Lopende projecten

Het ontrafelen van de effecten van blootstelling aan kwik op de fysiologische status, veroudering en gevoeligheid voor virusziekten bij een langlevende zeevogelsoort. 01/04/2021 - 31/03/2022

Abstract

De emissie van kwik in het milieu is een wereldwijd probleem. De toegenomen methylering van kwik als gevolg van de opwarming van de aarde en de voorspellingen dat de hoeveelheid kwik in vis tegen 2050 zal zijn verdubbeld, brengen de toekomst van top predatoren in gevaar. Daarom is het belangrijk om te begrijpen hoe de blootstelling aan kwik de levensgeschiedenis van in het wild levende dieren beïnvloedt. Ik wil voor het eerst de gevolgen van blootstelling aan kwik voor de gevoeligheid voor virusziekten onderzoeken. In het bijzonder wil ik nagaan in welke mate blootstelling aan kwik: i) fysiologische disfunctie veroorzaakt en de manifestatie van een virusziekte vergemakkelijkt; ii) de telomeer dynamiek tijdens de virusziekte beïnvloedt; en iii) de concentraties van verschillende belangrijke hormonen beïnvloedt. Voor deze studie bestuderen we Amerikaanse fregatvogels en maken we gebruik van hoge kwikgehaltes en jaarlijkse virusuitbraken die de sterfte veroorzaken van een grote proportie van de kuikens van deze soort op de onderzoekslocatie (een klein eiland behorend tot Frans-Guyana). Hierbij zal ik niet alleen longitudinale (intra-individuele variatie in de tijd) data combineren met experimentele data, maar zal ik ook gebruik maken van honderden bloedstalen die ik eerder heb verzameld. Dit project heeft ook een belangrijke conservatie meerwaarde omdat het zal worden uitgevoerd in een kolonie fregatvogels die beschouwd wordt als één van de belangrijkste van Zuid-Amerika.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het ontrafelen van de effecten van blootstelling aan kwik op de fysiologische status, veroudering en gevoeligheid voor virusziekten bij een langlevende zeevogelsoort. 01/11/2020 - 31/10/2025

Abstract

De emissie van kwik in het milieu is een wereldwijd probleem. De toegenomen methylering van kwik als gevolg van de opwarming van de aarde en de voorspellingen dat de hoeveelheid kwik in vis tegen 2050 zal zijn verdubbeld, brengen de toekomst van top predatoren in gevaar. Daarom is het belangrijk om te begrijpen hoe de blootstelling aan kwik de levensgeschiedenis van in het wild levende dieren beïnvloedt. Ik wil voor het eerst de gevolgen van blootstelling aan kwik voor de gevoeligheid voor virusziekten onderzoeken. In het bijzonder wil ik nagaan in welke mate blootstelling aan kwik: i) fysiologische disfunctie veroorzaakt en de manifestatie van een virusziekte vergemakkelijkt; ii) de telomeer dynamiek tijdens de virusziekte beïnvloedt; en iii) de concentraties van verschillende belangrijke hormonen beïnvloedt. Voor deze studie bestuderen we Amerikaanse fregatvogels en maken we gebruik van hoge kwikgehaltes en jaarlijkse virusuitbraken die de sterfte veroorzaken van een grote proportie van de kuikens van deze soort op de onderzoekslocatie (een klein eiland behorend tot Frans- Guyana). Hierbij zal ik niet alleen longitudinale (intra-individuele variatie in de tijd) data combineren met experimentele data, maar zal ik ook gebruik maken van honderden bloedstalen die ik eerder heb verzameld. Dit project heeft ook een belangrijke conservatie meerwaarde omdat het zal worden uitgevoerd in een kolonie fregatvogels die beschouwd wordt als één van de belangrijkste van Zuid-Amerika.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ecologische en evolutionaire drijfveren van foerageerspecialisatie in kleine mantelmeeuwen - van oorzaken tot gevolgen 01/11/2020 - 31/10/2022

Abstract

Dierpopulaties bestaan vaak uit foerageerspecialisten en -generalisten, en deze individuele variatie vormt een drijvende kracht achter eco-evolutionaire dynamieken. Foerageerspecialisatie is daarom van cruciaal belang voor een beter begrip van populatiedynamieken. Echter, noch de oorsprong van individuele variatie in foerageerstrategieën, noch de fitness gevolgen, worden volledig begrepen. Dit project onderzoekt het ontstaan van consistente foerageerstrategieën, d.w.z. wanneer en hoe onderliggende gedrags- en structurele verschillen zich ontwikkelen. 'Early life' omstandigheden zijn daarbij van cruciaal belang, aangezien men ervan uitgaat dat omgevingseffecten tijdens deze periode langdurig gevolgen kunnen hebben. Vervolgens zal ik nagaan hoe intrinsieke factoren, zoals competitief vermogen of consistente variatie in andere gedragskenmerken, bepalen hoe dieren foerageren. Tot slot ga ik na of foerageerspecialisatie gevolgen heeft voor reproductief succes, en hoe dit afhangt van omgevingsomstandigheden. Aangezien deze doelstellingen een studie over meerdere life-history stadia vereisen, zal ik experimenten op pulli combineren met GPS-tracking op juvenielen en adulten in een zeevogel (Kleine mantelmeeuw) met een grote variatie in foerageerspecialisatie. Dit project zal leiden tot een beter begrip van de ecologische en evolutionaire implicaties van individuele variatie in foerageerstrategieën, en hoe dit individuen vatbaar maakt voor milieuveranderingen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De darm-brein as: een onderzoek naar het darmmicrobioom en zijn invloed op het gedrag van de bonobo (Pan paniscus) 01/11/2020 - 31/10/2022

Abstract

Het is al lang geweten dat onze darmbacteriën een belangrijke invloed hebben op onze fysieke en mentale gezondheid. Daarnaast legt recente literatuur steeds meer de nadruk op de potentiële rol van het darmmicrobioom in de regulatie van gedrag en hersenfuncties. Darmmicroben spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling en regulatie van gedrag en cognitie, waardoor er een verbinding tussen het brein en de darm vormt die men ook wel de "darm-brein as" noemt. Omgekeerd zal het sociaal gedrag van de gastheer zelf een directe invloed hebben op de samenstelling van zijn microbioom, wat aangeeft dat deze as bidirectioneel is. Er is echter weinig geweten over de darm-brein as in dieren in het algemeen, maar voornamelijk in mensapen, hoewel zij door hun nauwe verwantschap een excellent studiesysteem vormen om de evolutie van de darm-brein as te onderzoeken in de mens. Hoofdzakelijk bonobos zijn een bijzonder interessante modelsoort door de grote overlap in socio-cognitieve vaardigheden met mensen, maar verrassend genoeg blijkt hun microbioom bijna onbestudeerd. Daarom zal in deze studie het microbioom van de bonobo gekarakteriseerd worden en zal onderzocht worden welke factoren de interindividuele variatie in compositie van het microbioom verklaren, inclusief gedrag. Verder zal ik gedragsobservaties uitvoeren, in combinatie met experimentele manipulaties van het microbioom, om nauwkeurig het bidirectioneel verband tussen het microbioom en bonobo socialiteit te bestuderen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vergelijkende psychologie van positieve emoties: Een multi-componentiële aanpak om emoties te begrijpen in onze naaste levende verwant, de bonobo. 01/11/2019 - 31/10/2021

Abstract

Net als bij mensen beïnvloeden emoties het dagelijks leven van dieren. Terwijl mensen verbaal kunnen uitleggen hoe ze zich voelen, moeten andere methodes gebruikt worden om dieremoties te bestuderen. Hoewel de intensiteit van dieremoties doorgaans gemeten kan worden met gedrags- en fysiologiematen, zijn deze methodes niet geschikt om te identificeren of het om negatieve of positieve emoties gaat. Vanuit de humane psychologie weten we dat emoties ook cognitieve processen (zoals aandacht, het maken van keuzes en geheugen) beïnvloeden en dat afwijkingen in onze cognitie iets vertellen over onze emotionele staat. Dit project heeft het doel om emoties te meten bij onze naaste levende verwant: de bonobo. De bonobo wordt gezien als het beste studiemodel om onze laatste voorouder beter te begrijpen en is dus een belangrijke diersoort in het bestuderen van de menselijke evolutie. Bonobo's hebben complexe emotionele levens en reageren op de emoties van anderen net zoals mensen doen. Het is echter onbekend in hoeverre de emoties van bonobo's hun eigen gedrag, fysiologie en cognitie beïnvloeden. Om dit beter te begrijpen, onderzoekt dit project vanuit verschillende hoeken emoties bij bonobo's en in het bijzonder positieve emoties. Hierbij zullen gedrags-, fysiologische en cognitieve maten genomen en gecombineerd worden om de vraag te beantwoorden hoe de bonobo zich voelt en hoe positieve emoties hun dagelijks leven beïnvloeden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Competitie tussen vrouwelijke vogels in relatie tot hun persoonlijkheid en levensgeschiedenis: een geïntegreerde benadering. 01/10/2019 - 30/09/2021

Abstract

In een natuurlijke populatie van koolmezen (Parus major) op de CDE-campus zal experimenteel onderzocht worden of er verbanden bestaan tussen verschillende vormen van vrouwelijke agressie, exploratiegedrag en fitness.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Next generation animal tracking: op zoek naar ecologische signalen. 01/01/2019 - 31/12/2023

Abstract

De voorbije jaren spelen GPS trackers een steeds belangrijkere rol binnen ecologisch onderzoek. Een snelle technologische ontwikkeling heeft er enerzijds toe geleid dat trackers steeds kleiner zijn, en dus voor meer diersoorten gebruik kunnen worden, maar ook dat deze met bijkomende sensoren kunnen worden uitgerust. GPS trackers worden dan ook steeds vaker gebruikt om het gedrag en bewegingspatronen van dieren vanop afstand te volgen. De methodes om de grote hoeveelheid data die deze trackers quasi continu kunnen generen te analyseren staan echter nog enorm achter waardoor er momenteel onvoldoende gebruik kan gemaakt worden van de spatio-temporele informatie die in deze data vervat zit. Om deze methodes verder te ontwikkelen werd een multidisciplinair consortium samengesteld met partners die toonaangevend zijn in domeinen zoals gedragsecologie, statistische ecologie, ICT, GIS-technologie en visuele analyse. De integratie van inzichten uit de verschillende disciplines is essentieel om op korte termijn de impuls te genereren die nodig is om de methodes te onwikkelen die toelaten om Big Movement Data ten volle te benutten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Cascade effecten van PFAAs bij vogels. 01/01/2019 - 31/12/2021

Abstract

Perfluor alkylzuren (PFAAs) zijn erg persistente componenten die wereldwijd kunnen worden aangetroffen in allerlei organismen inclusief in de mens. Ondanks hun wereldwijde verspreiding, werden hun toxicologische en biologische effecten nog niet goed beschreven en gekarakteriseerd. In deze studie zullen we de effecten van PFAA componenten nagaan op een modelsoort namelijk de Europese kanarie, bij omgevingsrelevante concentraties. Hierbij zullen de effecten onderzocht worden op verschillende niveaus van biologische organisatie. Hierbij zal een integratieve benadering worden gevolgd die de allernieuwste technieken in de moleculaire biologie zal combineren met de studie van traditionele biomerkers. Bovendien zullen eveneens gedragseffecten (zoals zang) worden nagegaan, wat nog maar zelden gebeurt in ecotoxicologische studies. Het nagaan van al deze effecten zal ons in staat stellen om verbanden te leggen tussen de belangrijkste responsen in de biologische cascade, en aan te duiden welke aanleiding zullen geven aan effecten op de overleving en reproductie van de onderzochte individuen. Al de verkregen informatie zal, samen met de bestaande kennis verzameld uit de literatuur, op een gestandaardiseerde manier geordend en geëvalueerd worden. Op die manier zal de informatie bruikbaar zijn voor regelgeving. Het uiteindelijke product, de "Adversed Outcome Pathway (AOP)" zal aan de OECD gepresenteerd worden en zal helpen om belangrijke hiaten in de kennis op te vullen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Proximale oorzaken van socio-cognitieve verschillen in bonobos en chimpansees: het gebruik van een genomische benadering voor het identificeren van receptor gen variatie. 01/10/2018 - 30/09/2022

Abstract

In dit project zullen aspecten van cognitie en sociale cognitie bestudeerd worden bij chimpanzees and bonobos. Beide soorten divergeerden van elkaar 1 tot 2 miljoen jaar geleden en verschillen nu sterk van elkaar in sociale cognitie. Door gebruik te maken van observaties, experimenten en moleculaire technieken zullen verschillen tussen beide soorten bestudeerd worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een geïntegreerde studie naar de effecten van langdurige blootstelling aan kunstmatig licht tijdens de nacht op in het wild levende koolmezen (Parus major) en naar de effectiviteit van mitigerende strategieën. 01/10/2018 - 30/09/2022

Abstract

Lichtvervuiling is een toenemend en wereldwijd probleem. Er is toenemende bezorgdheid dat vanwege de verstoring van natuurlijke lichtcycli, Kunstmatig licht tijdens de nacht (Engelse afkorting ALAN; artificial light at night) ernstige risico's voor dieren in het wild kan opleveren. Hoewel laboratoriumonderzoek heeft aangetoond dat ALAN vele aspecten van het gedrag en de fysiologie van dieren beïnvloedt, hebben slechts weinig studies experimenteel getest hoe in het wild levende dieren reageren op ALAN. Bovendien worden er nieuwe verlichtingsstrategieën gebruikt, omdat deze als ecologisch vriendelijk worden beschouwd. De effecten van ALAN zijn echter grotendeels onbekend en er is nog minder bekend over mitigerende strategieën om de gevolgen van lichtvervuiling te verzachten. Ik zal voor het eerst experimenteel, op een geïntegreerde manier, de effecten bestuderen van langdurige blootstelling aan ALAN bij volwassen koolmezen en hun jongen, een belangrijke modelsoort. Verder zal ik de effectiviteit van mogelijke verzachtende strategieën kwantificeren. Bij volwassenen zal ik onderzoeken in welke mate ALAN het immuunsysteem beïnvloed. Ik zal ook de verstoring van de slaap door ALAN onderzoeken, en of dit het voedergedrag kan beïnvloeden. Ten slotte zal ik de effecten van ALAN op ontwikkeling en fysiologie van koolmees jongen bestuderen. Aan het einde van dit project wil ik een beter inzicht krijgen in de gedrags- en fysiologische gevolgen van ALAN-blootstelling bij volwassen en dieren in ontwikkeling en de effectiviteit van opkomende mitigerende strategieën.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Individuele niches in tijd en ruimte: een 'niche' voor niche plasticiteit? 01/10/2018 - 30/09/2021

