

 

[1] „Female genital mutilation (FGM) comprises all procedures that involve partial or total removal of the external female genitalia, or other injury to the female genital organs for non-medical reasons.“ [online] https://www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/female-genital-mutilation

[2] The Gambia Committee on Traditional Practices Affecting the Health of Women and Children

[3] Mende, Janne (2011): Begründungsmuster weiblicher Genitalverstümmelung: Zur Vermittlung von Kulturrelativismus und Universalismus. Bielefeld. Transcript Verlag.

[4] Manji, Irshad in Hirsi Ali, Ayaan (2005): Ich klage an. Plädoyer für die Befreiung der muslimischen Frauen. München. Piper. p.93.

 

 

Wetenschap = M+V+X

Lezing van Alexander Dhoest op het slotevent Wetenschap = M+V+X van de Jonge Academie, ook beschikbaar als video.

 

Toen leden van de Jonge Academie mij vroegen om hier vandaag een getuigenis te geven, twijfelde ik. Ik stond ook al op de affiches van de M/V/X-campagne, die ik trouwens prachtig vond en voluit steun. Maar ik sta niet graag in de spotlights en voel ook schroom om voor of namens vrouwen te spreken – wat natuurlijk niet het idee is van deze campagne, maar zo voelde het wat aan. Mannen nemen al te graag en al te vaak het woord. Gelukkig staan er vandaag nauwelijks mannelijke sprekers op het programma, en ik ben vereerd dat ik deel mag zijn van deze schitterende line-up. 

Deels twijfelde ik ook wel omdat ik dacht: wat heb ik daar eigenlijk zinvol over te vertellen? Vanuit mijn onderzoek niet zo veel, dat richt zich eerder op seksualiteit – al hangt seksualiteit natuurlijk heel erg samen met gender en gender-normen; en al ben ik co-chair van het Antwerp Gender & Sexuality Studies Network, waar we er alles aan doen om onderzoek rond gender en seksualiteit te stimuleren en zichtbaarder te maken. 

Maar aangezien men een getuigenis vroeg, dacht ik: daar heb ik wel iets over te zeggen. Over het feit dat ik eigenlijk vind dat gender geen issue zou mogen zijn; 
dat ik het vanzelfsprekend vind dat mijn onderzoeksgroep jarenlang een vrouwelijk hoofd had; dat ik het geluk heb in een vrij vrouwelijk departement te werken, en dat alleen maar als een verrijking ervaar; dat onze laatste vier decanen vrouwen waren, en dat voor niemand een issue was.

Maar dan dacht ik: het feit dat ik gender geen issue vind zegt natuurlijk iets over mijn privileges als man, in een overwegend mannelijke omgeving. Over de bias die er wellicht bij mij, die met thema’s als gender en diversiteit bezig is, ook ingebakken zit. Over mijn blindheid voor mechanismes waarmee ik niet zelf geconfronteerd word. En over de nood om systematischer stil te staan bij de drempels en vooroordelen die er wel degelijk zijn, wat alleen maar kan door het thema heel consequent op de agenda te zetten. Ik kan in dat verband trouwens de toolbox op de site van de M/V/X-campagne sterk aanbevelen, zeker aan iedereen die in een beleidspositie zit. Ook mannen hebben daar een belangrijke rol in te spelen, dus in die zin is mijn getuigenis denk ik wel zinvol. Gendergelijkheid is niet alleen een zaak van vrouwen, maar ook - evenzeer - van mannen.

Zelfs als homo heb ik niet het gevoel dat iemand mij in mijn academische carrière een duimbreed in de weg gelegd heeft, al maakte het me misschien wel gevoelig voor de impliciete mannelijkheidsnormen in de academische wereld. Het probleem lijkt me dan ook niet enkel de ondervertegenwoording van vrouwen - wat ik voor alle duidelijkheid wel degelijk een groot probleem vind. Maar ook, breder, het soort mannelijkheid dat meer en meer gestimuleerd wordt door het academische systeem; een model waarin vooral competitieve, dominante alfamannetjes scoren. Die verenging van het academische profiel stoot volgens mij niet alleen veel vrouwen maar ook veel mannen af. Ik zou dan ook pleiten voor meer diversiteit, voor verschillende invullingen van mannelijkheid én van vrouwelijkheid. 

