Ruusbroec op devotieprenten

Bij de devotieprenten zien we vaak dezelfde motieven, geïnspireerd op oudere afbeeldingen, terugkomen. Het eerste motief dat we vaak zien opduiken is dat van de ‘teruggevonden’ of ‘schrijvende’ Ruusbroec. Dit motief zien we ook op de titelpagina’s van Mastelinus’ Necrologium Monasterii Viridis Vallis  en de eerste gedrukte uitgave van Ruusbroecs Brulocht.  De afbeelding toont ons  een schrijvende Ruusbroec, al zittend onder een boom. Op zijn schoot houdt Ruusbroec een wastafeltje met daarop de Latijnse woorden: ‘Ecce sponsus venit’, de eerste woorden van de Brulocht. De zonnestralen moeten de goddelijke inspiratie voorstellen, die Ruusbroec zo hevig ontvangt dat zelfs de boom boven hem van deze stralen begint te branden. Vaak worden er dan achter de bomen nog twee monniken afgebeeld, die Ruusbroec ‘terugvinden’. Dit tafereel gaat terug op een passage in de kroniek van Groenendaal door Pomerius. Ruusbroec had volgens Pomerius de gewoonte om zich in de bossen van het klooster terug te trekken ‘wanneer hem goddelijke stralen van de geestelijke contemplatie plachten te beschijnen’. Ruusbroec bracht dan ook daadwerkelijk wastafeltjes mee om te noteren wat God hem influisterde. Op een keer  bleef Ruusbroec zo lang weg, dat zijn medebroeders ongerust werden en naar hem op zoek gingen. Toen ze hem vonden, zagen ze Ruusbroec onder zijn lindeboom zitten, badend in het licht van goddelijke zonnestralen.

Een tweede vaak voorkomende manier om Ruusbroec af te beelden is als contemplatief denker, meestal zijdelings en met de ogen opgeslagen, naar het voorbeeld van het zestiende-eeuwse portret. Dit is trouwens ook de manier waarop Ruusbroec door de moderne kunstenaars en De Pelgrim vaak werd geportretteerd. Op de laatste devotieprent zien we Ruusbroec ook op deze manier afgebeeld, maar toch wijkt deze prent wat af van de andere. Ruusbroec wordt namelijk boven en onder nog van andere illustraties vergezeld. Het bovenste vak, met de arenden die naar de zon vliegen, stelt de echte mystiek voor. Het onderste vak, met de hoogmoedige man die valt, stelt dan de onechte mystiek voor. Dit model, met de drie horizontale vakken, is een voorbeeld van de Duitse portretstijl.

Ruusbroec en de Pelgrimbeweging

Vlaams Katholicisme en Moderniteit

In 1926 publiceerden twaalf kunstenaars en literatoren (o.a. Felix Timmermans, Gerard Walschap, Flor van Reeth, ...) Het manifest van De Pelgrim. De Pelgrim (1924-1931), ‘een vereeniging van twaalf katholieke Vlaamsche kunstenaars’, werd geboren uit een diepe ontevredenheid over de Vlaamse katholieke kunst. Deze vereniging had als doel het Vlaamse katholieke kunstlandschap volledig te hernieuwen. De artistieke uitdrukkingen van deze vernieuwing kan men moeilijk onder één noemer brengen. Zowel sober constructivisme en christelijk vitalisme als romantische sprookjes en gemoedelijke volksdevotie zijn producten van De Pelgrim.

Leonce Reypens, medeoprichter van het Ruusbroecgenootschap, heeft een grote invloed op deze beweging gehad. In het eerste nummer van het tijdschrift De Pelgrim schreef hij het artikel ‘Wat wij willen’, waarmee hij de krijtlijnen van de beweging uitzette. Reypens had ook invloed op de naamgeving, waarin een referentie naar Ruusbroec kan gevonden worden. Door zich terug te trekken in het Zoniënwoud om daar zijn mystiek oeuvre te voltooien en te onderrichten, ondernam hij als het ware een pelgrimstocht naar God. Net als Ruusbroec waren de Pelgrimleden reizigers op weg naar een omlijnd ideaal. Daarom zien we in de Pelgrimkunst Ruusbroec ook vaak afgebeeld, Iets wat ook kunstenaars die niet tot de Pelgrimbeweging hoorden hebben overgenomen.

Ondanks de gezamenlijke grondgedachte, de wil om religie en moderniteit met elkaar te verzoenen, slaagt De Pelgrim er niet in de uiteenlopende visies op die grondgedachte met elkaar te verzoenen. In 1931 valt de groep, na aanhoudende ruzies en verdeeldheid, uit elkaar.