Abstract

A central tenet in evolutionary biology is that populations adapt to their environment with every generation through the process of natural selection. In long-lived species such as gulls (Larus spp.), environmental changes may however also occur at timescales much shorter than generations, which is the timeframe over which evolution acts. Individuals should therefore benefit from being able to (partly) adjust their physiology or behaviour to environmental changes throughout their lifetime. Such adjustments are nevertheless believed to be costly in terms of time or energy, and may thus jeopardize an organism's reproduction or survival. Individuals must therefore benefit when they are able to assess the reliability of environmental cues and the extent to which current adjustment costs may be offset by future benefits. Yet, current ecological theory generally assumes that individuals exhibit a constant degree of plasticity throughout their lifetime, tracking environmental changes to the best of their ability, irrespective of the entailed costs. In this project, I will elaborate further on this theory by assessing to what extent two co-occuring gull species adjust their foraging strategies throughout their lifetime in response to (a)biotic environmental cues, how such plasticity in foraging niche use may trade off with other life-history traits, and how individual differences in niche plasticity may therefore persist over evolutionary timescales.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Hoe tijdelijke samenwerking bereikt kan worden om de conflicten tussen zorgzame ouders op te lossen. 01/10/2018 - 30/09/2021

Abstract

Ouderlijke zorg bestaat uit twee niet verwante individuen die samen hun jongen opvoeden. Hierdoor wordt de overlevingskans van de jongen verhoogd en daarmee ook de fitness van beide ouders. De ouders moeten beiden investeren in deze zorg. Dit komt echter met een individuele kostenpost. Dus willen beide ouders idealiter zo min mogelijk investeren om de kosten te beperken voor zichzelf. Onlangs is er een nieuwe strategie voorgesteld welke een oplossing kan geven voor dit conflict tussen de ouders. Deze strategie is een vorm van samenwerken en bestaat uit het elkaar afwisselen in het voeren van de jongen. Er zijn echter nog een aantal aspecten onbekend welke essentieel zijn voor het begrijpen van deze strategie en de adaptieve significantie ervan. Deze studie richt zich daarom op het beantwoorden van (a) of het elkaar afwisselen in het voeren van de jongen een eerlijke evolutionaire stabiele strategie is; (b) hoe deze oplossing van het ouderlijke conflict de jongen beïnvloedt; (c) hoe de afwisselingsstrategie stand houdt wanneer de ouders meer nadruk moeten leggen op andere taken van zorg naast het voeren; (d) hoe belangrijk compatibiliteit is tussen ouders en hoe dit bereikt kan worden; (e) en wat de invloed is van omgevingsfactoren op deze strategie. Om deze vragen te beantwoorden zal er gebruik gemaakt worden van een wilde populatie pimpelmezen, een soort waarin beide ouders zorg dragen. Daarnaast zal er gebruik gemaakt worden van geavanceerde tracking apparatuur en video camera's. dit samen met goed ontworpen experimenten leidt tot gedetailleerde gedragsmetingen die bijdragen aan de beantwoording van de onderzoeksvragen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Sociaal klimaat en haar invloed op samenwerking in bonobo's en chimpansees 01/10/2017 - 31/05/2022

Abstract

Cultuur is een centraal thema om variatie tussen menselijke samenlevingen te begrijpen en een kenmerk van de menselijke soort. In recente jaren is cultuur ook geïdentificeerd bij niet-menselijke dieren. Deze vaststellingen tonen echter slechts culturele tradities aan (ie afgebakend gedrag zoals noten kraken met houten in plaats van stenen werktuigen), terwijl menselijke culturen ook van elkaar verschillen in termen van socialiteit op groepsniveau, dat wil zeggen de neiging om in de buurt te zijn van en interactie te hebben met anderen. Belangrijk is dat het bij de mens niet eender welke culturele traditie is, maar deze socialiteit op groepsniveau (voortaan "sociale cultuur") die leidt tot duidelijke verschillen in de expressie van adaptief gedrag, bv. samenwerking. Mijn project onderzoekt of verschillen in socialiteit tussen populaties van mensapen kunnen worden begrepen in termen van 'sociale cultuur' (bijvoorbeeld door zich te concentreren op genetica), en of deze verschillen variatie in samenwerking verklaren. Ik zal zowel in opvangcentra als in dierentuinen gehuisveste populaties van bonobo's en chimpansees bestuderen. Ik zal de hypothesen testen dat mensaapgroepen verschillen in hun socialiteit, dat deze variatie kan worden toegeschreven aan 'cultuur' en dat sociale groepen beter in staat zijn om samen te werken. Chimpansees en bonobo's zijn onze meest naaste levende verwanten, die slechts 5-8 mya van de menselijke afstamming zijn afgeweken. Als zodanig vormen beide soorten een uniek venster op ons evolutionaire verleden, d.w.z. op het verkrijgen van inzicht in het gedragsfenotype van onze laatste gemeenschappelijke voorouder en het identificeren van unieke menselijke eigenschappen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evaluatie van de effecten van perfluoralkyl componenten op vogels: een geïntegreerde veld en laboratorium benadering met zangvogels als modelsysteem 01/10/2017 - 30/09/2021

Abstract

Perfluorverbindingen zijn persistente organische verbindingen met een hoog productievolume, een breed gamma aan toepassingsmogelijkheden en een wereldwijde verspreiding. Alhoewel ze reeds meer dan 50 jaar geproduceerd worden, worden ze echter slechts sinds een tiental jaren bestudeerd in wetenschappelijke milieustudies. Er is nog maar weinig geweten over het voorkomen van deze verbindingen en over hun effecten bij zangvogels. De bedoeling van deze studie bestaat er in om kennishiaten met betrekking tot 'Adverse Outcome Pathways' (AOPs) voor perfluorverbindingen op te vullen door gebruik te maken van koolmezen als modelsysteem. Veldwerk in een pollutiegradiënt zal gecombineerd worden met experimenten in labo-omstandigheden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Genen en omgeving: over de wisselwerking tussen natuur en opvoeding. 01/10/2016 - 30/09/2021

Abstract

Maternale effecten —zoals de effecten van maternale hormonen op de ontwikkeling van de nakomelingen— werden recent in grote mate van detail bestudeerd. Aangezien een belangrijke functie van maternale effecten er in bestaat om nakomelingen aan te passen aan de omgeving waarin zij opgroeien, is het essentieel om omgevingseffecten in experimenten te betrekken. Maternale effecten zijn echter niet alleen belangrijk voor de jongen zelf; hun adaptieve waarde wordt alleen duidelijk indien ook de consequenties voor de fitness van de ouders onderzocht worden. Om de evolutionaire ecologie van, en de mogelijke selectie op, hormoonafhankelijke maternale effecten beter te begrijpen, is het tenslotte noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de mate van erfelijkheid van maternale hormoondepositie, de fenotypische plasticiteit in hormoondepositie en de erfelijkheid van deze plasticiteit.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Afgelopen projecten

Een experimentele studie naar de effecten van langdurige blootstelling aan kunstmatig licht tijdens de nacht op in het wild levende koolmezen (Parus major) en naar de effectiviteit van deeltijds verlichting als mitigerende strategie. 01/04/2020 - 31/03/2021

Abstract

Kunstmatig licht tijdens de nacht (Engelse afkorting ALAN, artificial light at night), of licht vervuiling is een toenemend en wereldwijd probleem. Er is groeiende bezorgdheid dat door de verstoring van de natuurlijk licht cyclus, ALAN serieuze risico's kan vormen voor de natuur. Alhoewel laboratorium studies aangetoond hebben dat ALAN meerdere aspecten van diergedrag kan beïnvloeden zijn er slechts een beperkt aantal studies die experimenteel getest hebben hoe in het wild levende dieren beïnvloed worden door ALAN. Bovendien worden nieuwe verlichtingsstrategieën gebruikt omdat deze worden beschouwd als ecologisch vriendelijk. De effecten van ALAN zijn echter grotendeels niet onderzocht en er is nog minder bekend over mitigerende strategieën. Ik zal voor het eerst op een experimenteel manier de effecten van lange termijn blootstelling aan ALAN bestuderen bij volwassen vrijlevende koolmezen en hun jongen, een belangrijke modelsoort. Verder zal ik de effectiviteit kwantificeren van deeltijds verlichting (verlichting uit van middernacht tot 05:00) als potentiële mitigerende strategie. Bij volwassenen zal ik onderzoeken in welke mate langdurige blootstelling aan ALAN slaap verstoort en of dit het voederen van de jongen kan beïnvloeden. Tot slot zal ik de effecten van ALAN op de vroege ontwikkeling en het bedelgedrag van de koolmees jongen bestuderen. Aan het einde van dit project streef ik naar een beter begrip van de gedragsmatige gevolgen van blootstelling aan ALAN bij volwassenen en nog in de groei zijnde dieren alsook de effectiviteit van deeltijds verlichting als een mitigerende strategie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Cascade effecten van PFAAs. Studie van de transcriptoom respons van kanaries op PFAAs en van de relaties met effecten op verschillende niveaus van biologische organisatie. 01/04/2019 - 30/03/2020

Abstract

Perfluorverbindingen (PFAAs) zijn persistente organische verbindingen met een hoog productievolume, een breed gamma aan toepassingsmogelijkheden en een wereldwijde verspreiding. Alhoewel ze reeds meer dan 50 jaar geproduceerd worden, worden ze echter slechts sinds een tiental jaren bestudeerd in wetenschappelijke milieustudies én is er nog maar weinig geweten over hun biologische effecten. In dit project bestuderen we de transcriptoom respons bij kanaries die experimenteel worden blootgesteld aan ecologisch relevante concentraties door gebruik te maken van 'high throughput sequencing'. Op deze manier kunnen we de moleculaire 'key events' bestuderen die de 'toxicity pathway' initiëren van deze verbindingen. Daarnaast zullen we ook in staat zijn om biomerkers (blootstelling en effect) te identificeren en karakteriseren op verschillende niveaus van biologische organisatie. De bekomen resultaten zullen ons toelaten om kennishiaten met betrekking tot 'Adverse Outcome Pathways' (AOPs) voor perfluorverbindingen op te vullen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Fysiologische stress als mogelijk onderliggend mechanisme voor de effecten van boskap op tropische vogels: een experimentele benadering. 01/10/2018 - 30/09/2020

Abstract

In dit project zal op een experimentele manier bestudeerd worden of fysiologische stress een belangrijk mogelijk onderliggend mechanisme is voor de effecten van boskap op tropische vogels. Dit zal gebeuren door middel van meta-analytisch onderzoek, observaties en experimenten. Het onderzoek zal plaatsvinden in Borneo.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een cognitieve bias studie naar individuele bonobo emoties. 01/10/2018 - 31/10/2019

Abstract

Net als mensen kunnen dieren emoties ervaren als vreugde, opwinding, verdriet en depressie. In tegenstelling tot wat we bij menselijke studies doen, kunnen we dieren echter niet simpelweg vragen hoe ze zich voelen. Wetenschappers hebben gedrags- en fysiologische metingen gebruikt om dierlijke emoties te identificeren. Toch zijn deze metingen moeilijk te interpreteren en meten ze vaak alleen het niveau van opwinding van de emoties, en niet of het een positieve of negatieve emotie is. Nieuwe inzichten uit wetenschappelijke studies suggereren dat de emoties van dieren cognitieve prestaties beïnvloeden zoals: aandacht, geheugen en oordeel. Het bestuderen van veranderingen in de cognitie van een dier kan dus informatie geven over hun emotionele toestand. Het voorgestelde onderzoeksproject heeft tot doel de cognitieve prestaties van bonobo's, een van onze naaste levende evolutionaire verwanten, te bestuderen als index voor hun emotionele toestand. Bovendien willen we de resultaten van de cognitieve taken aanvullen en valideren met fysiologische en gedragsmatige maatregelen. Daarnaast willen we onderzoeken welke individuele kenmerken deze emotionele toestanden bepalen door vragen te stellen als: zijn vrouwelijke bonobo's gelukkiger dan mannen? of, zijn bonobo's die minder sociaal humeuriger zijn dan sociale bonobo's? De resultaten van dit project bieden de mogelijkheid om een ​​kijkje te nemen in de geest van bonobo's en een beter begrip te krijgen van hun emoties. Omdat de bonobo onze evolutionaire neef is, zal dit ons in staat stellen het evolutionaire verleden van menselijke emoties te begrijpen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Slaap in de stad: Hoe lichtpollutie 'EEG-gebaseerd ' slaap beïnvloedt? 01/04/2018 - 31/03/2020

Abstract

Lichtpollutie in urbane gebieden is een toenemend probleem. Er is maar heel weinig geweten over de effecten van lichtpollutie op slaap. Door middel van experimenten zullen de effecten van lichtpollutie op slaap bestudeerd worden bij een modelsoort (koolmees; Parus major). Hierbij zal gebruik gemaakt worden van 'neurologgers'.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ben je verlegen of dapper? Zijn persoonlijkheidskenmerken ('bold-shy' as) gerelateerd aan foerageergedrag, fysiologie en reproductieve investering bij Noordse stormvogels? 01/04/2018 - 31/10/2018

Abstract

Naar schatting worden elk jaar over de hele wereld honderdduizenden zeevogels onopzettelijk gedood als gevolg van bijvangst door de visserij, door langlijnvisserij of in netten. Aan de andere kant hebben veel zeevogelsoorten baat bij visserijafval (ongewenste vangst) omdat het een gemakkelijke en voorspelbare voedselbron is. Het is opmerkelijk dat er niet alleen verschillen zijn tussen soorten in hoeverre ze gebruik maken van visserijafval en dus gemakkelijker vissersschepen benaderen, maar in de afgelopen jaren is er toenemend bewijs dat ook binnen soorten en populaties individuen zich specialiseren op verschillende voedselbronnen (zoals bijvoorbeeld visserijafval). Zulke individuele specialisatie in foerageergedrag is mogelijk gerelateerd aan persoonlijkheidskenmerken (consistente tussen-individuele verschillen in gedragskenmerken zoals vrijmoedigheid). In een levensgeschiedeniscontext is er de hypothese dat persoonlijkheid gelinkt is aan fysiologie en investering in voortplanting omdat bijvoorbeeld stoutmoedigere individuen, meer proactief zijn en een hoger metabolisme hebben. In deze context zouden meer stoutmoedige individuen een snellere levenscyclus hebben, gevoeliger zijn voor stress, jonger sterven en meer investeren in huidige voortplanting. Maar onderzoek bij vogels en specifiek bij zeevogels over de interactie tussen persoonlijkheid, foerageergedrag en investering in voortplanting, staat nog in zijn kinderschoenen. Noordse stormvogels (Fulmarus glacialis) zijn voedsel generalisten die zowel baat hebben bij visserijafval maar ook slachtoffer zijn van bijvangst door visserijen. Hun grootte maakt het mogelijk om moderne GPS loggers te bevestigen zonder dat dit hun vlieggedrag beïnvloedt, wat hen ideaal maakt voor het doel van mijn project. Ik zal testen (I) of persoonlijkheid een effect heeft op hoe dichtbij ze bij vissersboten willen komen, (II) of persoonlijkheid gerelateerd is aan de fysiologie van de vogels (telomeerlengte als indicator van oxidatieve schade; haptoglobine en stikstofoxide als indicatoren van onstekingsprocessen en immuunrespons) en ook (III) of persoonlijkheid gerelateerd is aan de investering in de voortplanting (i.e. ei gewicht, geboorte gewicht, groei en fysiologie van de jongen). Onderzoek naar het verband tussen persoonlijkheid, individuele specialisatie in foerageer gedrag, fysiologie en reproductieve investering zal ons ecologische begrip aanzienlijk verbeten en bovendien waardevolle informatie bieden om de impact van visserijen op de Noordse stormvogel te kwantificeren en daardoor ook relevante informatie opleveren met betrekking tot de instandhouding van de soort.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Samenwerking met het Vlaamse Instituut voor de Zee met betrekking tot ESFRI-Lifewatch. 01/01/2018 - 30/06/2020