Mannen en vrouwen zijn niet essentieel verschillend, er zijn veel invullingen van mannelijkheid en vrouwelijkheid, maar in de academische wereld, en zeker aan Vlaamse universiteiten, worden bepaalde modellen impliciet vooropgesteld, bijvoorbeeld door de evaluatiecriteria en de werkcultuur. Ik zou dan ook pleiten voor het stimuleren van verschillende stijlen van onderzoek, ook bijvoorbeeld meer gericht op samenwerking dan op individueel presteren, of op de lange termijn in plaats van de korte termijn. Verschillende soorten carrières ook, waar tijd voor familieleven voor vrouwen én mannen aanvaard en zelfs gestimuleerd wordt. Maar waar evenmin opgekeken wordt wanneer een vrouwelijke onderzoekster beslist volop voor haar carrière te gaan, en haar partner (M/V) de familietaken opneemt.

Kortom: ik steun volop het pleidooi van de jonge academie om meer aandacht te besteden aan impliciete vooroordelen. Voor mij betekent dat ook: openheid voor de diverse invullingen van mannelijkheid en vrouwelijkheid binnen academische profielen, weg van stereotiepe man- en vrouwbeelden. 

Meer academische vrijheid dus, ook op dit domein.  

 

 

Over zebra's gesproken

U was er wellicht niet bij, bij de proclamatie van de Faculteit Sociale Wetenschappen begin juli jongst geleden. Liepen daar zebra’s rond! Echt rondlopen deden ze, echte zebra’s waren het niet. Begonnen als een grap onder een aantal vrouwen professoren, die het een leuk idee vonden om allen in een soortgelijke jurk gehuld naar de proclamatie te gaan, groeide het uit tot een hele actie. Nadat die vrouwen het snel eens waren over de jurk die een van hen even was gaan spotten (ze zijn maar met 9, dat houdt de coördinatiekost van dit soort activiteiten laag), voegden zich ook het decanaat en de deeltijdse vrouwelijke proffen bij het gezelschap. Het bleef uiteindelijk niet bij die ene jurk in zebraprint, niet iedereen voelde zich daar even comfortabel in, maar de keten had gelukkig genoeg variatie op het thema bedacht.

Ook al zat aan de ene kant van het auditorium een bont gezelschap zebra’s op de eerste rijen, en lonkten aan de andere kant van het auditorium en op het podium vrolijk zebraprints onder de toga’s tevoorschijn, de gastspreker begroette de heren professoren. Het deed geen afbreuk aan de verder voortreffelijke speech, die door allen zeer gewaardeerd werd. Iets alerter waren de rector en de voorzitter van de facultaire onderwijscommissie, die het snel door hadden en de grap ervan inzagen.

Nog interessanter waren de reacties van vooral studentes achteraf. Er is er meer dan één naar me toegekomen om te zeggen dat ze er nog nooit bij had stil gestaan van hoe weinig proffen van het vrouwelijke geslacht en hoe veel proffen van het mannelijke ze doorheen de jaren wel niet college had gehad. ‘U was daar een van de weinigen van’. Niet moeilijk als je met nog geen 20 percent bent.

Verhelderend waren de reacties van de mannelijke collega’s. ‘En wij dan?’, en zin waarmee alle genderstereotypen nog eens bevestigd werden. Alsof vrouwen voor de garderobe van mannen moeten instaan, niet voor diegene waar ze eventueel mee samen leven, en al helemaal niet voor diegene waar ze de werkvloer mee delen. Het is al zot genoeg dat anno 2019 nog altijd – ik lieg niet – ook in wetenschappelijke kringen vaak naar de enige vrouw gekeken wordt als het op koffie aankomt. Ik spaar de straffere voorbeelden op voor een andere keer.

Voor de rest was het vooral een grappige actie die heel mooi de overgrote groep vrouwen in de administratieve functies en de uiterst kleine groep vrouwen in de academische rangen bijeen bracht. Over sisterhood gesproken. Zelfs de ene collega in New York had die dag haar zebrajurk aan. En die zebra’s, het mogen dan wel kuddebeesten zijn, die samen sterk staan omdat roofdieren niet kunnen inschatten waar de ene prooi eindigt en de volgende begint. Ze zijn vooral heel moeilijk te temmen.

Petra Meier

 

 

 

 

Gender diversity – Be Yourself

Elke samenleving creëert stereotypes. Veilige herkenbare afspraken. Zo begint het gedicht van Sabine Mols bij de fotoreeks Gender Diversity – Be Yourself van Brigitte Boffin. Men kan van stereotypen spreken, maar laat ons spreken van sociale groepen in de traditie van Iris Marion Young. Sociale groepen omdat we mensen inderdaad catalogeren vanaf het moment dat we ze waarnemen. Feministische wetenschappers hebben hiervoor het concept gender bedacht. Daarmee geven ze aan dat we ook van mannen en vrouwen een bepaald beeld aanmaken, creëren dus, verder voeden en koesteren. En ons daarop baseren in onze perceptie en ons gedrag, in onze wijze van hen behandelen en beoordelen. Gender wordt geplaatst tegenover de biologische sekse, die lang als een gegeven beschouwd werd. Wat we daarmee associëren en verbinden, ervan verwachten of eraan opleggen, die maatschappelijke invulling ervan is gender. En die is gebonden aan plaats en tijd, de maatschappelijke definitie van vrouwen en mannen is niet overal en ten allen tijde uniform. Recenter groeide het besef dat sekse evenzeer een maatschappelijk construct is als gender. Zowel sekse als gender wijzen erop  dat er verwachtingen zijn omtrent wie of wat een man respectievelijk vrouw is. Het is niet allemaal zomaar gegeven, zomaar natuurlijk. Het enige natuurlijke is een grote vorm van diversiteit. En daar wringt het schoentje. Die diversiteit laten we, individueel en als samenleving, immers niet altijd toe. Maar vaak zien we ze ook gewoon niet door de stereotypering.

In die herkenbare afspraken wordt een mens opgesloten, wordt een mens onzichtbaar voor zichzelf en de anderen. Zo gaat het gedicht verder. Het punt is dat we door die categorisering reduceren. Zo denken we, individueel en als samenleving, bij vrouwen vaak maar aan bepaalde groepen vrouwen, en laten we de anderen buiten beschouwing. Hetzelfde geldt uiteraard voor mannen. Ain’t I a woman? zei Sojourner Truth, als slavin geboren in 1797, vrij gekomen als jongvolwassene en uitgegroeid tot een belangrijke spreekbuis van de anti-slavernij beweging in de VS. Ze werd gezien als een slaaf, niet als een vrouw. Uiteraard was ze ook een vrouw, maar de vrouwenbeweging had geen oog voor de noden van vrouwen zoals Sojourner Truth. En de anti-slavernij beweging zag slavinnen ook niet altijd staan. Zo vielen ze overal uit de boot. Kimberlé Crenshaw vatte in de jaren 1980 die noodzaak om beide samen te zien via het concept intersectionaliteit. Daaruit gegroeid is het kruispuntdenken, de idee dat elk individu een snijpunt van sociale categorieën is. Crenshaw wees op de beperkte – niet bestaande – aandacht voor het concept ras – etniciteit zouden we in België zeggen – in feministische vraagstukken. Tegenwoordig is er in het kruispuntdenken aandacht voor een heel brede reeks sociale categoriseringen.