Abstract

Soorten als de kleine mantelmeeuwen hebben zich optimaal aangepast aan het leven in een urbane omgeving, wat dus een groot aanpassingsvermogen suggereert. Kleine mantelmeeuwen zijn ook uitgesproken flexibel in hun foerageergedrag, tenminste op populatie niveau. Maar de meeste individuen maken niet gebruik van ieder habitat en alle mogelijke voedselbronnen die beschikbaar zijn, maar specialiseren. De adaptieve waarde van een degelijke specialisatie in foerageergedrag is weliswaar in hoge mate afhankelijk van de voorspelbaarheid van de omgevingsomstandigheden. Maar het wordt voor kleine mantelmeeuwen steeds moeilijker om het leefmilieu juist in te schatten, onder andere vanwege de grote veranderingen die de mens aan hun omgeving aanbrengt. Om een beter begrip van de consequenties van een degelijk snel veranderende omgeving voor de kleine mantelmeeuwen te verkrijgen, wordt in dit project onderzoek gedaan naar individuele beslissingen tijdens de reproductieve fase en hoe deze afhankelijk zijn van de manier hoe een individu op veranderingen in zijn omgeving reageert. Verder wordt onderzocht hoe de kosten en baten van individuele specialisatie variëren doorheen de jaarcyclus (migratie, nestplaats selectie, reproductie). Hiervoor worden grootschalige experimenten in het veld met wilde kleine mantelmeeuwen uitgevoerd. Er worden verschillende methodes toegepast zoals gedragsobservaties van individueel met kleurringen gekenmerkte vogels (samenwerking met het INBO) en GPS tracking (samenwerking met het VLIZ).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Lange-termijn effecten van metaalverontreiniging: het koppelen van telomeer dynamiek, biologische veroudering, infectie en fitness. 01/01/2018 - 31/03/2020

Abstract

Door gebruik te maken van koolmezen (Parus major) als modelsoort (in een eerder gekarakteriseerde pollutiegradiënt ten opzichte van een metallurgisch bedrijf), zullen de effecten van metaalvervuiling op de telomeerdynamiek, veroudering en op verschillende gedragingen (inclusief gedragssyndromen) bestudeerd worden. Koolmezen zullen bestudeerd worden in 6 verschillende nestkastpopulaties op een verschillende afstand ten opzichte van het metallurgisch bedrijf (pollutiebron). Er zal zowel correlatief als experimenteel onderzoek (bijvoorbeeld toediening van antioxidanten) uitgevoerd worden. qPCR technieken zullen gebruikt worden om de telomeerlengte en –dynamiek te bestuderen bij zowel nestgebonden als adulte koolmezen. Verschillende gedragingen zullen in detail bestudeerd worden: exploratiegedrag, agressie, en neofobie. Hiervoor zullen dieren herhaaldelijk getest worden zowel in het veld als onder labo-omstandigheden. Er zal ook worden nagegaan of metaalvervuiling de expressie van secundair seksuele kenmerken beïnvloedt. Een dergelijke geïntegreerde benadering werd bij ons weten tot op heden nog nooit gedaan, en is daarom heel relevant vanuit een fundamenteel als toegepast perspectief.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Effecten van licht- en geluidspollutie tijdens de ontwikkeling en in latere levensfasen: fysiologische stress, telomeerdynamiek en fitness. 01/01/2018 - 31/03/2020

Abstract

Organismen hebben adaptaties ontwikkeld om te kunnen omgaan met veranderingen in omgevingsfactoren, maar vele antropogene activiteiten induceren nieuwe stressoren. In deze studie zal ik de effecten van lichtpollutie en geluidspollutie tijdens de ontwikkeling van nestgebonden vogels bestuderen. Hierbij zullen koolmezen die in nestkasten broeden op de CDE-campus als modelsoort gebruikt worden. Zowel correlatieve als experimentele benaderingen zullen gebruikt worden. Er zal worden nagegaan (1) hoe lichtpollutie de ontwikkeling van jongen gedragsmatig en fysiologisch beïnvloedt; (2) hoe geluidspollutie de ontwikkeling beïnvloedt; (3) hoe licht- en geluidspollutie tesamen de gezondheid, fitness en persoonlijkheid beïnvloeden bij adulte dieren. Fysiologische effecten van licht- en geluidspollutie zullen bestudeerd worden door corticosteron te meten in veren van mezen en door de telomeerdynamiek te bestuderen. Onze geïntegreerde benadering zal nieuwe inzichten opleveren en mogelijks kunnen leiden tot het voorstellen van mitigerende maatregelen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Investering in ouderzorg in een veranderende wereld - hoe intrinsieke en extrinsieke factoren de ouderzorgstrategie veranderen 01/10/2017 - 30/09/2019

Abstract

Ouderlijke zorg vergroot de overlevingskans van jongen, maar is een grote kostenpost voor de ouders. Dieren die lang leven moeten daarom een afweging maken tussen de investering in hun huidige nakomelingen, en de investering in hun toekomstige nakomelingen en het onderhouden van zichzelf. Deze reproductieve beslissingen hangen af van zowel intrinsieke capaciteiten als sociale en ecologische omgevingsfactoren. Deze studie richt zich daarom op meerdere facetten van de ouderlijke zorg: (1) hoe zijn reproductieve beslissingen gerelateerd aan variatie in voedselaanbod, en vindt er een conflict plaats wanneer de voedselbehoeften van de jongen niet overeenkomen met de foerageerspecialisatie van de ouders? (2) hoe wordt ouderlijke zorg gecoördineerd en welke mate van investering maximaliseert het reproductieve succes van het individu? (3) op welke manier beïnvloeden intrinsieke veranderingen, zoals veroudering, de reproductieve strategie? Ik probeer antwoord op deze vragen te vinden door middel van onderzoek naar kleine mantelmeeuwen, zeevogels die lang leven en elk jaar naar dezelfde kolonie terugkeren om te broeden. Met behulp van de allernieuwste technologieën, zoals GPS-zenders, kan ik de ouderlijke zorg tot in detail opvolgen en meer inzicht krijgen in de reproductieve beslissingen die gepaard gaan met zowel intrinsieke als extrinsieke veranderingen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Competitie tussen vrouwelijke vogels in relatie tot hun persoonlijkheid en levensgeschiedenis: een geïntegreerde benadering 01/10/2017 - 30/09/2019

Abstract

In een natuurlijke populatie van koolmezen (Parus major) op de CDE-campus zal experimenteel onderzocht worden of er verbanden bestaan tussen verschillende vormen van vrouwelijke agressie, exploratiegedrag en fitness.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Aan de haak geslagen of vrij vliegend? Foerageergedrag van Ijslandse Noordse stormvogels in relatie tot visserijactiviteiten en habitatkarakteristieken: individuele specialisatie en persoonlijkheid 01/10/2017 - 31/10/2018

Abstract

In dit project zal het foerageergedrag van Ijslandse Noordse stormvogels bestudeerd worden in relatie tot visserijactiviteiten en habitatkarakteristieken. De persoonlijkheid van de Noordse stormvogels zal ook bestudeerd worden en in rekening gebracht worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De theorie van optimale foerageerstrategieën toegepast op 'central place foragers' in snel veranderende omgevingen. 01/10/2017 - 30/09/2018

Abstract

Van individuen wordt verwacht dat zij hun foerageerefficiëntie optimaliseren, om overleving en reproductief succes te maximaliseren. Deze foerageerefficiëntie wordt beïnvloed door verschillende intrinsieke (bv. lichaamsconditie) en externe factoren (bv. teruggegooide vis en de temperatuur van het zeeoppervlak). Daarbovenop hebben verschillende individuen hun foerageerefficiëntie verder geoptimaliseerd, door zich te specialiseren en slechts een beperkte niche te gebruiken van het brede spectrum. Echter, specialisatie kan een beperking opleggen aan de nodige plasticiteit in gedrag, wat een vereiste is wanneer leefomstandigheden veranderen. Voor Central place foragers (CPF), die dienen terug te keren naar een specifieke locatie tussen foerageertrips in, zullen de effecten van veranderende leefomstandigheden waarschijnlijk nog zichtbaarder zijn. Daarom is het doel van dit project om de foerageerefficiëntie van een CPF te bepalen, en te meten hoe deze foerageerefficiëntie relateert naar inter- en intra-individuele variatie in foerageerspecialisatie. Ik zal hiervoor de verandering in foerageerstrategieën onderzoeken in functie van intrinsieke en externe factoren, en voorspellen wat de effecten zullen zijn van een veranderende leefomgeving op individuele foerageerefficiëntie. Om dit te bewerkstelligen zal ik volière- en veldexperimenten uitvoeren op kleine mantelmeeuwen, uitgerust met tele-detectie toestellen die nauwkeurige metingen van bewegingsdynamica toelaten. Data van deze experimenten zullen samengevoegd worden met data van hun leefomgeving en beschikbare hulpmiddelen, voornamelijk teruggegooide vis. Hiermee zal een individueel foerageermodel ontwikkeld worden, dat zal toelaten voorspellingen te doen over de effecten van snelle veranderingen in de leefomgeving op foerageerefficiëntie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Experimentele studie van de effecten van lichtvervuiling tijdens de ontwikkeling bij vrij-levende vogels: integratie van mechanistische benaderingen met korte- en lange-termijn effecten op de gezondheid en de fitness. 01/01/2017 - 31/12/2020

Abstract

Lichtvervuiling is een wereldwijd probleem dat snel in omvang toeneemt. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het grote effecten heeft op de biodiversiteit en het gedrag en de fysiologie van dieren. Desondanks is er nog maar weinig geweten over de mogelijke effecten van lichtvervuiling bij wilde dieren, en in het bijzonder over effecten van blootstelling tijdens de vroege ontwikkeling. In dit project onderzoeken we experimenteel en op een geïntegreerde manier welke de effecten van lichtvervuiling tijdens de vroege ontwikkeling op korte en lange termijn zijn bij wilde vogels.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Effecten van metalen en (bijhorende) oxidatieve stress op de snelheid van veroudering, gedrag en fitness. 01/10/2016 - 30/09/2019

Abstract

Door gebruik te maken van koolmezen (Parus major) als modelsoort (in een pollutiegradiënt ten opzichte van een metallurgisch bedrijf), zullen de effecten van metaalvervuiling op oxidatieve stress, telomeerdynamiek, veroudering, gedrag en fitness bestudeerd worden. Er zal ook nagegaan worden of metaalvervuiling de expressie van secundair seksuele kenmerken beïnvloed en een impact heeft op exploratiegedrag en 'risk taking'.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Stress en herpes virale infecties in de fregatvogel (Fregata magnificens): een experimentele evolutionair fysiologische benadering. 01/10/2016 - 30/09/2018

Abstract

Omgevingsstressoren kunnen de secretie van hormonen (glucocorticoïden) verhogen en op die manier de fysiologische stressrespons activeren die vervolgens kan leiden tot een verslechtering van de gezondheidstoestand en de oxidatieve stress toestand, hetgeen virusreplicatie kan bevorderen. Wij zullen een unieke kolonie van fregatvogels bestuderen en de fysiologische mechanismen onderzoeken die veranderingen in omgevingsstressoren linken aan uitbraken van herpesvirussen en aan overlevingsperspectieven.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Korte en lange termijn effecten van lichtvervuiling op de koolmees (Parus major) en de effectiviteit van mitigerende strategieën. 01/10/2016 - 30/09/2018

Abstract

Lichtvervuiling is een wereldwijd probleem dat snel in omvang toeneemt. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het grote effecten heeft op de biodiversiteit en het gedrag van dieren. Desondanks is er nog maar weinig informatie bekend over de mogelijke effecten van lichtvervuiling. Er worden wel al nieuwe lichtstrategieën gebruikt om het effect op de natuur te beperken maar of deze strategieën effectief zijn, is nog niet onderzocht. In dit project onderzoeken we wat de effecten van lichtvervuiling op korte en lange termijn zijn en of de nieuwe 'ecologisch vriendelijke' verlichting effectief is.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Hoe tijdelijke samenwerking bereikt kan worden om de conflicten tussen zorgzame ouders op te lossen. 01/10/2016 - 30/09/2018

Abstract

Ouderlijke zorg bestaat uit twee niet verwante individuen die samen hun jongen opvoeden. Hierdoor wordt de overlevingskans van de jongen verhoogd en daarmee ook de fitness van beide ouders. De ouders moeten beiden investeren in deze zorg. Dit komt echter met een individuele kostenpost. Dus willen beide ouders idealiter zo min mogelijk investeren om de kosten te beperken voor zichzelf. Onlangs is er een nieuwe strategie voorgesteld welke een oplossing kan geven voor dit conflict tussen de ouders. Deze strategie is een vorm van samenwerken en bestaat uit het elkaar afwisselen in het voeren van de jongen. Er zijn echter nog een aantal aspecten onbekend welke essentieel zijn voor het begrijpen van deze strategie en de adaptieve significantie ervan. Deze studie richt zich daarom op het beantwoorden van (a) of het elkaar afwisselen in het voeren van de jongen een eerlijke evolutionaire stabiele strategie is; (b) hoe deze oplossing van het ouderlijke conflict de jongen beïnvloedt; (c) hoe de afwisselingsstrategie stand houdt wanneer de ouders meer nadruk moeten leggen op andere taken van zorg naast het voeren; (d) hoe belangrijk compatibiliteit is tussen ouders en hoe dit bereikt kan worden; (e) en wat de invloed is van omgevingsfactoren op deze strategie. Om deze vragen te beantwoorden zal er gebruik gemaakt worden van een wilde populatie pimpelmezen, een soort waarin beide ouders zorg dragen. Daarnaast zal er gebruik gemaakt worden van geavanceerde tracking apparatuur en video camera's. dit samen met goed ontworpen experimenten leidt tot gedetailleerde gedragsmetingen die bijdragen aan de beantwoording van de onderzoeksvragen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Fysiologische stress als mogelijk onderliggend mechanisme voor de effecten van boskap op tropische vogels: een experimentele benadering. 01/10/2016 - 30/09/2018

Abstract

In dit project zal op een experimentele manier bestudeerd worden of fysiologische stress een belangrijk mogelijk onderliggend mechanisme is voor de effecten van boskap op tropische vogels. Dit zal gebeuren door middel van meta-analytisch onderzoek, observaties en experimenten. Het onderzoek zal plaatsvinden in Borneo.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Opvullen van kennishiaten met betrekking tot 'Adverse Outcome Pathways' (AOPs) voor perfluorverbindingen: een geïntegreerde veld en laboratorium benadering bij zangvogels. 01/10/2016 - 30/09/2017