Onzichtbaar omdat ze niet kunnen worden wie ze zijn of omdat ze helemaal niet gezien worden. Vergrendeld in hun zichtbare gender, stelt Sabine Mols. Categorieën en stereotypen zijn ook keurslijven. Bij sekse, etniciteit of ras gaat het vaak om uiterlijk zichtbare kenmerken. Leeftijd is een soortgelijk kenmerk. We staan er als individu en samenleving vaak niet open tegenover, maar mensen worden als zodanig gepercipieerd – wat zeker ook nadelig kan zijn. Er zijn echter ook sociale groepen die niet noodzakelijk direct zichtbaar zijn of gezien worden, net omwille van de stereotypering. Seksuele geaardheid valt hier zeker onder. België heeft kort na de eeuwwisseling seksuele diversiteit een plek gegeven. In 2003 werd seksuele geaardheid mee opgenomen in de antidiscriminatiewet en het huwelijk tussen twee partners van hetzelfde geslacht toegestaan, in 2006 werd adoptie opengesteld voor koppels van hetzelfde geslacht. In 2007 kwam er ook een wettelijke erkenning en regeling voor transgender personen, die in 2017 verder werd uitgebreid. Op wettelijk vlak mag België zich rekenen bij een nog steeds select clubje landen die op dit vlak wat meer open staan voor gender diversiteit. Want gender diversiteit gaat om zowel sekse als seksuele geaardheid en de wijze waarop we die met elkaar vervlechten. Tot keurslijven. In de praktijk gebeurt dit nog al te vaak, desondanks het progressieve juridische kader waar we over beschikken. Een toonaangevende staatssecretaris had in de zomer 2018 nog heimwee naar wat hij omschreef als een ‘gewone man’. Dat staat voor hem gelijk aan een man die zich niet epileert of schminkt, en vestimentair niet uit de toon valt. De staatssecretaris onderschrijft daarmee een hetero-normatief gender-binair denken. Er zijn gewone mannen – en vrouwen. En er zijn de andere. Waarbij sekse, gender en seksuele geaardheid intrinsiek met elkaar verweven worden tot uiteindelijk maar twee categorieën. We sluiten mensen niet enkel op in een bepaalde interpretatie van een mannen- of een vrouwenlichaam, maar ook in een heteroseksueel lichaam.

Met deze portretten wil ik elk van hen een verhaal geven. Hen tonen in al hun diverse rijkdom en schoonheid. Wij zijn allen gender. De fotoreeks van Brigitte Boffin daarentegen toont aan dat de realiteit veel diverser is. Er zijn heel veel individuen die allen anders zijn. Divers, ook gender divers. Als er iets is wat iedereen deelt, dan is dit het feit dat iedereen intersectioneel is. Welke intersecties als normaal beschouwd worden is een normatieve keuze die individuen en samenlevingen maken. Of die dan ook normaal zijn is nog maar de vraag.

 

Met een licht gewijzigde versie van deze tekst opende Petra Meier op 4 november 2018 de fototentoonstelling Gender Diversity – Be Yourself van Brigitte Boffin, en dit in de Meerminne, Universiteit Antwerpen, Sint Jacobstraat 5 te Antwerpen.

Gender is geen ideologie!

Publiceren van bullshit in genderstudies: zelfreiniging van de wetenschap of rechts activisme?

Drie Amerikaanse onderzoekers slaagden erin om 7 bullshitpapers –nepwetenschap– gepubliceerd te krijgen in genderstudies tijdschriften (De Standaard 5 oktober). Dit is een pijnlijke illustratie van de feilbaarheid van het peer-review systeem: de anonieme beoordeling van wetenschappelijke artikels door andere wetenschappers. Dat gebeurt niet enkel in genderstudies, maar in alle wetenschappelijke disciplines.

Er zijn verschillende verklaringen voor aan te voeren. Een eerste is de druk op wetenschappers om vooral veel te publiceren in de hoog aangeschreven tijdschriften wat een massa aan te reviewen artikels genereert. Een tweede is dat het review-systeem ervan uitgaat dat de personen die stukken voor publicatie insturen, dat om de wetenschap doen. Het gaat uit van een vorm van vertrouwen dat de auteur fundamenteel de wetenschap een stap vooruit wil brengen, al is die bijdrage eerder bizar of het nut ervan niet meteen duidelijk op het moment van publicatie. Het systeem van peer-review heeft bewezen niet bestand te zijn tegen dit soort ‘aanvallen’ met moedwillig fake-artikels. Op zich zijn de bullshit papers dus nuttig, omdat het een zelfreiniging van het wetenschappelijk systeem zal activeren. U kan ervan op aan dat de getroffen tijdschriften in genderstudies, en met hen vele andere wetenschappelijk tijdschriften, zich grote moeite zullen getroosten om hun peer review systeem te versterken.

Het is duidelijk dat de kwestie van het af en toe falen van het review proces niet enkel genderstudies treft. Er bestaat momenteel een hele industrie aan fake tijdschriften waar er geen enkel of een nep review proces plaatsvindt. In een artikel in de Sueddeutsche Zeitung (juli van dit jaar) werd berekend dat wereldwijd een 400.000 wetenschappers minstens een keer in een dergelijk tijdschrift gepubliceerd zouden hebben.

Het probleem is dus niet specifiek voor genderstudies, maar dat de aandacht enkel uitgaat naar genderstudies roept wel belangrijke vragen op: Hoe kan het dat drie wetenschappers voldoende tijd en middelen ter beschikking hebben om 20 (!) papers te produceren en door het vaak erg lange publicatieproces te loodsen, en waarvan er 7 effectief gepubliceerd werden en dus zeer bekwaam gemaakte replica’s zijn? Het roept de vraag op naar de motieven van deze fake wetenschappers en van diegenen die hen de tijd en middelen ter beschikking stellen: is het hen te doen om die ‘wetenschappelijke zelfreiniging’ te activeren? Of is het hen te doen om het ongeloofwaardig maken en ridiculiseren van genderstudies?

Er werd meteen gesteld dat genderstudies geen plaats verdienen bij de geesteswetenschappen. Wanneer er fraude wordt ontdekt in andere disciplines (denk aan psycholoog Diederik Stapel) wordt niet meteen de afschaffing van een hele discipline gevraagd. Indien effectief genderstudies geviseerd worden, dan is het een zoveelste voorval van genderstudies bashing. Het zit dan in dezelfde rechtse hoek als Schild en Vrienden die de Vlaamse master Gender en Diversiteit graag afgeschaft zag, zoals in Hongarije (De Standaard 15 september 2015). Er is inderdaad een internationale nieuw-rechtse stroming die gender wil afdoen als een ideologie, en genderstudies als iets wat feministen op poten hebben gezet om de macht en status die mannen van nature toebehoren af te nemen. Zo verantwoorde afgelopen vrijdag een vooraanstaande hoogleraar op een CERN conferentie over deeltjeswetenschap het mannelijke overwicht in zijn discipline door te stellen dat vrouwen nu eenmaal meer van mensen houden dan van dingen en zodoende van nature niet zo geïnteresseerd zijn in exacte wetenschappen (De Volkskrant 5 oktober 2018). Het lokte wereldwijd het protest uit van deeltjeswetenschapsters. Maar om dat soort foute beweringen te ontkrachten hebben we niet enkel protest nodig, maar ook genderstudies. Die genderstudies komen bepaalde groepen in de samenleving evenwel zeer slecht uit: het past niet in hun ideologie en tast hun machtpositie aan. Daarom dient elke actie die erop gericht is om genderstudies te discrediteren ook vanuit die hoek bevraagd te worden. Er is dan ook dringend meer onderzoek nodig naar die anti-genderbeweging.

 

Een lichtjes gewijzigde versie van dit stuk verscheen in De Standaard van 8 oktober 2018, getekend door (in alfabetische volgorde): Karen Celis (VUB), Gily Coene (VUB), Silvia Erzeel (VUB), Florian Lang (UAntwerpen/VUB), Chia Longman (UGent), Petra Meier (UAntwerpen) en Lisa Wouters (Sophia).

Do we need another network?

In short: yes we do.

Indeed, as academics we’re all super-busy, teaching and researching, meeting and writing. And of course, we do communicate about our research, in conference presentations and publications. We’re all part of academic associations, international peers are our key audience.

And still...

We mostly stay within our comfortable academic niches, talking to people who tend to share our ideas. We need to also connect with people outside of our disciplines, to expose ourselves to new ideas.

What’s more: we tend to mostly connect with international peers, presenting our work at conferences across the globe – but rarely do we talk to peers within the university, in other research traditions beyond our own biotope.

Particularly when working on issues of gender and sexuality, at the University of Antwerp we still tend to work in isolation. Gender and sexuality are studied by individuals or small clusters of people, working within their faculty, departments and research groups. We hardly know what happens on another floor, let alone in another UAntwerp building.

So yes, we do believe A*, the Antwerp Gender and Sexuality Studies Network, will serve a purpose, if only to connect UAntwerp researchers. Our initial aim is to make people aware of each-other’s work; gradually, we hope to also elaborate new initiatives.

All of this, in a context where gender and sexuality have become legitimate topics of research, but are also the object of wide social debate and protest. #MeToo, same-sex marriage, increasing trans* visibility: all of these are simultaneously applauded, opposed and rejected. Not the least in academic research.

So let’s connect, exchange experiences and keep these debates going – alert to voices who may want to silence us. And yes, we do need another network for that!

Alexander Dhoest & Petra Meier