Abstract

Perfluorverbindingen zijn persistente organische verbindingen met een hoog productievolume, een breed gamma aan toepassingsmogelijkheden en een wereldwijde verspreiding. Alhoewel ze reeds meer dan 50 jaar geproduceerd worden, worden ze echter slechts sinds een tiental jaren bestudeerd in wetenschappelijke milieustudies. Er is nog maar weinig geweten over het voorkomen van deze verbindingen en over hun effecten bij zangvogels. De bedoeling van deze studie bestaat er in om kennishiaten met betrekking tot 'Adverse Outcome Pathways' (AOPs) voor perfluorverbindingen op te vullen door gebruik te maken van koolmezen als modelsysteem. Veldwerk in een pollutiegradiënt zal gecombineerd worden met experimenten in labo-omstandigheden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het ecologische belang van ontwikkelingsstress: hoe ervaringen op jonge leeftijd bijdragen tot een resistent fenotype. 01/10/2016 - 31/12/2016

Abstract

Een belangrijke uitdaging voor ecologen en evolutionair biologen bestaat er in om te achterhalen hoe organismen omgaan met omgevingsveranderingen. Aan de hand van observaties en experimenten zullen we nagaan of 'early life priming' aan stressvolle omstandigheden lange termijn effecten heeft. Het voorgestelde onderzoek is belangrijk om responsen van organismen aan veranderende omstandigheden te kunnen voorspellen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Seksueel conflict over ouderzorg – temporele dynamiek van het onderhandelingsproces 01/04/2016 - 31/03/2017

Abstract

Ouders die hun jongen opvoeden worden hedendaags niet langer aanzien als harmonieus interagerende familieleden, maar eerder als entiteiten die betrokken zijn in een wapenwetloop, gevormd door onderlinge evolutionaire conflicten. Hoewel ouders tijdelijk samenwerken om de overlevingskans van de jongen te verhogen, haalt elke ouder er extra voordeel uit door de grootste werklast af te schuiven op de partner. Ouders moeten dus onderhandelen over hun investering om een optimale samenwerking te bekomen. Het is hedendaags echter helemaal niet duidelijk hoe dergelijke onderhandelingen kunnen bijdragen tot de evolutionaire stabiele waarde van ouderzorg. In feite stapelen tegenstrijdige assumpties en voorspellingen zich op in theoretische studies, wat grotendeels te maken heeft met een gebrek aan empirische kennis omtrent hoe het onderhandelingsproces ontwikkeld doorheen de reproductieve periode. Het doel van dit voorstel is daarom om de aankoop van een herbruikbaar detectiesysteem te bekostigen, om zo een hiaat in onze kennis te overbruggen. Er worden zorgvuldig gekozen en gevalideerde experimenten gepland in een pimpelmeespopulatie nabij Antwerpen. Het gevraagde detectiesysteem is gemakkelijk om aan te brengen en verzamelt extreem gedetailleerde informatie omtrent mannelijke en vrouwelijke strategieën tijdens het groot brengen van de jongen. Deze aankoop zou een enorm complementair voordeel bieden voor mijn geplande onderzoek. Samengevat, het detectiesysteem zal een beduidende toename betekenen voor onze kennis over de mechanismen dat leiden tot seksueel conflict (en het oplossen ervan) en zal de basis vormen voor de volgende generatie theoretische onderhandelingsmodellen, die de evolutionaire stabiliteit verklaren rond ouderzorg.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Optimale ouderlijke investering – een strijd tussen de seksen. 01/10/2015 - 30/09/2019

Abstract

Het opvoeden van nakomelingen verloopt alles behalve harmonieus in de natuur. Één van de familieconflicten is de strijd tussen de ouders over de optimale tijd en energie investering voor de nakomelingen. Er is duidelijke onenigheid in de theoretische literatuur over hoe deze familieconflicten opgelost worden en hoe ouderzorg door beide ouders kan blijven voortbestaan. Er is een dringende nood aan empirische en experimentele studies die (1) het onderhandelingsproces tussen beide ouders in kaart brengen, (2) wat de voor- en nadelen zijn van ouderzorg, (3) wat de bijdrage is van taakverdeling en (4) of er fysiologische en genetische beperkingen zijn op de evolutie van ouderlijk gedrag. Aan de hand van specifieke gedragsexperimenten zal geprobeerd worden om deze gaten in de literatuur op te vullen. Algemeen zal dit onderzoeksproject zal onze fundamentele kennis omtrent het voorkomen, behoud en evolutie van kenmerken beduidend verbreden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Flexibiliteit - een bepalende factor voor adaptief oudergedrag. 01/10/2015 - 31/12/2017

Abstract

Ouderzorg is een welgekend fenomeen in het dierenrijk. Het verhoogt de overlevingskansen van de nakomelingen, maar heeft tegelijkertijd 'fitness' kosten voor de ouders. Ouders moeten dus afwegen om te investeren in de huidige nakomelingen of in eigen onderhoud. Deze 'trade-off' is fundamenteel voor 'life history' theorieën. De kosten en baten van een ouderlijke beslissing over de mate van ouderzorg zijn echter niet constant, maar variëren met een groot aantal omgevingsfactoren. Ouders reageren daarom bij het nemen van ouderlijke beslissingen op signalen van hun ecologische of sociale omgeving. Fenotypische plasticiteit, ofwel de flexibiliteit van een kenmerk binnen een individu in respons tot zijn omgeving, speelt daarom een centrale rol in ouderzorg. Desondanks is de mate van flexibiliteit onder sommige omstandigheden beperkt. Individuen vertonen bijvoorbeeld vaak heel consistente gedragspatronen, zoals specialisatie in foerageergedrag, wat potentieel ook consistentie in andere kenmerken met zich mee brengt ("persoonlijkheid"). Mogelijkerwijs heeft dit implicaties voor hun fenotypische plasticiteit in ouderzorg. Verder hangt de optimale ouderlijke beslissing niet alleen van het individu zelf af, maar ook van de (respons op de) bijdrage van de partner. Deze plasticiteit tijdens reciproque interacties tussen de partners heeft hoogst waarschijnlijk een invloed op de efficiëntie van de samenwerking binnen een koppel, en dus uiteindelijk op hun reproductief succes. De reciproque interacties over de mate van ouderzorg kunnen ertoe leiden dat de betrokken kenmerken aan elkaar aangepast worden (via indirecte genetische effecten), wat in de context van ouder-jong interacties reeds werd aangetoond. Indien kenmerken zulke co-evolutie vertonen, beperkt dit mogelijkerwijs de verdere evolutie van de afzonderlijke kenmerken. Deze beperkingen hebben mogelijkerwijs ook invloed op de evolutionaire ecologie van ouderzorg. De multidimensionale complexiteit in ouderzorg is bijzonder interessant en relevant, ook gezien het belang van ouderzorg voor de ontwikkeling van de nakomelingen en dus 'fitness'. Fenotypische plasticiteit in ouderzorg kan het best bestudeerd worden binnen het recent ontwikkelde 'behavioral reaction norm concept'. Deze aanpak maakt het mogelijk om fenotypische variatie in gedrag in verschillende componenten te splitsen, waarvan vervolgens de adaptieve waarde bepaald kan worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Investering in ouderzorg in een veranderende wereld - hoe intrinsieke en extrinsieke factoren de ouderzorgstrategie veranderen. 01/10/2015 - 30/09/2017

Abstract

Ouderlijke zorg vergroot de overlevingskans van jongen, maar is een grote kostenpost voor de ouders. Dieren die lang leven moeten daarom een afweging maken tussen de investering in hun huidige nakomelingen, en de investering in hun toekomstige nakomelingen en het onderhouden van zichzelf. Deze reproductieve beslissingen hangen af van zowel intrinsieke capaciteiten als sociale en ecologische omgevingsfactoren. Deze studie richt zich daarom op meerdere facetten van de ouderlijke zorg: (1) hoe zijn reproductieve beslissingen gerelateerd aan variatie in voedselaanbod, en vindt er een conflict plaats wanneer de voedselbehoeften van de jongen niet overeenkomen met de foerageerspecialisatie van de ouders? (2) hoe wordt ouderlijke zorg gecoördineerd en welke mate van investering maximaliseert het reproductieve succes van het individu? (3) op welke manier beïnvloeden intrinsieke veranderingen, zoals veroudering, de reproductieve strategie? Ik probeer antwoord op deze vragen te vinden door middel van onderzoek naar kleine mantelmeeuwen, zeevogels die lang leven en elk jaar naar dezelfde kolonie terugkeren om te broeden. Met behulp van de allernieuwste technologieën, zoals GPS-zenders, kan ik de ouderlijke zorg tot in detail opvolgen en meer inzicht krijgen in de reproductieve beslissingen die gepaard gaan met zowel intrinsieke als extrinsieke veranderingen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Conditie-afhankelijke zang expressie en partner keuze gedrag in kanaries (Serinus canaria). 01/10/2015 - 30/09/2017

Abstract

De theorie van seksuele selectie voorspelt dat de expressie van kenmerken die door dit type selectie zijn geëvolueerd, een eerlijke indicatie zijn van de kwaliteit van het individu. Vrouwen selecteren op basis van deze kenmerken de beste partner. Kwaliteit is een resultaat van omgevingsconditie, genetische conditie, of een combinatie van beide. Tot nog toe is het effect van genetische conditie en een mogelijke interactie tussen genetische en omgevingsconditie op de expressie van seksueel geselecteerde kenmerken vrijwel onbekend. In deze studie wordt de genetische conditie in een zangvogel (Serinus canaria) door middel van inteelt gemanipuleerd, om het effect van genetische conditie op de expressie van zang, een seksueel geselecteerd kenmerk, en partnerkeuze te onderzoeken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vliegen met de wind. Foerageergedrag en –ecologie van Antarctische stormvogels in relatie tot wind- en habitatkarakteristieken 01/02/2015 - 31/12/2015

Abstract

Wereldwijde klimaatverandering zal leiden tot een dramatische vermindering van zee-ijs en ook wind condities veranderen. Gebruik makend van een natuurlijk experiment zal ik het foerageergedrag, de vlucht kosten en vlucht beslissingen van vier soorten zee-ijs geassocieerde Antartische stormvogels, die verschillen in hun morfologie, bestuderen in relatie tot milieu karakteristieken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Effecten van lichtpollutie op gedragsmatige, 'life-history' en fysiologische kenmerken bij zangvogels: een geïntegreerde benadering. 01/01/2015 - 31/12/2018

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutie van kenmerk groepen en limitaties door intralocus seksueel conflict. 01/01/2015 - 31/12/2017

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Foerageergedrag en –ecologie van Antarctische stormvogels in relatie tot wind- en habitatkarakteristieken. 01/10/2014 - 30/09/2017

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Stress en herpes virale infecties in de fregatvogel (Fregata magnificens): een experimentele evolutionair fysiologische benadering. 01/10/2014 - 30/09/2016

Abstract

Omgevingsstressoren kunnen de secretie van hormonen (glucocorticoïden) verhogen en op die manier de fysiologische stressrespons activeren die vervolgens kan leiden tot een verslechtering van de gezondheidstoestand en de oxidatieve stress toestand, hetgeen virusreplicatie kan bevorderen. Wij zullen een unieke kolonie van fregatvogels bestuderen en de fysiologische mechanismen onderzoeken die veranderingen in omgevingsstressoren linken aan uitbraken van herpesvirussen en aan overlevingsperspectieven.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Korte en lange termijn effecten van lichtvervuiling op de koolmees (Parus major) en de effectiviteit van mitigerende strategieën. 01/10/2014 - 30/09/2016

Abstract

Lichtvervuiling is een wereldwijd probleem dat snel in omvang toeneemt. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het grote effecten heeft op de biodiversiteit en het gedrag van dieren. Desondanks is er nog maar weinig informatie bekend over de mogelijke effecten van lichtvervuiling. Er worden wel al nieuwe lichtstrategieën gebruikt om het effect op de natuur te beperken maar of deze strategieën effectief zijn, is nog niet onderzocht. In dit project onderzoeken we wat de effecten van lichtvervuiling op korte en lange termijn zijn en of de nieuwe 'ecologisch vriendelijke' verlichting effectief is.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Oxidatieve stress als een beperking en kost van reproductie 01/02/2014 - 31/12/2014

Abstract

Alhoewel herhaaldelijk gesuggereerd werd dat er verbanden zijn tussen oxidatieve stress en reproductieve investeringen, zijn hier geen duidelijke experimentele bewijzen voor. Daarom zullen we in dit project de hypothese testen dat een experimenteel verhoogde mate van ouderzorg de oxidatieve stress doet toenemen en toekomstige investeringen en overleving beïnvloedt. Gedomesticeerde kanaries zullen gebruikt worden als modelsoort.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Costantini David

Onderzoeksgroep(en)

"Born to ageing parents" - integratie van pre- en postnatale parentale effecten. 01/01/2014 - 31/12/2017

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Oxidatieve stress als een beperking en kost van reproductie. 01/10/2013 - 30/09/2016

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Maternale effecten gemedieerd door immuniteit: bronnen van variatie in maternale antilichamen en effecten op de nakomelingen bij in het wild levende rotspinguins. 01/10/2013 - 30/09/2016

Abstract

De kwaliteit van de ouders evenals de omgeving waarin ze leven kunnen een effect hebben op de manier waarop nakomelingen later omgaan met de pathogenen waaraan ze worden blootgesteld. In dit voorstel zal ik de relaties tussen de immuniteit van de moeder, de vader en hun nakomelingen bestuderen. Hiervoor zal ik zowel een correlatieve als een experimentele benadering (vaccinatie van de moeders) toepassen met complementaire en herhaalde metingen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ouderlijke zorg: evolutionair product van conflict en co-adaptatie. 01/10/2013 - 30/09/2015

Abstract

Interacties tussen zorgzame ouders en nakomelingen is een van het meest wijdverspreide sociale gedrag bij dieren. Deze relatie tussen ouders en nakomelingen heeft betrekking op twee partijen en de evolutie hiervan is daarom afhankelijk van de evolutie van twee eigenschappen, ouderlijke zorg en het bedelen van nakomelingen. Vanuit een kwantitatief genetisch perspectief zou er co-adaptatie tussen beide gedragingen moeten ontstaan, die uiteindelijk zou moeten leiden tot een (genetische) co-variatie. Desalniettemin is bewijs voor co-adaptatie, de onderliggende genetica en de mogelijke gevolgen voor fitness nog zeer beperkt, met name in natuurlijke populaties. Om voorspellingen van de co-adaptatie hypothese te testen maak ik gebruik van de wilde pimpelmees (Cyanistes caeruleus).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Conditie-afhankelijke zang expressie en partnerkeuze in kanaries (Serinus canaria). 01/10/2013 - 30/09/2015

Abstract

De theorie van seksuele selectie voorspelt dat de expressie van kenmerken die door dit type selectie zijn geëvolueerd, een eerlijke indicatie zijn van de kwaliteit van het individu. Vrouwen selecteren op basis van deze kenmerken de beste partner. Kwaliteit is een resultaat van omgevingsconditie, genetische conditie, of een combinatie van beide. Tot nog toe is het effect van genetische conditie en een mogelijke interactie tussen genetische en omgevingsconditie op de expressie van seksueel geselecteerde kenmerken vrijwel onbekend. In deze studie wordt de genetische conditie in een zangvogel (Serinus canaria) door middel van inteelt gemanipuleerd, om het effect van genetische conditie op de expressie van zang, een seksueel geselecteerd kenmerk, en partnerkeuze te onderzoeken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Impact van oceaantemperaturen op de broedingsecologie en -fenologie van rotspinguïns. 01/10/2013 - 30/09/2014

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Kunnen veranderingen in klimaat in combinatie met een gewijzigde blootstelling aan vlamvertragers over de tijd veranderingen in de concentraties van het stresshormoon corticosterone teweeg brengen in de Europese zeearend (Haliaeetus albicilla)? 01/02/2013 - 30/04/2013

Abstract

Het verbod om PBDEs te gebruiken als vlamvertragers (FRs) in Europa heeft geleid tot recente stijgingen in het verbruik van alternatieve FRs, zoals HBCD, TBBPA, BTBPE en organofosfaat FRs. In dit project zullen tijd-trends (1969 tot nu) van zowel gereguleerde als nieuwe FRs bestudeerd worden met behulp van een collectie veren van Europese zeearenden (Haliaeetus albicilla). Daarnaast zal de interactie tussen veranderingen in klimaat en tijd-trends van FRs op de stresshormoon concentratie in veren van de zeearenden onderzocht worden. Het simultaan meten van FRs en stress hormonen in veren is een nieuwe aanpak die zal leiden tot een beter begrip van hoe verschillende omgevingsfactoren kunnen bijdragen tot variaties in stress respons.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Jaspers Veerle

Onderzoeksgroep(en)

Interacties tussen natuurlijke stress en blootstelling aan polluenten in roofvogel nestjongen: het gebruik van veren als een geïntegreerde maat voor vervuiling, voedingsecologie en stress. 01/01/2013 - 31/12/2016

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutionair ecologische perspectieven op het familieleven bij vogels: een studie naar de genetische en fenotypische mechanismen van bedelgedrag. 01/10/2012 - 30/09/2016

Abstract

Bedelgedrag, de vraag naar voedsel door nog onzelfstandige jongen, is een gedrag van enorm groot belang, omdat het directe effecten heeft op de groei, overleving, en dus de fitness van de nestjongen. Jongen proberen met behulp van hun bedelgedrag de ouders te stimuleren om voedsel aan hen door te geven, maar hun vraag naar voedsel is vaak groter dan de ouders zouden willen geven, omdat, tenminste bij vogels, ouders en nestjongen niet genetisch identiek zijn. Op het ogenblik dat nestjongen bedelgedrag vertonen, oefenen zij een selectieve druk op hun ouders uit, maar tegelijkertijd is hun gedrag ook het doelwit van selectie, omdat hun gedrag beïnvloedt word door de ouderlijke respons op hun gedrag. Beide gedragingen zullen dus vanuit evolutionaire perspectief co-adapteren. Vanuit deze redeneringen wordt duidelijk dat bedelgedrag een complex evolutionair patroon zal volgen, gekenmerkt door co-evolutie en evolutionaire interesse conflicten. Om deze complexiteit beter te kunnen begrijpen, is het noodzakelijk om uitgebreide informatie over de selectie op en erfelijkheid van bedelgedrag te verkrijgen. Een heel geschikte kwantitatief genetische techniek om evolutionaire processen te bestuderen is artificiële selectie op het kenmerk waarin men geïnteresseerd is uit te oefenen, in dit geval het bedelgedrag van de jongen. Door gebruik te maken van artificiële selectie is het niet alleen mogelijk om de patronen van genetische overerving te bestuderen, maar ook om covariantie en co-selectie met kenmerken te bestuderen, die eventueel trade-offs veroorzaken of gecoadapteert zijn. Dit maakt het uiteindelijk mogelijk om belangrijke evolutionair ecologische aannames te testen, bijvoorbeeld in de context van evolutionaire interesse conflicten in de familie of de eerlijkheid van bedelgedrag als signaal voor noodzaak. Artificiële selectie is ook geschikt om de onderliggende mechanismen van bedelgedrag te identificeren, omdat fenotypische selectie op bedelgedrag tot een gecorreleerde respons in de fysiologische mechanismen kan leiden. Fysiologische mechanismen zoals de endocriene regulatie van bedelgedrag via testosteron kunnen de selectie en evolutie beïnvloeden of zelfs hinderen, indien een en hetzelfde mechanisme de expressie van verschillende fenotypische kenmerken beïnvloedt. Echter blijft het vaak onduidelijk hoe fysiologische mechanismen de evolutie van kenmerken beïnvloeden en is het dus noodzakelijk om niet alleen de genetische maar ook de fenotypische mechanismen te bestuderen. Uiteindelijk zal de gecombineerde informatie helpen te begrijpen welke mechanismen bedelgedrag adaptief maken en dus ons kennis van de evolutionaire ecologie van life-history kenmerken en fitness componenten verhogen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Conflict tussen ouders en nakomelingen in kanaries: individuele plasticiteit, genetische basis en co-adaptatie. 01/10/2012 - 30/09/2014

Abstract

Hoewel de evolutie van ouderlijke zorg essentieel is voor het begrijpen van onder andere sociale systemen en seksuele selectie, is er vrijwel niets bekend over zijn genetische architectuur. De evolutie van ouderzorg wordt verder sterk beïnvloed door een belangenconflict over de mate van ouderlijke investering tussen ouders en hun nakomelingen. Dit kan invloed hebben op de evolutie van twee eigenschappen: verzorgingsgedrag door de ouders en het bedelgedrag van het nageslacht. De theorie voorspelt dat deze gedragskenmerken uiteindelijk genetisch gecorreleerd zouden moeten zijn, aangezien elk van hen een selectieve druk zal uitoefenen op de evolutie van de andere. Mijn voorgestelde onderzoeksproject is gericht op het bestuderen van de genetische basis en de gevolgen van co-adaptatie tussen deze gedragingen. Daarvoor zal ik de erfelijkheid, de fenotypische plasticiteit en de co-variantie van beide eigenschappen, en ook de functionele gevolgen van co-adaptatie voor ouders en nakomelingen bekijken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Oprechte signalisatie bij vogels: kunnen carotenoïden stereoidogenese promoten. 01/10/2012 - 30/09/2013

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Eens Marcel
  • Mandaathouder: Casagrande Stefania

Onderzoeksgroep(en)

Modelleren van accumulatie en effecten van organische polluenten in roofvogels: een studie naar de interacties tussen blootstelling, veranderingen in klimaat en voedingsecologie bij de zeearend (Haliaeetus albicilla) als modelsoort. 01/10/2012 - 30/04/2013

Abstract

Het doel van dit postdoc mandaat is om de blootstelling en effecten van organische polluenten in roofvogels te bestuderen. Ik zal hiervoor gebruik maken van een modelsoort, de zeearend (Haliaeetus albicilla). Vooreerst zal de blootstelling, opname en bioaccumultaie van organische polluenten over de tijd bestudeerd worden, door de ontwikkeling van een bioaccumulatie model voor de zeearend. Dit model zal aangepast worden vertrekkend van een bestaand model voor zeezoogdieren, ontwikkeld aan de Universiteit Antwerpen (drs. Liesbeth Weijs). Vervolgens zal ik mij richten op de effecten van organische polluenten, door de concentraties van deze polluenten in de zeearend in verband te brengen met chemische bloed parameters, stresshormonen en conditie van de vogels. Daarnaast zal de relatie tussen populatiegrootte en trends van organische polluenten in de tijd worden onderzocht in een kolonie zeearenden van de Baltische zee. Het laatste onderdeel van deze studie heeft tot doel om de blootstelling aan organische polluenten te bestuderen in relatie tot veranderingen in klimaat en voedselcondities. Voor veranderingen in klimaatcondities te schatten zal gebruik gemaakt worden van klimaatindices, vb. de Noord Atlantische Oscillatie (NAO) index. Veranderingen in voedingsecologie zullen bepaald worden door meting van stabiele isotopen van koolstof en stikstof. 13C/12C isotopen ratios kunnen gebruikt worden om de relatieve input van mariene en terrestrische bronnen in het dieet te bepalen, terwijl 15N/14N ratios de positie in de voedselketen weerspiegelen. Relaties over de tijd zullen worden nagegaan tussen concentraties van organische polluenten, de NOA index en ratios van de stabiele isotopen C en N.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

We are chemistry, ontwikkelen van pedagogisch materiaal en lespakketten voor leerkrachten chemie in de tweede graad van het secundair onderwijs. 01/07/2012 - 30/09/2013

Abstract

Onderzoek wijst uit dat leerlingen zich in hun latere studiekeuze niet zelden laten inspireren door herinneringen aan interessante lessen of boeiende leerkrachten. Het enthousiasme en de passie waarmee een leerkracht zijn of haar vak brengt, heeft met andere woorden een directe impact op de richting die jongeren in hun latere leven inslaan. Wil men op duurzame wijze de instroom in wetenschappelijke richtingen stimuleren, is het dan ook van kapitaal belang leerkrachten in het secundair voldoende toe te rusten opdat zij hun vak optimaal kunnen brengen. In de tweede graad is dit niet evident om verschillende redenen ; leerkrachten wetenschappen hebben er slechts zelden een wetenschappelijke achtergrond, er zijn nauwelijks lespakketten, de leerstof leent zich niet makkelijk tot proeven, bedrijfsbezoeken en dergelijke meer. Via dit project willen we de achtergrond / noden van leerkrachten wetenschappen in de tweede graad in kaart brengen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie van de mechanismen en functies van zang - een kwantitatief genetische benadering. 01/01/2012 - 31/12/2015

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Kunst en de evolutie van biologische signalen in een culturele soort. 01/01/2012 - 31/12/2015

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Zang bij zangvogels als model voor de studie van complexe gedragingen. (FWO VisK Fel., Clémentine FRITSCH, Frankrijk) 01/01/2012 - 31/12/2012

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Laat me je kleur zien, dan ken ik jouw kwaliteit 01/01/2012 - 31/12/2012

Abstract

Totnogtoe is er discussie of de kleur van vrouwelijke individuen informatie kan geven over hun kwaliteit. In dit project wensen wij relaties tussen de kleur van vrouwelijke vogels en maten van individuele kwaliteit te bestuderen, alsook verbanden tussen de kleur van eieren en hun samenstelling. Wij streven ernaar om kleurmetingen als een niet-invasieve methode te gebruiken om de kwaliteit van vrouwelijke individuen en hun eieren in te schatten.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Poisbleau Maud

Onderzoeksgroep(en)

Genen en omgeving: over de wisselwerking tussen natuur en opvoeding. 01/10/2011 - 30/09/2016

Abstract

Maternale effecten —zoals de effecten van maternale hormonen op de ontwikkeling van de nakomelingen— werden recent in grote mate van detail bestudeerd. Aangezien een belangrijke functie van maternale effecten er in bestaat om nakomelingen aan te passen aan de omgeving waarin zij opgroeien, is het essentieel om omgevingseffecten in experimenten te betrekken. Maternale effecten zijn echter niet alleen belangrijk voor de jongen zelf; hun adaptieve waarde wordt alleen duidelijk indien ook de consequenties voor de fitness van de ouders onderzocht worden. Om de evolutionaire ecologie van, en de mogelijke selectie op, hormoonafhankelijke maternale effecten beter te begrijpen, is het tenslotte noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de mate van erfelijkheid van maternale hormoondepositie, de fenotypische plasticiteit in hormoondepositie en de erfelijkheid van deze plasticiteit.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ouderlijke zorg: evolutionair product van conflict en co-adaptatie. 01/10/2011 - 30/09/2013

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Zanggedrag van de koolmees. 01/10/2011 - 30/09/2012

Abstract

Zangonderzoek verrichten in verschillende Europese populaties van de koolmees. Analyseren van longitudinale datasets van individueel gemerkte koolmezen die in verschillende opeenvolgende jaren werden opgenomen in het kader van experimentele en veldstudies.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Maternale investering in dooier hormonen en carotenoïden: bronnen van variatie en effecten op de nakomelingen bij in het wild levende rotspinguins. 01/01/2011 - 31/12/2013

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Poisbleau Maud

Onderzoeksgroep(en)

Match of mismatch? Een kosten-batenanalyse van maternale effecten bij kanaries (Serinus canaria). 01/01/2011 - 31/12/2012

Abstract

Ondanks het vele onderzoek naar de functie van maternale hormonen bij vogels, werden de gevonden kosten en baten tot nog toe enkel vanuit het perspectief van het jong en onafhankelijk van de opgroeiomgeving beschreven. Een gevonden effect zou echter in de ene omgeving positief kunnen zijn, maar in een andere omgeving juist negatief. Het is dus belangrijk om in dergelijke experimenten ook met de omgevingsafhankelijkheid rekening te houden. Hiernaast dienen ook de hieraan verbonden consequenties voor de ouders in acht genomen te worden. Wat optimaal is voor de ouders is immers niet noodzakelijkerwijs optimaal voor de jongen. Mogelijkerwijs is een omgevingsafhankelijke hormoondepositie de optimale strategie van de moeder ter maximalisatie van haar fitness. De adaptieve waarde van de hormoondepositie kan dus pas in deze bredere context bepaald worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van oxytocine en vasopressine als proximale basis van (pro)sociaal gedrag:inter- en intraspecifieke vergelijking van bonobo (Pan paniscus) en chimpansee (Pan troglodytes). 01/12/2010 - 30/11/2014

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds de KMDA. UA levert aan de KMDA de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Conflict tussen ouders en nakomelingen in kanaries: individuele plasticiteit, genetische basis en co-adaptatie. 01/10/2010 - 30/09/2012

Abstract

Hoewel de evolutie van ouderlijke zorg essentieel is voor het begrijpen van onder andere sociale systemen en seksuele selectie, is er vrijwel niets bekend over zijn genetische architectuur. De evolutie van ouderzorg wordt verder sterk beïnvloed door een belangenconflict over de mate van ouderlijke investering tussen ouders en hun nakomelingen. Dit kan invloed hebben op de evolutie van twee eigenschappen: verzorgingsgedrag door de ouders en het bedelgedrag van het nageslacht. De theorie voorspelt dat deze gedragskenmerken uiteindelijk genetisch gecorreleerd zouden moeten zijn, aangezien elk van hen een selectieve druk zal uitoefenen op de evolutie van de andere. Mijn voorgestelde onderzoeksproject is gericht op het bestuderen van de genetische basis en de gevolgen van co-adaptatie tussen deze gedragingen. Daarvoor zal ik de erfelijkheid, de fenotypische plasticiteit en de co-variantie van beide eigenschappen, en ook de functionele gevolgen van co-adaptatie voor ouders en nakomelingen bekijken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Adaptieve waarde en mechanismen van variatie in maternale hormonen bij de grasparkiet (Melopsittacus undulatus) 01/10/2010 - 30/09/2012

Abstract

In deze studie behandelen we maternale dooierhormonen bij de grasparkiet (Melopsittacus undulatus), die het vrouwtje in staat stellen het fenotype van de nakomelingen optimaal aan te passen aan hun toekomstige omgeving. We bestuderen de differentiële depositie van hormonen binnen een legsel en tussen legsels. We zoeken naar het mechanisme waarop maternale hormonen naar de dooier gealloceerd worden en we onderzoeken de effecten van differentiële depositie op de nakomelingen, zowel op korte als ook op lange termijn.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Metalen, oxidatieve stress en carotenoïdenafhankelijke kleur: verbleken koolmezen (Parus major) door metaalverontreiniging? 01/10/2010 - 31/03/2012

Abstract

Het doel van dit project is om de signaalfunctie van een carotenoïdenafhankelijke kleur, in relatie tot oxidatieve stressniveaus en voedselkwaliteit, na te gaan bij de koolmees (Parus major). De koolmees heeft een carotenoïdenafhankelijk signaal, namelijk de gele kleur van de borst. De felheid van deze borstkleur wordt in verband gebracht met de conditie en de kwaliteit van de drager. Het onderzoek wordt uitgevoerd in een gekende metaalpollutiegradiënt. We verwachten dat vogels in vervuilde gebieden onder invloed van metaalgeïnduceerde oxidatieve stress en/of lagere voedselkwaliteit zullen verbleken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Oorzaken en gevolgen van variatie in complexe secundair seksuele zangkenmerken: een longitudinale en multidisciplinaire benadering door integratie van gedragsmatige, fysiologische en moleculaire data. 01/01/2010 - 31/12/2013

Abstract

In dit project willen wij op een geïntegreerde manier de oorzaken en gevolgen van variatie in een grote verscheidenheid van zangkenmerken bestuderen bij koolmezen. Door gebruik te maken van automatische zangregistratiesystemen zullen we alle mogelijke aspecten van de zang van minimaal 200 vrijlevende koolmezen gedetailleerd registreren en kwantificeren. Hierbij zal getracht worden om zo veel mogelijk mannetjes gedurende hun ganse leven te volgen. Deze unieke dataset zal dan de basis vormen voor verdere cross-sectionele en longitudinale analyses. Door gebruik te maken van fysiologische, immuno-endocriene, en state-of-the-art moleculaire technieken, evenals van persoonlijkheids- en leertesten én van erfelijkheidsanalyses, zullen wij de oorzaken van verschillen in zanggedrag op een geïntegreerde manier bestuderen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Oorzaken en gevolgen van variatie in complexe secundair seksuele zangkenmerken: een longitudinale en multidisciplinaire benadering door integratie van gedragsmatige, fysiologische en moleculaire data. 01/01/2010 - 31/12/2013

Abstract

In dit project willen wij op een geïntegreerde manier de oorzaken en gevolgen van variatie in een grote verscheidenheid van zangkenmerken bestuderen bij de koolmees, Parus major. Door gebruik te maken van automatische zangregistratiesystemen zullen we alle mogelijke aspecten van de zang van minimaal 300 vrijlevende koolmezen gedetailleerd registreren en kwantificeren. Hierbij zal getracht worden om zo veel mogelijk mannetjes gedurende hun ganse leven te volgen. Deze unieke dataset zal dan de basis vormen voor verdere cross-sectionele en longitudinale analyses. Door gebruik te maken van fysiologische, immuno-endocriene, en state-of-the-art moleculaire technieken, evenals van persoonlijkheids- en leertesten én van erfelijkheidsanalyses, zullen wij de oorzaken van verschillen in zanggedrag op een geïntegreerde manier bestuderen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Geografische verspreiding en weefseldistributie van de opkomende vlamvertragers HBCD (hexabroomcyclododecaan) en TBBPA (tetrabromobisfenol A). 01/01/2010 - 31/12/2011

Abstract

Recent heeft het intensieve gebruik van de gebromeerde vlamvertragers hexabromocyclodecaan (HBCD) en tetrabromobisfenol A (TBBPA) geleid tot hun wereldwijde verspreiding in het milieu. Informatie over concentraties en mogelijke effecten is dus van groot belang. Vogels worden al sinds de jaren 1960 succesvol gebruikt als biomonitor. In dit project zullen we gebruik maken van roofvogels om geografische patronen en weefseldistributie na te gaan.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Jaspers Veerle

Onderzoeksgroep(en)

De invloed van testosteron en stress op de zangontwikkeling en zangexpressie bij adulte mannelijke spreeuwen. 01/01/2010 - 31/12/2011

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds IWT. UA levert aan IWT de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Maternale investering in eieren: bronnen van variatie en effecten op de nakomelingen bij in het wild levende rotspinguins. 01/10/2009 - 30/09/2013

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Match of mismatch? Een kosten-batenanalyse van maternale effecten bij kanaries (Serinus canaria). 01/01/2009 - 31/12/2010

Abstract

Ondanks het vele onderzoek naar de functie van maternale hormonen bij vogels, werden de gevonden kosten en baten tot nog toe enkel vanuit het perspectief van het jong en onafhankelijk van de opgroeiomgeving beschreven. Een gevonden effect zou echter in de ene omgeving positief kunnen zijn, maar in een andere omgeving juist negatief. Het is dus belangrijk om in dergelijke experimenten ook met de omgevingsafhankelijkheid rekening te houden. Hiernaast dienen ook de hieraan verbonden consequenties voor de ouders in acht genomen te worden. Wat optimaal is voor de ouders is immers niet noodzakelijkerwijs optimaal voor de jongen. Mogelijkerwijs is een omgevingsafhankelijke hormoondepositie de optimale strategie van de moeder ter maximalisatie van haar fitness. De adaptieve waarde van de hormoondepositie kan dus pas in deze bredere context bepaald worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een studie naar de functionele rol van het "mannelijke" hormoon testosteron bij vrouwelijke vertebraten. 01/01/2009 - 31/12/2010

Abstract

Het doel van dit project is om de effecten van testosteron (T) te onderzoeken op de morfologie, fysiologie en gedrag van vrouwtjes koolmezen (Parus major) en uiteindelijk de fitness van de vrouwtjes. Verder wil ik nagaan of de T-concentraties in vrouwtjes het gevolg zijn van een gecorreleerde respons op de T-concentraties in mannetjes. Aan het einde van dit project zullen de resultaten geïntegreerd worden met de op dat ogenblik beschikbare literatuur over T bij vrouwelijke vogels. Hierdoor kunnen we een beter inzicht krijgen in de rol van T bij wijfjes en algemene conclusies kunnen maken over verbanden tussen T en gedragsmatige, fysiologische en morfologische parameters.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie naar de accumulatie, geografische variatie en effecten van organische polluenten bij roofvogels. 01/10/2008 - 10/01/2012

Abstract

De doelstellingen van dit project zijn - Het bestuderen van de factoren die de concentraties van organische polluenten in veren beïnvloeden; - Onderzoek naar de relatie tussen concentraties van organische polluenten en mogelijke effecten bij vogels; - Bepalen van geografische variatie voor contaminatie met organische polluenten met behulp van veren; - Integratie van alle resultaten: welke factoren verklaren de variatie in contaminatie tussen vogelsoorten?

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Maternale transfer, effecten en metabolisatie van polygebromeerde difenyl ethers (PBDEs) in zangvogels. 01/10/2008 - 30/09/2011

Abstract

Het vooropgestelde onderzoeksproject beoogt een beter inzicht te krijgen in 1) de maternale transfer, 2) de reproductieve, gedragsmatige en gezondheids- effecten en 3) de toxicokinetiek en metabolisatie van PBDEs. Omdat het deca-BDE mengsel het enige PBDE product is dat tot op heden nog gebruikt mag worden, zal er dan ook speciale aandacht aan besteed worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Metalen, oxidatieve stress en carotenoïdenafhankelijke kleur: verbleken koolmezen (Parus major) door metaalverontreiniging. 01/10/2008 - 30/09/2010

Abstract

Het doel van dit project is om de signaalfunctie van een carotenoïdenafhankelijke kleur, in relatie tot oxidatieve stressniveaus en voedselkwaliteit, na te gaan bij de koolmees (Parus major). De koolmees heeft een carotenoïdenafhankelijk signaal, namelijk de gele kleur van de borst. De felheid van deze borstkleur wordt in verband gebracht met de conditie en de kwaliteit van de drager. Het onderzoek wordt uitgevoerd in een gekende metaalpollutiegradiënt. We verwachten dat vogels in vervuilde gebieden onder invloed van metaalgeïnduceerde oxidatieve stress en/of lagere voedselkwaliteit zullen verbleken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Adaptieve waarde en mechanismen van variatie in maternale hormonen bij de grasparkiet (Melopsittacus undulatus). 01/10/2008 - 30/09/2010

Abstract

In deze studie behandelen we maternale dooierhormonen bij de grasparkiet (Melopsittacus undulatus), die het vrouwtje in staat stellen het fenotype van de nakomelingen optimaal aan te passen aan hun toekomstige omgeving. We bestuderen de differentiële depositie van hormonen binnen een legsel en tussen legsels. We zoeken naar het mechanisme waarop maternale hormonen naar de dooier gealloceerd worden en we onderzoeken de effecten van differentiële depositie op de nakomelingen, zowel op korte als ook op lange termijn.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De functie van maternale androgenen bij vogels: van aanpassingen aan de opgroeiomstandigheden tot langdurige effecten. 01/07/2008 - 31/12/2012

Abstract

De effecten van maternale hormonen op het fenotype van de nakomelingen bij vogels vormen mogelijkerwijs een adaptief maternaal effect. Omdat een belangrijke functie van maternale effecten erin bestaat de nakomelingen aan te passen aan de omgeving waarin zij opgroeien, is het dus essentieel de omgeving in de experimenten te betrekken. Verder is het buitengewoon belangrijk om mogelijke langdurige effecten te bestuderen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie van intraspecifieke variatie in het verplaatsingsgedrag van een kleine benthivore vissoort: integratie van gedragsecologische, endocriene en genetische data. 01/01/2008 - 31/12/2011

Abstract

De hoofddoelstelling van dit project is bij te dragen tot één van de belangrijkste intellectuele uitdagingen van de moderne biologie, nl. de studie van intraspecifieke variatie van dierlijk gedrag. Meer specifiek heeft dit project als doel inzicht te verschaffen in het verplaatsingsgedrag van kleine benthivore zoetwatervissoorten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Seksuele kenmerken - indicatoren van ontwikkelingsgeschiedenis en individuele kwaliteit 01/01/2008 - 31/12/2009

Abstract

Seksuele kenmerken worden gezien als indicatoren van de genetische kwaliteit van een mannetje. Deze kenmerken geven echter niet alleen informatie over de conditie en de vaardigheden om de momentele omgeving aan te kunnen. De hypothese is dat deze kenmerken ook indicatoren van de geschiedenis van een individu zijn. Maar het is nauwelijks geweten hoe vrouwtjes bij de partnerkeuze van deze verschillende infomatiebronnen gebruik maken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Metalen, oxidatieve stress en carotenoïdenafhankelijke kleur: verbleken koolmezen (Parus major) door metaalverontreiniging? 01/01/2008 - 30/09/2008

Abstract

Het doel van dit project is om de signaalfunctie van een carotenoïdenafhankelijke kleur, in relatie tot oxidatieve stressniveaus en voedselkwaliteit, na te gaan bij de koolmees (Parus major). De koolmees heeft een carotenoïdenafhankelijk signaal, namelijk de gele kleur van de borst. De felheid van deze borstkleur wordt in verband gebracht met de conditie en de kwaliteit van de drager. Het onderzoek wordt uitgevoerd in een gekende metaalpollutiegradiënt. We verwachten dat vogels in vervuilde gebieden onder invloed van metaalgeïnduceerde oxidatieve stress en/of lagere voedselkwaliteit zullen verbleken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De gevolgen van gastheer-parasiet co-evolutie voor seksuele selectie en life-history kenmerken: studies vanuit twee evolutionaire standpunten. 01/10/2007 - 31/03/2009

Abstract

De doelstellingen van het voorstelde project zijn het onderzoeken van (i) het effect van malaria prevalentie op seksuele signalen; (ii) de potentiële fysiologische en genetische mechanismen die verantwoordelijk zijn voor het behoud van betrouwbare signalen van parasitaire besmetting(sniveaus); (iii) de interspecifieke relatie tussen ziekterisico en paarsysteem; (iv) de evolutionaire relatie tussen de life-history kenmerken van de parasiet en de gastheer, met de nadruk op het perspectief van malariaparasieten. Het onderzoek zal experimentele en correlationele studies integreren bij een vrij-levende vogelsoort in combinatie met de analyses van interspecifieke gegevens met behulp van fylogenetisch vergelijkende benaderingen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Secundair seksuele kenmerken en oxidatieve stress: zijn sexy mannen, gezonde mannen? 01/07/2007 - 31/12/2011

Abstract

De expressie van secundair seksuele kenmerken is vaak een eerlijk signaal voor de conditie van de drager. In dit project zal nagegaan worden of secundair seksuele kenmerken in de koolmees (Parus major) gerelateerd zijn met oxidatieve stress gehalten, veroorzaakt door blootstelling aan metalen. In een cross-fostering experiment zal de invloed van afkomst en omgeving op oxidatieve stress en secundair seksuele kenmerken onderzocht worden.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Dauwe Tom

Onderzoeksgroep(en)

Zang bij zangvogels als modelsysteem voor de studie van complexe gedragingen: integratie van ecologische, fysiologische en neurobiologische data in een evolutionair kader. 01/01/2007 - 31/12/2010

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Conflict management en post-conflict stress van bonobo's (Pan paniscus) in gevangenschap. 01/01/2007 - 31/12/2008

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Misleidende signalen ? Moederlijke dooier androgenen bij vogels en hun rol in het conflict om ouderlijke zorg. 01/10/2006 - 31/12/2008

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie van het voorkomen van zware metalen en persistente organische polluenten bij verschillende vogelsoorten, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van niet-destructieve methoden voor biomonitoring. 01/10/2006 - 30/09/2008

Abstract

Menselijke activiteiten hebben geleid tot het vrijkomen van vele schadelijke stoffen die nu soms wereldwijd verspreid zijn, zoals zware metalen en persistente organische polluenten (POPs). De groeiende bezorgdheid omtrent mogelijke effecten van deze polluenten heeft geleid tot het ontwikkelen van biomonitoringprogramma's. Op dit ogenblik bestaan er zeer weinig wetenschappelijke gegevens over (1) het voorkomen van vele polluenten in biota en (2) de bruikbaarheid van verschillende vogelsoorten als bio-indicatorsoort, alhoewel er een grote behoefte bestaat aan dergelijke evaluaties bij vogels en andere diergroepen. In deze studie zal het voorkomen van verschillende polluenten, zoals zware metalen, PCBs, pesticiden, PBDEs en PFOS, bepaald worden in weefselstalen, veren, bloed en eieren van verschillende vogelsoorten. Er zijn nog maar weinig gegevens over de concentratie van recente POPs, zoals PBDEs (brandvertragers) en PFOS, bij terrestrische gewervelde dieren (o.a. vogels) in Vlaanderen. Daarnaast is er nog geen vergelijkend onderzoek verricht naar de bruikbaarheid van verschillende vogelsoorten als bioindicatorsoort voor zware metalen en POPs. Het voorkomen van zware metalen en POPs zal vergeleken worden tussen verschillende soorten die van elkaar verschillen in eigenschappen zoals voedselvoorkeur en ecologie, territoriumgrootte, lichaamsgrootte, enz. Een laatste doelstelling van mijn project bestaat er in na te gaan of vogelveren bruikbaar zijn om vervuiling met POPs te bepalen. Indien veren gebruikt kunnen worden als een niet-destructieve monitor, is het opofferen van vogels voor het bepalen van de graad van vervuiling niet meer nodig. Tenslotte zal ik de resultaten van de verschillende onderzoeken integreren om na te gaan welke vogelsoorten het meest geschikt zijn als biomononitor voor beide typen van polluenten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van het 'mannelijk' geslachtshormoon testosteron bij vrouwelijke vertebraten: een geïntegreerde studie met de koolmees en de spreeuw als modelsoorten. 01/07/2006 - 31/12/2010

Abstract

Het doel van dit project is een beter inzicht te krijgen in de rol van het 'mannelijk' hormoon testosteron (T) bij vrouwelijke vertebraten. Dit zal gebeuren door (1) de effecten van experimenteel verhoogde T waarden op verschillende gedragsmatige, reproductieve en fysiologische parameters bij vrouwelijke koolmezen en spreeuwen te bestuderen in het wild en in gecontroleerde experimentele omstandigheden en (2) na te gaan in welke mate T-gevoelige kenmerken een effect hebben op de fitness.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Thiobarbituurzuur reactieve stoffen (TBARS) in veren: een nieuwe methode om op een niet-destructieve wijze oxidatieve stress te bepalen. 01/03/2006 - 31/12/2007

Abstract

Oxidatieve stress in organismen kan resulteren in de peroxidatie van alle belangrijke biomoleculen, waaronder lipiden. De meest gebruikte techniek om de peroxidatie van lipiden te meten is door de hoeveelheid thiobarbituurzuur reactieve stoffen (TBARS) te kwantificeren. In het kader van deze studie zal een methode ontwikkeld en gevalideerd worden om TBARS te meten in veren van vogels.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Dauwe Tom

Onderzoeksgroep(en)

Misleidende signalen? Moederlijke dooier androgenen bij vogels en hun rol in het conflict om ouderlijke zorg. 01/03/2006 - 31/12/2007

Abstract

In dit project wordt de mogelijke rol van de transfer van hormonen naar de eieren door wijfjes bij vogels in het conflict tussen beide seksen over de hoeveelheid ouderzorg onderzocht. Vermits het bedelgedrag van de jongen, wat centraal staat in dit conflict, beïnvloed wordt door maternale hormonen, zouden vrouwtjes de mogelijkheid hebben, via het (door maternale hormonen verhoogde) bedelgedrag van de jongen, de voergedrag van hun partner te manipuleren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rivierdonderpad (Cottus gobio) als modelsoort voor de studie van benthivore visverplaatsingen: integratie van gedragsecologische en genetische data. 01/03/2006 - 31/12/2007

Abstract

Kennis omtrent het verplaatsingsgedrag van niet-commerciële zoetwatervissoorten, in het bijzonder benthivore soorten, is momenteel zeer beperkt. Deze studie heeft als doel de leemte hieromtrent op te vullen, meer specifiek voor de rivierdonderpad (Cottus gobio). Hierbij zal gebruik gemaakt worden van zowel directe (vangst-merk-hervangst, telemetrie) als indirecte (genetische merkers) methoden, hetgeen wetenschappelijk zeer relevant en innovatief is.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Knaepkens Guy

Onderzoeksgroep(en)

Vrouwen maken de man: seksuele selectie en fitness bij bonobo's. 01/01/2006 - 31/12/2007

Abstract

Bij bonobo's (Pan paniscus) is de relatie tussen de dominantiepositie van de mannen en hun paarsucces onduidelijk. Ranghoge mannen slagen er niet in vrouwtjes te monopoliseren en zo het vaderschap op te eisen. De sociale structuur van bonobogemeenschappen voorziet in twee verklaringen waarom dit zo is: ten eerste bezetten de vrouwen de hoogste posities in de dominantiehierarchie, ten tweede is door de verlengde zwellingscyclus van de vrouwtjes het exacte moment van de ovulatie verborgen voor de mannen. We verwachten daarom een grote invloed van vrouwelijke partnerkeuze op het mannelijk reproductief succes. We zullen aan de hand van gedragsobservaties in verschillende Eurpese dierentuinen bepalen hoe belangrijk vrouwelijke partnerkeuze is bij bonobo's, en of seksuele selectie gebeurt op grond van fysieke eigenschappen of persoonlijke gedragskenmerken van de mannen. Een ander belangrijke doelstelling is te bepalen hoe en wanneer die keuze tot uiting komt. We onderzoeken of de vrouw paringen beperkt tot één mannetje op of rond de dag van ovulatie, of dat zij met meerdere mannen paart en dan het vaderschap cryptisch bepaalt. Om deze doelstellingen te bereiken worden enerzijds nieuwe observaties gedaan, anderzijds worden stamboekgegevens en gegevens van de laatste 10 jaar gedragsonderzoek op bonobo's geanalyseerd. Het project wordt uitgevoerd in het kader van een samenwerking tussen de Universiteit Antwerpen en de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Antwerpen (KMDA) en is van essentieel belang voor het voortbestaan van de bonobo in gevangenschap. In het Europese kweekprogramma (European Endangered Species Program) van de bonobo wordt volledig voorbijgegaan aan het belang van seksuele selectie, waardoor dieren die belangrijk zijn voor de kweek zich niet altijd voortplanten. Gedetailleerde kennis over de rol van partnerkeuze zal in de toekomst kunnen bijdragen tot het bereiken van optimale kweekomstandigheden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Seksuele selectie en communicatie bij vogels: een geïntegreerde benadering. 01/01/2006 - 31/12/2006

Abstract

In dit project bestuderen we enerzijds het relatief belang van verschillende kenmerken (zang, persoonlijkheidskenmerken, kleur- en vederkleed-kenmerken, morfologische kenmerken) bij de partnerkeuze en de mannelijke rivaliteit bij zangvogels. Daarnaast gaan we na of vrouwtjes meer investeren in reproductie wanneer zij een aantrekkelijke partner hebben (gemeten aan de hand van secundair seksuele kenmerken). Zo gaan we na of vrouwtjes de depositie van maternale hormonen in hun eieren aanpassen als reactie op seksuele signalen van hun partner.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vader's goede genen en extra hulp van de moeder - worden de kosten en baten van maternale dooier androgenen bepaald door de aantrekkelijkheid van de partner ? 01/10/2005 - 30/09/2009

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rivierdonderpad als modelsoort voor onderzoek naar het verplaatsingsgedrag van benthivore vissoorten: integratie van ecologische en genetische data. 01/10/2005 - 30/06/2008

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De effecten van lood op de spermakwaliteit van vogels met bijzondere aandacht voor de rol van oxidatieve stress. 01/10/2005 - 31/12/2007

Abstract

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Dauwe Tom

Onderzoeksgroep(en)

De rol van carotenoïden bij oxidatieve stress, immunocompetentie en expressie van secundair seksuele kenmerkien bij vogels, met bijzondere aandacht voor eventuele trade-offs : een multidisciplinaire benadering. 01/01/2005 - 31/12/2008

Abstract

In het kader van dit project willen we op een gei"ntegreerde wijze de rol van caroteno1den bij de 3 bovenvennelde functies (oxidatieve stress, immlUlostimulatie en expressie van seClUldair seksuele ken- merken) bestuderen bij vogels, met bijzondere aandacht voor even- tuele 'trade-offs'. Meer concreet, zulIen we nagaan of caroteno1den de mate en de effecten van oxidatieve stress (in dit project gei"ndu- ceerd door lood) in vogels verminderen. Hierbij zal nagegaan worden of het gebruik van caroteno1den als antioxidant een invloed heeft op andere functies van caroteno1den zoals de expressie van caroteno1denafhankelijke seclUldair seksuele kenmerken en de immuunrespons. Dit project zal dus bijdragen tot betere inzichten in de rol van caroteno1denafhankelijke kenmerken als 'honest signals' voor de weerstand tegen oxidatieve stress en de immlUlO- competentie in vogels en andere vertebraten. Daarenboven zal nagegaan worden of interspecifieke verschillen in de toxiciteit van lood verklaard kunnen worden door verschillen in de concentratie antioxidanten, zoals recente studies suggereren. De doelstellingen zullen 'gerealiseerd worden aan de hand van experirnenten in laboratorium en natuurlijke omstandigheden. Bij het onderzoek in natu~.lijk~ o~st.andigheden zullen koolmezen als modelsoort gebroiktworden omdat ze gebroik maken van nestkas- ten en gemakkelijk te bestuderen en manipuleren zijn. Bovendien is de koolmees een van de weinige vogelsoorten waarbij de jongen reeds opvallende carotenoldenafhankelijke kenmerken hebben (fschirren et al., 2003). Janssens et al. (2003a) hebben daarenboven aangetoond dat koolmezen gevoelig zijn voor zware metalen ver- ontreiniging, wat onder meer resulteerde in een verminderd repro- ductief succes. Deze eigenschappen, tesamen met de bovenver- melde unieke pollutiegradient, maken de koolmees een zeer geschikt model in het kader van dit project. Omdat koolmezen echter moei- lijk in gevangenschap kunnen bestudeerd worden, zal bij de experi- menten in gecontroleerde labo-omstandigheden de zebravink (T aeniopygia guttata) gebroikt worden als studiesoort. Deze kleine zangvogel is een belangrijke modelsoort in gedragsecologisch onderzoek en werd door de onderzoeksgroep ETHOL reeds gebroikt in een studie naar de accumulatie van lood in weefsels en veren (Dauwe et al., 2002; Snoeijs et al., in prep.).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vogelzang en parasieten : onderzoek naar de relatie tussen een complex communicatiesysteem en de immuunfunctie aan de hand van empirische en vergelijkende studies. 01/10/2004 - 30/09/2007

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Effecten van schadelijke stoffen op de spermakwaliteit en het reproductief succes van vogels : een experimentele studie. 01/10/2004 - 30/09/2007

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie van het voorkomen van persistente organische polluenten en zware metalen bij verschillende vogelsoorten, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van niet-destructieve methoden voor biomonitoring. 01/10/2004 - 30/09/2006

Abstract

Menselijke activiteiten hebben geleid tot het vrijkomen van vele schadelijke stoffen die nu soms wereldwijd verspreid zijn, zoals zware metalen en persistente organische polluenten (POPs). De groeiende bezorgdheid omtrent mogelijke effecten van deze polluenten heeft geleid tot het ontwikkelen van biomonitoringprogramma's. Op dit ogenblik bestaan er zeer weinig wetenschappelijke gegevens over (1) het voorkomen van vele polluenten in biota en (2) de bruikbaarheid van verschillende vogelsoorten als bio-indicatorsoort, alhoewel er een grote behoefte bestaat aan dergelijke evaluaties bij vogels en andere diergroepen. In deze studie zal het voorkomen van verschillende polluenten, zoals zware metalen, PCBs, pesticiden, PBDEs en PFOS, bepaald worden in weefselstalen, veren, bloed en eieren van verschillende vogelsoorten. Er zijn nog maar weinig gegevens over de concentratie van recente POPs, zoals PBDEs (brandvertragers) en PFOS, bij terrestrische gewervelde dieren (o.a. vogels) in Vlaanderen. Daarnaast is er nog geen vergelijkend onderzoek verricht naar de bruikbaarheid van verschillende vogelsoorten als bioindicatorsoort voor zware metalen en POPs. Het voorkomen van zware metalen en POPs zal vergeleken worden tussen verschillende soorten die van elkaar verschillen in eigenschappen zoals voedselvoorkeur en ecologie, territoriumgrootte, lichaamsgrootte, enz. Een laatste doelstelling van mijn project bestaat er in na te gaan of vogelveren bruikbaar zijn om vervuiling met POPs te bepalen. Indien veren gebruikt kunnen worden als een niet-destructieve monitor, is het opofferen van vogels voor het bepalen van de graad van vervuiling niet meer nodig. Tenslotte zal ik de resultaten van de verschillende onderzoeken integreren om na te gaan welke vogelsoorten het meest geschikt zijn als biomononitor voor beide typen van polluenten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een geïntegreerde studie naar de effecten van persistente organochlore polluenten (POPs) op insectivore zangvogels, met speciale aandacht voor de mogelijke endocrienverstorende eigenschappen van POPs. 01/01/2004 - 31/12/2007

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de invloed van seksuele selectie en interspecifieke competitie op de grootte en samenstelling van het pimpelmeeszangrepertoire. 01/01/2004 - 31/12/2005

Abstract

Pimpelmezen (Parus caeruleus) vertonen een uitgesproken variatie in samenstelling (proportie zangtypen met en zonder triller) en grootte van het zangrepertoire van Noord Europa tot de Mediterrane regio, Noord Afrika en de Canarische eilanden. Zo varieert de repertoiregrootte (het aantal zangtypen per individu) tussen populaties van 3 tot 19 verschillende zangtypen. In Noord Europa komen zangtypen met een triller veel voor terwijl deze trillers zeldzaam zijn in Zuid Spanje en Corsica en volledig afwezig zijn op de Canarische eilanden. Recent heeft men ontdekt dat interspecifieke competitie met koolmezen (Parus major) een belangrijke invloed uitoefent op de compositie van het pimpelmeesrepertoire en de grootte ervan. Akoestische competitie tussen beide soorten zou het gevolg kunnen zijn van een syntax-overlap tussen koolmeeszang en pimpelmeeszangtypen zonder triller. Trillers zouden bijgevolg ontstaan kunnen zijn om agressieve, energie-eisende territoriale interacties met koolmezen te vermijden. Zangvariatie zou echter ook het gevolg kunnen zijn van seksuele selectie. De grootte van de zangrepertoires werd in het verleden reeds vele malen gerelateerd aan de intensiteit van seksuele selectie. Maar ook de samenstelling van het repertoire kan beïnvloed worden door seksuele selectie. In het merendeel van zangvogels met een groot repertoire, blijken alle zangtypen dezelfde of gelijkaardige functies uit te oefenen. Bij pimpelmezen zijn er echter aanwijzingen dat sommige zangtypen in verschillende contexten gebruikt worden, terwijl andere onderling verwisselbaar zijn. Dit is één van de eerste studies die experimenteel onderzoekt in hoeverre geografische variatie van zang het gevolg zou kunnen zijn van geografische variatie in selectiedrukken. Er zal nagegaan worden welke factoren (seksuele selectie, interspecifieke competitie) een invloed uitoefenen op de grootte en compositie van het pimpelmeesrepertoire en of de bijdrage van deze factoren dezelfde is in geografisch verschillende populaties pimpelmezen die opvallend verschillen in repertoiregrootte en in proportie trillers. Deze studie levert een vernieuwende en fundamentele bijdrage aan het reeds bestaande onderzoek en draagt in belangrijke mate bij tot het ontrafelen van de factoren die de evolutie van vogelzang beïnvloeden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie van secundair seksuele kenmerken en gedragingen bij vrouwelijke zangvogels : een interdisciplinaire benadering. 01/10/2003 - 30/09/2006

Abstract

Secundaire seksuele kenmerken geven signalen aan potentiële partner over de individuele kwaliteit - 'good genes' hypothese. In de laatste jaren is er een groeiende interesse voor de evolutie van secundaire seksuele kenmerken bij vrouwelijke soorten. In de literatuur vinden we meer en meer bewijzen dat de partner selectie niet alleen tot de keuze van het wijfje beperkt is maar ook bilateraal kan voorkomen. Verder het was voorgesteld dat secundaire seksuele kenmerken bij wijfjes een adaptieve waarde kunnen hebben. Dit doctoraatsonderzoek draagt in belangrijke mate bij tot het ontrafelen van de functie van secundaire seksuele kenmerken en gedragingen bij vrouwelijke spreeuwen Sturnus vulgaris. Deze studie richt zich op het zanggedrag van vrouwelijke spreeuwen en voornamelijk op de endocriene en neurobiologische basis van het zanggedrag. Meer in detail wordt de seizoenale en individuele variaties in de zang van de wijfjes bestudeerd. Door de relaties tussen zangkenmerken (zang complexiteit en/of zang frequentie) en andere parameters (immuunrepons, gewicht, datum van paar vorming, legselgrootte) na te gaan, biedt deze studie een beter inzicht in de adaptieve betekenis van variatie in het zanggedrag van vrouwelijke soorten. Preliminaire resultaten suggereren dat wijfjeszang bij deze soort een eerlijk teken kan geven over de kwaliteit van de wijfjes.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Zang als een modelsysteem voor de studie van secundair seksuele kenmerken in een vergelijkende, evolutionaire context. 01/10/2003 - 30/09/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie van het voorkomen van verschillende types van polluenten bij vogels, met bijzondere aandacht voor verschillen tussen soorten (voedselketeneffecten) en gebieden. 01/10/2003 - 30/09/2004

Abstract

Menselijke activiteiten hebben geleid tot het vrijkomen van vele schadelijke stoffen die nu soms wereldwijd verspreid zijn, zoals zware metalen en persistente organische polluenten (POPs). De groeiende bezorgdheid omtrent mogelijke effecten van deze polluenten heeft geleid tot het ontwikkelen van biomonitoringprogramma's. Op dit ogenblik bestaan er zeer weinig wetenschappelijke gegevens over (1) het voorkomen van vele polluenten in biota en (2) de bruikbaarheid van verschillende vogelsoorten als bio-indicatorsoort, alhoewel er een grote behoefte bestaat aan dergelijke evaluaties bij vogels en andere diergroepen. In het kader van dit project zal ik de concentratie van verschillende zware metalen en POPs bepalen in weefselstalen, veren, bloed en eieren van verschillende vogelsoorten die in éénzelfde gebied leven, maar die van elkaar verschillen in eigenschappen zoals voedselvoorkeur en ecologie, territoriumgrootte, lichaamsgrootte, enz. Ik zal stalen verzamelen in twee verschillende studiegebieden: in een verstedelijkt en sterk vervuild gebied (Hoboken-Wilrijk) én in een meer landelijk gebied (vermoedelijk Peer). In deze studie zal ik nagaan of er tussen de twee gebieden verschillen zijn in contaminatieniveaus, of er methoden kunnen ontwikkeld worden voor niet-invasieve biomonitoring, of de verschillen in contaminatieniveaus tussen soorten in éénzelfde gebied gerelateerd worden aan verschillen in ecologie, wijze van voedsel verzamelen, territoriumgrootte' en of er verbanden bestaan tussen concentraties van polluenten en biomerkerresponsen. Tenslotte zal ik onderzoeken welke vogelsoorten het meest geschikt zijn als biomononitor voor beide typen van polluenten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie van de accumulatie en de effecten van lood bij vogels : een experimentele studie met de zebravink als modelsoort. 01/10/2003 - 30/09/2004

Abstract

In het kader van deze studie zal de accumulatie van lood in een kleine zangvogelsoort, de zebravink, onderzocht worden. Hierbij zal vooral aandacht besteed worden aan het gebruik van niet-destructieve technieken (zoals eieren en veren) om de blootstelling aan lood te bepalen. Daarnaast zullen ook de effecten van lood op het gedrag en het reproductief succes van de zebravink onderzocht worden. Naast algemene reproductieve parameters zal ook nagegaan worden wat het effect van lood is op de spermakwaliteit van de zebravink.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het toetsen van de "resource of allocation"-hypothese bij kleine zangvogels. 01/10/2002 - 30/09/2004

Abstract

In de periode tussen de toekenning en de aanvang van het aspirantschap heeft een uitgebreide literatuurstudie over de hitteschokrespons en de immuunrespons in de context van "life-history"-strategieen geleid tot een betere, meer gedetailleerde en nauwkeurige formulering van de probleemstelling en de doelstellingen van mijn doctoraatsonderzoek. Evolutionaire trade-offs zijn gebaseerd op fysiologische trade-offs, in die zin dat er een competitie voor energie bestaat tussen reproductie en zelfbehoud binnen een individu. Het immuunsysteem is een belangrijke factor in het zelfbehoud. Maar een immuunreactie opwekken en de hele mobilisatie en productie van cellen, antilichamen en andere immunologische stoffen vergt ook energie, energie die op dat moment niet in andere functies zoals reproductief gedrag of interne regulatorische mechanismen (bv. detoxificatie van het lichaam ten gevolge van blootstelling aan pollutie) gestoken kan worden (Sheldon & Verhulst, 1996). Individuen gedragen zich optimaal wanneer ze een balans gevonden hebben in de verdeling van hun energiereserves over hun verschillende behoeften, wat hun reproductieve output maximaliseert. Wanneer een individu echter met een extra externe stressfactor in contact komt zoals hoge concentraties testosteron, verhoogde fysische inspanningen of vervuiling, dan veroorzaakt deze extra bron van stress een extra vraag naar energie wat een trade-off tot gevolg heeft tussen de verschillende energievereisende systemen. Bovenstaande uiteenzetting wordt ook wel de " resource of allocation hypothesis" genoemd door RAberg et al., 1998, die de hypothese voorstelt als een ultimate oorzaak van stressgelnduceerde immunosuppressie. In mijn doctoraatsonderzoek zullen verschillende veronderstellingen en predicties van deze "resource of allocation"-hypothese getoetst worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De vergelijking van mannelijke reproductieve strategieën bij chimpansees (Pan troglodytes) en bonobo's (Pan paniscus) : een multidisciplinaire studie. 01/10/2002 - 30/09/2004

Abstract

In deze studie zullen enerzijds de intraseksuele en interseksuele reproductieve gedragsstrategieën van chimpansees (Pan troglodytes) en bonobos (Pan paniscus) in gevangenschap worden bestudeerd en vergeleken. Anderzijds gaat aandacht uit naar de fysiologie van spermaproductie bij beide soorten. Zo wordt inzicht verkregen in de ultieme factoren die aan de basis liggen van de verschillen in sociale organisatie beide soorten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Moederstijlen en ontwikkeling van jongen bij bonobo's en chimpansees : een studie naar intra- en interspecifieke variatie in relatie tot verschillen in sociale organisatie. 01/02/2002 - 31/01/2004

Abstract

Bij vele primaten investeert hoofdzakelijk de moeder in de zorg voor de jongen. Een moeder die haar investering zodanig uitbalanceert dat haar jong sneller onafhankelijk wordt, echter zonder nadelige gevolgen voor zijn fitness, zal haar energiereserves minder uitputten en kan sneller aan een volgende reproductieve poging beginnen of de eigen conditie weer opbouwen. De mate waarin een moeder meer of minder zal investeren in haar nakomelingen zal wellicht bepaald worden door haar leeftijd, dominantiepositie en pariteit. Bijkomende factoren zoals geslacht van het jong en aanwezigheid van siblings kunnen eveneens invloed uitoefenen op het moederlijk gedrag. Naast individuele verschillen zullen ook soortspecifieke karakteristieken van de sociale organisatie en het paarsysteem, die in relatie staan tot intra- en interseksuele competitie en coöperatie, een invloed uitoefenen op de moederlijke investering. Niettegenstaande de moeder-kind band de primaire sociale relatie is bij primaten, is nog maar weinig onderzoek verricht naar het verband tussen de sociale organisatie, het paarsysteem en moederlijke gedragingen enerzijds en het verband tussen moederlijk gedrag en ontwikkeling van jongen anderzijds. Om meer inzicht te verwerven in de vrouwelijke reproductieve strategieën van primaten, is er nood aan onderzoek naar de intra- en interspecifieke variatie in moederlijke gedragingen en investering. Twee soorten die zich uitstekend lenen voor dit onderzoek zijn de bonobo (Pan paniscus) en de chimpansee (Pan troglodytes). Aan de hand van gedragsobservaties wordt de ontwikkeling van gedrag van bonobo- en chimpanseejongen nagegaan en de moederstijlen van de moeders bepaald. Hierbij wordt specifiek getest of er een verband bestaat tussen de ontogenie van gedrag en de moederstijl. Tevens wordt nagegaan of er een relatie bestaat tussen de moederstijlen en enerzijds individueel verschillende factoren van de moederdieren en anderzijds de specifieke karakteristieken van de Pan-soorten. De vergelijkende data zullen gebruikt worden om de hypothese te testen dat interspecifieke variaties in moederstijlen een adaptieve respons zijn op verschillen in sociale organisatie. Het aanvullen van de gedragsanalyses met stamboekanalyses (oa. het berekenen van geboorte seks ratio's, geboorte-intervallen, mortaliteit en overleving van jongen) zal ons toelaten het reproductief succes en de reproductieve strategieën van vrouwelijke bonobo's en chimpansees te vergelijken.

Onderzoeker(s)

  • Promotor: Eens Marcel
  • Promotor: Verheyen Rudi
  • Co-promotor: Van Elsacker Linda

Onderzoeksgroep(en)

Studie van secundair seksuele kenmerken en gedragingen bij vrouwelijke zangvogels : een interdisciplinaire benadering. 01/01/2002 - 31/12/2005

Abstract

De evolutie van secundair seksuele gedragingen bij vrouwelijke dieren werd, in tegenstelling tot deze van mannelijke dieren, tot nog toe zeer weining bestudeerd. Dit project beoogt een beter inzicht to krijgen in de functie van secundair seksuele gedragingen (zang en agressief gedrag) bij wijfjesspreeuwen Sturnus vulgaris en zal hun belang bij de intra-seksuele rivaliteit en bij de partnerkeuze door mannetjes bestuderen. De endocriene en neurobiologische basis van zanggedrag bij wijfjes zal ook bestudeerd worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Seksuele selectie-onderzoek als modelsysteem voor het bestuderen van verbanden tussen hormonen, hersenen en gedragingen. 01/01/2002 - 31/12/2005

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de invloed van seksuele selectie en interspecifieke competitie op de grootte en samenstelling van het pimpelmeeszangrepertoire. 01/01/2002 - 31/12/2003

Abstract

Pimpelmezen (Parus caeruleus) vertonen een uitgesproken variatie in samenstelling (proportie zangtypen met en zonder triller) en grootte van het zangrepertoire van Noord Europa tot de Mediterrane regio, Noord Afrika en de Canarische eilanden. Zo varieert de repertoiregrootte (het aantal zangtypen per individu) tussen populaties van 3 tot 19 verschillende zangtypen. In Noord Europa komen zangtypen met een triller veel voor terwijl deze trillers zeldzaam zijn in Zuid Spanje en Corsica en volledig afwezig zijn op de Canarische eilanden. Recent heeft men ontdekt dat interspecifieke competitie met koolmezen (Parus major) een belangrijke invloed uitoefent op de compositie van het pimpelmeesrepertoire en de grootte ervan. Akoestische competitie tussen beide soorten zou het gevolg kunnen zijn van een syntax-overlap tussen koolmeeszang en pimpelmeeszangtypen zonder triller. Trillers zouden bijgevolg ontstaan kunnen zijn om agressieve, energie-eisende territoriale interacties met koolmezen te vermijden. Zangvariatie zou echter ook het gevolg kunnen zijn van seksuele selectie. De grootte van de zangrepertoires werd in het verleden reeds vele malen gerelateerd aan de intensiteit van seksuele selectie. Maar ook de samenstelling van het repertoire kan beïnvloed worden door seksuele selectie. In het merendeel van zangvogels met een groot repertoire, blijken alle zangtypen dezelfde of gelijkaardige functies uit te oefenen. Bij pimpelmezen zijn er echter aanwijzingen dat sommige zangtypen in verschillende contexten gebruikt worden, terwijl andere onderling verwisselbaar zijn. Dit is één van de eerste studies die experimenteel onderzoekt in hoeverre geografische variatie van zang het gevolg zou kunnen zijn van geografische variatie in selectiedrukken. Er zal nagegaan worden welke factoren (seksuele selectie, interspecifieke competitie) een invloed uitoefenen op de grootte en compositie van het pimpelmeesrepertoire en of de bijdrage van deze factoren dezelfde is in geografisch verschillende populaties pimpelmezen die opvallend verschillen in repertoiregrootte en in proportie trillers. Deze studie levert een vernieuwende en fundamentele bijdrage aan het reeds bestaande onderzoek en draagt in belangrijke mate bij tot het ontrafelen van de factoren die de evolutie van vogelzang beïnvloeden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vrouwelijke reproductieve competitie bij Amerikaanse bizons (Bison bison). 01/10/2001 - 30/09/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het gebruik van moleculaire technieken bij seksuele selectie-onderzoek bij vogels. 01/01/2001 - 31/12/2003

Abstract

In het kader van dit project zullen moleculaire technieken gebruikt worden om meer inzicht te krijgen in reproduktieve gedragingen en strategieën bij vogels. Concreet zal door gebruik te maken van microsatellieten binnen lopend onderzoek verder aandacht besteed worden aan (1) de exacte bepaling van het reproduktief succes (met inbegrip van buitenechtelijke bevruchtingen); (2) factoren die seks ratio's binnen broedsels beïnvloeden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Seksuele selectie, partnerkeuze en communicatie bij dieren : een geïntegreerde en interdisciplinaire benadering. 01/10/2000 - 31/08/2010

Abstract

Het voorgestelde project beoogt een beter inzicht te krijgen in de evolutie van secundair seksuele kenmerken en gedragingen en om hun belang bij de partnerkeuze en intra-seksuele rivaliteit te bestuderen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de bruikbaarheid van pluimen van mezen als bio-indicatoren voor zware metalen verontreiniging en naar de effecten van deze verontreiniging op de reproductie en gezondheidstoestand. 01/01/2000 - 31/12/2004

Abstract

Recent onderzoek heeft aangetoond dat vogelpluimen goede aanwijzingen kunnen geven van contaminatie door zware metalen. Pluimen zijn ideaal voor de bepaling van zware metalen omdat deze erin accumuleren in evenredigheid tot de concentraties in het bloed op het ogenblik dat de veren gevormd worden. De studie van vervuiling via pluimen kan als innovatief beschouwd worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)